HET DOOPSFORMULIER
HOOFDSTUK III.
De Sacramenten. (Vervolg.)
In hun strijd tegen de leer, volgens welke de sacramenten werken ex opere operato, staan de Hervormers schouder aan schouder geschaard. Of ge Luther neemt of Zwingli of Calvijn, allen laten zij een eensgezind geluid hooren. Het Roomsche genadebegrip heeft voor hen afgedaan. Allen leggen den nadruk op de beteekenis van het Woord. Alleen door het Woord hebben de sacramenten beteekenis ; Woord en Sacrament zijn niet van elkander te scheiden; en dit verklaart de noodzakelijkheid des geloofs voor een vruchtbaar gebruik der sacramenten.
Wij willen ons beperken tot het aanhalen van officieele getuigenissen uit bekende belijdenisgeschriften, opdat duidelijk zij, dat wij hier niet te doen hebben met een particuliere meening van Luther of Zwingli of Calvijn, maar met wat de hervormde Kerken in haar belijdenisgeschriften als Schriftuurlijke waarheden hebben aanvaard en uitgesproken.
In de Confessio Augustana lezen wij in art. XIII: „Van de sacramenten wordt geleerd, dat de sacramenten ingezet zijn niet alleen opdat zij teekenen zouden zijn, waaraan men de christenen uiterlijk kennen kan, maar opdat zij een teeken en getuigenis zouden zijn van Gods wil ten ons waart om ons geloof daardoor te verwekken en te sterken; daarom vragen zij ook geloof en worden dan op de rechte wijze gebruikt, als men ze in geloof ontvangt en het geloof daardoor sterkt".
In de Apologie van dit belijdenisgeschrift wordt uitvoerig op dit onderwerp ingegaan. Men leest daar de volgende uiteenzetting.
„Hier moeten wij verdoemen de gansche hoop van scholastici en hun dwaling bestraffen, wijl zij leeren, dat zij, die het sacrament ontvangen, wanneer zij geen obex in den weg plaatsen, Gods genade ex opere operato ontvangen, ook al is het, dat het hart geen enkele goede gedachte denkt. Dat is echter een Joodsche dwaling, die zij leeren, dat wij door een werk en uiterlijk ceremonie rechtvaardig en heilig worden zonder geloof, terwijl het hart er gansch niet bij is en deze schadelijke leer wordt toch wijd en zijd gepredikt in heel het rijk van den Paus. Paulus protesteert daartegen en zegt, dat Abraham voor God gerechtvaardigd is geworden niet door de besnijdenis, maar dat de besnijdenis tot een teeken gegeven is om het geloof te oefenen en te sterken.
Daarom zeggen wij ook, dat bij de sacramenten het geloof behoort, dat de goddelijke belofte gelooft en de beloofde genade aanneemt, die in het sacrament wordt aangeboden. Want het is een klare en vaststaande zaak, de belofte is onnut, als zij niet door het geloof wordt aangenomen. Nu zijn de sacramenten teekenen der beloften. Zoo moet dan bij het gebruik het geloof bijkomen, opdat, als iemand van het Avondmaal des Heeren gebruik maakt, hij het zóó (in geloof) gebruike. Omdat dit het sacrament des Nieuwen Testaments is, zooals Christus duidelijk zegt, daarom besluit hij, dat hem de zaken, die in het N. Testament beloofd worden, worden aangeboden, namelijk de vergeving der zonden uit vrije genade. En deze genade ontvangt hij door het geloof, beurt daarmede zijn verschrikte geweten weer op en is van oordeel, dat deze getuigenissen niet bedriegelijk zijn, maar even zeker als wanneer God door een nieuw wonder van den Hemel zou beloven, dat Hij de zonden vergeven wil. Wat baten toch zulke wonderteekenen iemand, die de beloften niet gelooft ? En wij spreken hier van dat bizondere geloof, dat de aangeboden belofte gelooft, niet slechts het geloof, dat zeer in het algemeen gelooft, dat God is, maar het geloof dat gelooft, dat de vergeving der zonden ons gegeven wordt. Een dergelijk gebruik van het
sacrament vertroost de vrome en verschrikte gemoederen".
