De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE BEIDE SACRAMENTEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE BEIDE SACRAMENTEN

7 minuten leestijd

IV.
„In Christus geheiligd".
In dit verband rijst voor ons op de geweldige beroering, die na de Reformatie de eerste doopvraag heeft teweeggebracht, waar staat „of gij niet bekent, dat zij in Christus geheiligd zijn".
Wat beteekent dit?
Zij behooren tot het Genadeverbond. Zij zijn lidmaten van Christus' gemeente. De erfzonde wordt door den Doop niet afgewasschen, maar om Christus' wil niet toegerekend. (Zie art. 34 N.G.B.). Zij zijn gedoopt „om Hem geheel toegeëigend te zijn". Zij moeten gerekend worden tot de Gemeente die zalig wordt, zoolang zij niet het tegendeel bewijzen. Is er dan afval der heiligen? Neen, maar de beschouwing rust op het oordeel der liefde.
Door den toevloed van doopelingen kwam er sinds Gomarus scheiding tusschen uit-en inwendig Verbond. Voetius kwam hiertegen in verzet. Wel erkent hij onderscheiding, doch geen scheiding, zoodat allen moeten gehouden worden voor geloovigen, tenzij het tegendeel blijkt. Twee los van elkander liggende kringen wijst hij af, hij stelt ze beide concentrisch. Merkwaardig genoeg is dit ook de leer van zijn overigens grooten tegenstander Coccejus. Desgelijks oordeelt Brakel: „Er is geen uitwendig Verbond". Voorts de Gereformeerde theologen Witsius, Van Mastricht en anderen. Lodenstein komt hiertegen wel op, doch de beroering, in Utrecht teweeggebracht in 1676 en 1727, was in 1735 uit. Sommigen lazen n.l. voor „in Christus geheiligd zijn", in Christus g. „moeten zijn" of : „geh. moeten worden". A Marck trachtte bemiddelend op te treden met een beroep op Joh. 15 vs. 2 en Hebr. 10 vs. 28 en 29. De ranken in den wijnstok en de door het bloed des N.T. geheiligden, worden voor afval gewaarschuwd. De Staten verboden de disputen en daarmee was het uit. Volgens de Synodale bepalingen der 18e eeuw moesten de predikanten het formulier en dus de vragen stipt lezen, waarvan navraag gedaan werd bij kerkvisitatie en waarop gelet werd bij de examinatie van Candidaten. Ook in dezen strijd zijn slachtoffers gevallen. Ds. de Herder wilde niet iedereen doopen en ds. Keppel weigerde stipt te lezen. Beiden werden afgezet.
Met „in Christus geheiligd" hangt ook samen, gelijk wij terloops zagen, de kwestie van Doop en erfzonde. In onze N.G.B., art. 15, staat over de erfzonde: „Zij is ook zelfs door den Doop niet ganschelijk te niet gedaan". Dus wel gedeeltelijk, n.l. alzoo : vóór den Doop staat het. kind in gemeenschap met Adam, na den Doop in gemeenschap met Christus. De gemeenschap aan de erfschuld is daardoor geëindigd en de gemeenschap der gerechtigheid zijn deel geworden. Voor den geloovige bestaat na den Doop geen erfschuld meer. „Zij wordt den kinderen Gods niet meer tot verdoemenis toegerekend" (Zie M. van Grieken, De Drie F. v. E. Art. 15 aantt. blz. 41, 42) en Rom. 6 vs. 4 en Tit. 3 vs. 5. Dit laatste befaamde vers dient opgevat te worden als Matth. 26 vs. 26 : Dit is Mijn lichaam, en: De Doop is het bad der wedergeboorte.
De Doop is het zegel der eeuwige heerlijkheid, die van de heiliging niet gescheiden kan worden. (Tit. 3 vs. 7 ; Rom. 6 vs. 8). Wie onbekeerd voortleeft, ontvangt het Sacrament tot zijn verdoemenis, gelijk de onbekeerde Joden de besnijdenis.
Nu openbaart zich in de geschiedenis, in het verloop der dingen, dat er twee lijnen zijn:1°. die van de verkiezing, welke voor ons verborgen is, en 2°. die van het Verbond, welke ons is geopenbaard. Deze twee vlakken, cirkels, groepen, dekken elkaar niet. Zij zijn niet identiek. Hoe dikwijls blijkt later niet, dat wij ons hebben vergist. Dat neemt niet weg, dat wij niet wijzer mogen zijn dan God, Die ons in Zijn Woord getuigt, dat Zijn genadeverbond is voor de geloovigen en hun zaad. Rom. 4 vs. 11 zegt, dat Abraham het teeken der besnijdenis heeft ontvangen tot een zegel des Verbonds (N.G.B., art. 33, H.C. vr. 66). Teeken en zegel is bij God één, bij den mensch niet. Alleen den geloovige wordt het teeken ten zegel. Een teeken als b.v. de regenboog, wijst iets aan, maar een zegel dient tot bevestiging. Een trouwring is als teeken te koop bij den goudsmid, doch eens gegeven als een pand van trouw, is dit voorwerp een zegel geworden en in vollen eigendom aanvaard.
