MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
„Toch geen ongemak ? " vroeg zij, quasi ontsteld, om de nieuwsgierigen op een dwaalspoor te brengen en misschien zelf nog eenige bijzonderheden te vernemen. „Gelukkig niet, hoor ; slaap er vannacht maar gerust om", zei Murk, en lachte haar vriendelijk toe.
Dat was voor haar een goed teeken. Hij wist daar bepaald meer van. Kon zij hem maar even afzonderlijk krijgen, om te vragen wat vrouw Siderius eigenlijk met haar wilde, doch hiervoor bestond op het oogenblik geen kans. Er waren te veel luistervinken. Bovendien had hij ook geen tijd. De hit was al uitgespannen en wilde naar stal, en ook Murk kon men het aanzien, dat hij naar rust verlangde. Vrouw Kalma zou zeker de koffie en boterham voor hem wel klaar hebben.
't Was toch ook maar een heele gezelligheid voor haar, een manspersoon in huis te hebben. 't Leven van een weduwe en dan met nog jonge kinderen, die net zoo min nog konden verdienen als raadgeven in moeilijke omstandigheden — en hoevele waren deze niet — viel niet mee. Klaske werd een oogenblik stil onder de gedachte hieraan. Deed zij wel goed met vrouw Kalma zoo lastig te vallen, gelijk zij dit in het morgenuur in vereeniging met Gelske weer gedaan had? Zij had nog een man, die voor haar zorgde, al bracht hij dan ook geen groote sommen thuis ; en die tevens mede aansprakelijk was voor de opvoeding der kinderen. Doch buurvrouw stond geheel alleen op de wereld. Dit beteekende toch wel wat. En om dan nog fatsoenlijk door de wereld te komen ! Waarlijk, dat was geen kleinigheid. Hoe blij was zij nu al met dat bericht van Murk, dat er misschien op „Lucht en Veld" iets voor haar te halen viel. En hoe zou het dan wezen, wanneer zij in het geheel geen verzorger meer had en in alles van een ander afhing ? Geen wonder, dat vrouw Kalma veel van Murk hield en hem als haar huisgenoot zoo getrouw mogelijk verzorgde. Buurvrouw Gelske werd het nu óók al gewaar. Die zat maar leelijk met haar verbonden been, louter als gevolg van dat gesprek over de weduwe. Hadden zij dat niet gevoerd, dan was haar water niet overgekookt, en had zij zich niet zoo gehaast, dan was ook dat ongeluk niet gebeurd. Gelukkig voor haar, dat Gelske zélf begonnen was, en haar bij het werk had weggeroepen. Niet omgekeerd. Nu was het ook haar eigen schuld. Of zou het een straf zijn op de zonde ? Haar moeder zei altijd : „Boontje komt om zijn loontje". Maar dat zou toch wel niet. Wie sprak nu nooit eens over een ander en als dan elk verkeerd woord aanstonds gestraft zou worden ? Hoeveel ongelukken moesten er dan wel niet op een dag gebeuren ? Dan zou zeker de heele wereld vol invaliden zijn en waren d'r niet veel, die nog „recht op" liepen, zonder eenig gebrek. Ook had zij zoozeer geen kwaad bedoeld. Meer een buurpraatje, en om eens iets te zeggen. Buurvrouw Kalma leefde haar niet in den weg, hoor, o heden neen ; zij mocht om harentwil hier nog twintig jaar blijven wonen. En Murk ook. Maar dat zou wel niet gaan. Murk zou wel gauw gaan trouwen. Als zulke oude vrijers eenmaal verkeering kregen, dan was het natuurlijk om een vrouw te doen. En Pleuntje was ook niet zoo jong meer. Men zou zeggen : „hoe vonden zij elkaar ? " Anders een beste meid, hoor, op wie niets viel aan te merken. Als zij morgen op „Lucht en Veld" kwam, zou zij eens een praatje met haar maken en haar op een kopje thee of koffie vragen. Murk kon haar dan wel weer halen en thuis brengen. Zoo'n paartje wil samen óók wel eens uit en wie weet waar het goed voor was. Kwaad kon 't in ieder geval niet en „aanzien doet gedenken". Haar moeder zei altijd : „Je moet wel eens een spiering uitwerpen, om een kabeljauw te vangen".
Zoo mijmerde Klaske voort en hoorde ternauwernood naar de gesprekken, die rondom haar gevoerd werden. Tot Douwe haar tot de werkelijkheid terug riep met de vraag, of 't nu haast geen tijd voor het avondeten werd en de kinderen niet naar bed moesten. Morgen was het weer vroeg dag. Dit was voor haar een welkome gelegenheid om naar huis te gaan en daar verder met haar man te bespreken, wat misschien op „Lucht en Veld" haar te wachten stond. Zij zou morgenmiddag na den eten maar spoedig op stap gaan. Misschien, dat vrouw Kalma zoo lang wel toezicht op de kinderen wilde houden. Het was wel niet verdiend, maar zij durfde dit buurvrouw wel vragen, omdat deze nu eenmaal geheel veranderd scheen bij vroeger. Misschien, dat zij straks, als de kinderen naar bed waren en heel de buurt in de rust, nog wel even ging, om het haar te vragen. Zij had dan meteen wellicht gelegenheid Murk uit te hooren, of die ook iets meer wist van de boodschap, die vrouw Siderius voor haar had meegegeven.
Intusschen had vrouw Kalma geheel andere plannen. Toen de maaltijd was afgeloopen, vroeg zij plotseling aan Murk, die bezig was zijn inkoopen voor den volgenden dag te noteeren :
„Was het gisteren doopen, Murk ? "
Eenigszins verwonderd keek hij haar aan. Het was de eerste maal, dat zij hem zoo iets vroeg.
„Ja, de kleine van den bakker is gedoopt en dan nog een paar kindertjes van buiten".
„'t Zal zeker wel plechtig geweest zijn. De bakkerin heeft het bij den dood af gehaald".
„Doopen is altijd een plechtige handeling, onverschillig aan wie deze wordt toegediend. Overigens is dominé niet de man, om in bijzondere gevallen van den regel af te wijken en een woord uit het hart tot het hart te spreken".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's