MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
„Vindt je 't bepaald noodig voor een mensch? " Kijk, daar was de vraag er uit, waar zij den geheelen dag onder haar werk mee had rondgeloopen. Dat zou zij nu graag eens willen weten en daarom een antwoord begeeren, dat alles afdeed en voor geen tweeërlei uitlegging vatbaar was. Omdat Baije en Joukje en Jan niet gedoopt waren, en zij met haar man daar veeleer een grap van gemaakt hadden.
„Vóór alle dingen is 't noodig, dat een mensch gelooft. Op zichzelf heeft de Doop in 't geheel geen waarde. Het doopwater is heel gewoon, evenals bij het H. Avondmaal het brood en de wijn ook heel gewoon zijn, zonder eenige beteekenis of kracht. Maar geheel anders wordt het, aIs de mensch aanvaardt hetgeen daarmede wordt aangeduid en verzegeld".
„Wat is dat dan ? " vroeg vrouw Kalma met belangstelling.
„De vergeving van onze zonden en de vernieuwing van ons hart".
„Gebeurt dat dan doordat de dominé een kind doopt ? "
„Natuurlijk niet. Als dat zoo was, zou een zondig mensch de zaligheid van zijn medemenschen kunnen bewerken. Het bloed van Jezus Christus reinigt ons van alle zonden, en daar wijst de Doop heen. Zoodat wij in deze heilige handeling een zinnebeeld zien van hetgeen innerlijk plaats heeft bij elk, die de kracht van Christus' bloed over zich voelt 'komen en tevens daarin een Goddelijke quitantie heeft ter bekrachtiging van de schulddelging".
„Ik begrijp het niet", beleed vrouw Kalma eerlijk.
„Volkomen begrijpen doe ik het ook niet, maar iets daarvan verstaan wel. Me dunkt, het is ongeveer zooals met mijn rekeningen bij den koopman, van wien ik mijn artikelen betrek. Wanneer deze mij eens zou aanspreken over alles, wat ik zoo voor en na van hem gekocht heb, zonder dat ik in staat was direct altijd te betalen, dan zou, dat een kapitaal worden, waar ik geen geld voor had. Maar nu heb ik naast de loopende nota's ook een heelen stapel nota's met een zegel, waaronder hij zijn naam geplaatst heeft ten teeken, dat deze betaald zijn. Wanneer hij mij daarop nog zou willen aanspreken, heb ik niets anders te doen dan hem die quitantie's te toonen, en door deze ga ik vrij uit. Wanneer ik deze niet had, zou de gedachte mij kunnen verontrusten, dat te eeniger tijd van mij gevraagd kon worden wat ik eenmaal werkelijk ben schuldig geweest, maar nu heb ik de bewijzen in handen van de voldane schuld en behoeft deze mij nooit weer te verontrusten. Gesteld eens, dat mijn koopman komen zou, om voor de tweede maal van mij volledige betaling te eischen — wat hij natuurlijk nooit doen zal, omdat hij een degelijk en soiled man is, — dan zou ik hem de voldane rekeningen toonen, en daarmee ging ik vrij uit".
„Betaalt een mensch dan door den Doop bij God zijn schuld ? "
„Neen, dat kan hij niet, dat kan hij nooit! Zelfs de beste en de vroomste zou dat niet kunnen doen. Maar nu is de Heere Jezus in de wereld gekomen, om de izondaren zalig te maken. Wat hun allen tezamen onmogelijk was, dat heeft Hij op zich genomen. De last eener verloren wereld heeft 'Hij op zich genomen, om dezen uit te dragen, en door Zijn volkomene offerande heeft Hij gansch de schuld voor de zondaren betaald. Hij heeft gedaan, wat wij moesten, maar niet konden. Tot in den dood heeft Hij zich overgegeven in volkomen gehoorzaamheid aan God en daarom riep Hij aan 't kruis : „Het is volbracht!'" Toen was ónze schuld betaald, maar kon nu meteen ook de kwijtbrief worden afgegeven, waarin de zondaren het bewijs hiervan in handen kregen, en dezen hebben wij nu in den Doop. Zoodat iemand, die gelooft in den Heere Jezus en in de verzoening, welke Hij heeft aangebracht, daarin zien mag de hem van Gods zijde geschonken verzegeling, dat alles tusschen God en hem in orde is".
„Maar het is toch de dominé of wat mensch dan ook, die doopt".
„Zeker, maar op Hooger Bevel. De Heiland zelf heeft ons dit Sacrament gegeven, evenals het H. Avondmaal. Vóór Hij van deze wereld heenging, sprak Hij tot zijn jongeren : „Gaat henen in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen, ze doopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden, maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden".
„Dat is vreeselijk. Murk. Heeft Jezus zulke harde woorden gesproken ? "
„Ja, dat heeft Hij, maar opdat wij daardoor bewaard zouden worden. Al Zijn harde woorden zijn waarschuwingen vóór het te laat is. Allen, die verloren gaan, hadden béter kunnen weten door naar Zijn stem te luisteren".
„Tot voor kort wist ik van deze dingen niets, en mijn man wist ook daarvan niets".
„Aan wie de schuld ? " klonk zacht de wedervraag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's