In de Smalkaldische artikelen wordt van den doop gezegd: „De doop is niets anders dan Gods Woord met het water verbonden overeenkomstig deszelfs inzetting, gelijk Paulus spreekt van het bad des waters, in het Woord (Ef. 5 vers 26) en gelijk Augustinus zegt: het Woord komt bij het element en maakt het tot een sacrament. En daarom houden wij het niet met Thomas en de Dominicaner monniken, die Gods Woord en inzetting vergeten en leeren, dat God een geestelijke kracht in het water heeft gelegd, welke de zonde door middel van het water afwascht. Ook niet inet Scotus en de Franciscaner monniken, die leeren, dat de doop de zonde afwascht door den bijstand van Gods wil, zoo, dat de afwassching der zonden enkel geschiedt door Gods wil en allerminst door het Woord en het water".
In de kleine Catechismus van Luther lezen wij:
„Hoe kan water zulke groote dingen doen? Water doet zulke dingen niet, maar het Woord Gods, dat in en met het water is en het geloof, dat het Woord Gods, bij het water gevoegd, gelooft. Want water zonder het Woord Gods is niets dan water en is geen doop, maar met het Woord Gods verbonden is het een doop, dat is een heilzaam water der genade en des levens en een bad der wedergeboorte in den H. Geest, gelijk Paulus zegt".
Wij laten thans de latere Luthersche sacramentsleer, zooals die zich in strijd met het Calvinisme ontwikkeld heeft, geheel rusten. Het is ons hier enkel te doen om de afwijzing van de Roomsche sacramentsleer en de positieve belijdenis der Hervormde Kerken, dat het sacrament niet zonder het Woord is en alleen in het geloof kan worden aanvaard en door het geloof in zijn kracht kan worden gekend. Door deze krachtig uitgesproken belijdenis wordt het Roomsche genadebegrip afgewezen, de verborgen, nagenoeg' magisch werkende kracht der sacramenten verloochend en teruggekeerd tot het leven des geloofs, dat volgens de Schrift de eenige kracht der Kerk is.
Luther, en met hem de andere Hervormers, hebben zelfs zulk een definitie gegeven van het sacrament, dat men zich soms een oogenblik moet afvragen, of men zich later niet te zeer van deze definitie heeft losgemaakt, toen men meer en meer de sacramenten ging omschrijven als zichtbare teekenen en zegelen, zooals b. v. de H. Catechismus doet en in navolging van deze bijna alle dogmatische geschriften. Ik bedoel het uitsluitend nadruk leggen op het zichtbare, op het stoffelijke in het sacrament. Niet, alsof ik de groote beteekenis daarvan zou willen ontkennen. Dat juist is het, waarin het sacrament zich van het Woord onderscheidt. Maar ik heb hier het oog op het uitsluitend den nadruk leggen op de zichtbaarheid van het sacrament, zoodat men vergeet, dat het zichtbare teeken zonder het Woord geen sacrament is.
Het strekt tot eer van Calvijn en het Gereformeerd Protestantisme, dat men het sacrament ten nauwste met de prediking des Woords heeft verbonden, zoodat men ook van een bediening des doops buiten de vergadering der gemeente en zonder bediening des Woords niet wilde weten en dat op grond van de overtuiging, dat de sacramenten zegelen zijn aan de oorkonde des evangelies en een zegel zijn waarde verliest, als het niet meer met de oorkonde verbonden is.