De eigenlijke grond voor den Doop is dan ook het gebod Gods in het genadeverbond. (Art. 34 N.G.B.). Hij dient tot versterking van het geloof. Nu is er een stelling als volgt: Gelijk God aan sommigen onbewust de wedergeboorte gaf (Johannes, Jeremia), zoo kunnen ook de kinderen onbewust in den Doop versterking ontvangen van het geloofsvermogen. — Dergelijke constructies lijken mij beter niet gemaakt te worden, zij voeren ons de scholastiek en het dogmatisme in de open armen.
Maar al doopt nu de Kerk de kinderen der geloovigen, zij doet dat niet op grond van veronderstelde wedergeboorte, omdat 1°. de Doop is een bevel Gods ; 2°. de wedergeboorte in zoodanige betrekking nergens in Gods Woord genoemd wordt en zulks niet valt te bewijzen en met de practijk in strijd is, en 3°. dit aanleiding geeft tot verkeerde gevolgtrekkingen.
De leer der veronderstelde wedergeboorte is slechts de consequentie, uitvloeisel, gevolgtrekking van de leer des Verbonds, en het is verkeerd om de gevolgtrekking, die achteraan komt, als principe voorop te stellen. Dit is de omgekeerde volgorde. Vandaar dat in de prediking moet aangedrongen worden op bekeering en zelfonderzoek, iets wat overbodig wordt bij een hermetisch gesloten systeem, en de waarheid staan blijft : wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. Bij den Doop, aan de kinderen bediend, hebben wij niet uit te gaan van de kinderen, doch van het gebod Gods, en van Zijn belofte in het genadeverbond vervat : Ik wil uw God en uw zaads God zijn. Zoowel bij de kinderen als bij de volwassenen wordt aangelegd de maatstaf der liefde. Bij niemand kunnen wij in het hart zien. Wij staan hier voor dezelfde moeilijkheden als bij de uitreiking van de teekenen van het H. Avondmaal : ook daar moet men iemand houden op zijn woord.
Het spreekt vanzelf, dat wij geen kleine kinderen doopen van Heidenen, Mohammedanen en Joden, maar wel van Christelijke families, al zijn de ouders geen lidmaat of al zijn ze afwijkend in de leer, want met een beroep op Ezechiël 16 en 23 zal in het Nieuwe Verbond de zoon niet dragen de ongerechtigheid des vaders. God getuigt, dat de kinderen der goddelooze Israëlieten Zijn kinderen zijn, die zij Godc gebaard hebben, ofschoon zij ze den Moloch offerden. Ook zij werden besneden. De Gereformeerde Vaderen zeiden tevens op de vraag, of men kinderen zal doopen van ongeloovige ouders, ja, en deden daarbij een beroep op de voorouders, want het Verbond strekt zich uit tot in duizend geslachten. Volgens het formulier komen de kinderen niet in het Verbond door den Doop, maar ze zijn er in, en daarom moeten zij het teeken en zegel des Verbonds ontvangen. Niet dat zij beter zijn dan de heidenkinderen, want wij zijn allen van nature kinderen des toorns. De onderscheiding ligt niet in de vleeschelijke geboorte, doch in het Verbond, dus in de verhouding, waarin zij door de vrij machtige beschikking Gods komen te staan tot de belofte van het genadeverbond. Daarom behoeven wij bij een kind, geboren uit Christenouders, niets te veronderstellen, maar wij weten : het ligt onder de belofte. En dat niet sommige kinderen, doch alle. Het is dan ook verkeerd te zeggen: Voor dit of dat kind heb ik een belofte, doch voor de anderen niet! Wie zulks zich verstout, stelt zich in de plaats van God, en Hij zal in den tijd openbaren, wie Hij liefgehad heeft met een eeuwige liefde.
De Doop herinnert ons dus aan onzen diepen val. Zonder wedergeboorte kunnen wij niet komen in Gods Koninkrijk. Dat God machtig is om de wedergeboorte te schenken, leert ons de onderdompeling of besprenging met het water. De Doop is de afbeelding, en in het geloof ligt de verzegeling. De Vader getuigt in den Doop van het Verbond der genade ; de Zoon, dat Hij ons wascht in Zijn bloed ; de Geest, dat Hij ons tot lidmaten van Christus heiligen wil.
Aan het einde der tijden zal openbaar worden, wie waarlijk behooren tot Gods volk. De tweeheid blijft hier op aarde bestaan, de gemeente in ideëelen en in reëelen zin.
Ridderkerk

G. V. d. Zee

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

DE BEIDE SACRAMENTEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's