Evenwel daarop bedoelde ik thans niet te wijzen, maar veelmeer op het feit, dat het Woord een onmisbaar deel van het sacrament is, ja dat het Woord het zichtbaar teeken alleen tot een sacrament maakt, zooals dat in de Luthersche belijdenisgeschriften met nadruk naar voren wordt gebracht. Ten opzichte van den doop wil dat zeggen, dat de besprenging met water, het zichtbaar teeken dus, geen doop en geen sacrament is, tenzij daarbij gesproken wordt: Ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Hetzelfde zien wij bij het Avondmaal. De breking des broods en de uitdeeling van den wijn maken het sacrament niet uit, maar het Woord, daarbij gesproken : Het brood, dat wij breken, is de gemeenschap aan het lichaam van Christus en : De beker der dankzegging, die wij dankzeggende zegenen, is de gemeenschap aan het bloed van Christus, maakt de teekenen tot een sacrament. Het Woord Gods is dus een onmisbaar deel van het sacrament ; dit deel, verbonden met het zichtbaar teeken, maakt dit teeken tot een zegel en onderpand van de genade, die door het teeken beduid wordt.
De beteekenis hiervan is zoo groot, omdat daardoor des te duidelijker wordt, dat het sacrament geloof vereischt, wijl het Woord Gods alleen door het geloof wordt aangenomen. De Hervormers kwamen, door dit kenmerk van het sacrament naar voren te brengen, des te sterker tegenover Rome te staan. En mede daardoor konden zij de beschuldiging, dat zij de kracht van het sacrament afhankelijk maakten van 'het geloof, des te overtuigender afwijzen, want het geloof maakt het Woord Gods niet krachtig, maar de kracht, die in het Woord Gods besloten is, wordt alleen door het geloof gekend. Het geloof heeft tegenover het Woord Gods slechts een receptief karakter; 't ontvangt, neemt aan ; en datzelfde karakter heeft het geloof ook ten opzichte van het sacrament. In zijn groote Catechismus heeft Luther dit telkens met nadruk naar voren gebracht. „Zoo ziet ge dus klaar, dat de doop geen werk is, door ons verricht, maar een schat, die God ons geeft en het geloof aanneemt ; evengoed, als de Heere Christus aan het kruis niet een werk is, maar een schat, in het Woord begrepen en ons geschonken en door 't geloof aangenomen". Tegen de Wederdoopers echter, die kinderen niet wilden doopen, wijl zij geen geloof bezaten, beziet hij deze kwestie van den anderen kant en laat uitkomen, dat het geloof slechts ontvangt en volstrekt niet de kracht is, die het sacrament tot een sacrament maakt. „Daarom zeggen wij verder, dat voor ons de grootste beteekenis niet daarin ligt, of hij, die gedoopt wordt, gelooft of niet gelooft, want daardoor verliest de doop zijn beteekenis niet. Maar alles hangt aan Gods Woord en gebod. Dat is wel een weinig scherp gezegd, maar denk bovenal daaraan, dat ik gezegd heb, dat de doop niet anders is dan water en Gods Woord bij en met elkander, dat wil zeggen, wanneer 't Woord bij het water komt, dan is de doop recht, ofschoon het geloof daar niet bij komt, want mijn geloof maakt niet de doop, maar ontvangt slechts den doop". Luther verduidelijkt dit dan door het voorbeeld van een Jood, die Christen wenscht te worden en daarop gedoopt wordt, maar achteraf blijkt een huichelaar te zijn. Zulk een man heeft wel den juisten doop ontvangen, maar hij heeft hem niet op de juiste wijze ontvangen. Door het sacrament op onwaardige wijze te ontvangen, houdt het sacrament niet op een sacrament te zijn. Alles ten bewijze, dat de zin en beteekenis van het sacrament niet bepaald worden door ons, door ons geloof of ons ongeloof, maar wel moet voor ons vaststaan, dat zonder geloof het sacrament ons geen nuttigheid doet.
Op deze wijze is niet alleen de Roomsche leer van de werking der sacramenten ex opere operato krachtig afgewezen, maar ook de beschuldiging, alsof het geloof de sacramenten krachtig maakt. Het sacrament heeft zijn eigen beteekenis en kracht, die God daaraan gegeven heeft, maar zooals zonder geloof het Woord des levens ons geen nuttigheid doet, zoo blijft de kracht van het sacrament zonder geloof ons verborgen. Zooals Luther 't uitdrukt: waar het geloof niet is, blijft slechts een bloot onvruchtbaar teeken over.
O. a. d. IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's