KERK. SCHOOL, VEREENIGING
NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK.
Beroepen:
te Varik L. Metselaar, cand. en hulppred. te IJsselmonde — te Makkum B. C. Visser te Okkenbroek — te Middelburg J. van Woerden te Zwammerdam — te Leeuwarden (vac.-Visser) H. J. Drost te Aalten — te Giessen en Rijswijk cand. P. Schoonhoven, hulppred. te Leeuwarden — te Meppel Th. Vos te Nieuwe Pekela — te Veldhoven W. A. Vrijlandt, cand. te Biervliet.
Aangenomen :
naar Zaamslag (toez.) G. W. Korevaar te Biggekerke — naar Veghel (toez.) J. H. Denee te Asten — naar Budel cand. A. Bloemendaal te Drempt.
Bedankt:
voor Amsterdam M. G. Gerritsen te Amersfoort.
GEREFORMEERDE KERKEN.
Tweetal:
te Uithuizermeeden W. Scheele te Hoogersmilde en F. J., Scholten te Onstwedde.
Drietal:
te Beetsterzwaag J. C. Everaars, cand. en hulppred. te Sloten, H. van Minnen, cand. te Noordwolde (Fr.) en A. Vellema, cand. te Grouw.
Beroepen :
te Bierum A. W. Wymenga te Jutrijp-Hommerts.
GEREFORMEERDE GEMEENTEN.
Bedankt:
voor Meliskerke en Borssele P. Honkoop te Den Haag.
Nieuwe Kerk te Delft.
Heropening met September.
Met de restauratie van de Nieuwe Kerk is men thans zoover gevorderd, dat de kerkvoogden, in overleg met den architect, den heer H. van der Kloot kleyburg, de weder in gebruikneming van het gerestaureerde kerkgebouw hopen te kunnen vaststellen in de eerste helft van Ssptember a.s.
Na 13 jaar een predikant.
Men meldt ons uit Leersum van de zijde der kerkvoogdij der Ned. Hervormde Kerk het volgende :
Na een treurig tijdperk van 13 jaar zonder predikant te zijn geweest, wegens onwil van voormalige kerkvoogden en een proces dat van Juni 1932-1 September 1936 de zaak slepende hield, kon vanaf September 1S36 de nieuwe kerkvoogdij optreden en de ruïne overnemen. Aan Raad van Beheer, ring-predlkanten, classis moest samen f 4079.— aan schulden worden betaald. De kerk moest worden gesloten en thans wordt ze met steun van Synode, monumenten zorg en particulieren gerestaureerd. De pastorie, was oud en af, een nieuwe is nu aanbesteed. Voor het „Vrijwillige offer" om een predikant te kunnen beroepen, bracht deze door partijstrijd verscheurde gemeente f 1400.— per jaar op, zoodat de kerkeraad ds. H. A. Jellema van Grijpskerk kon beroepen, die dat beroep heeft aangenomen. Mei a.s. hoopt men met de kerk gereed te zijn. De gemeente verlangt naar het einde en hoopt van harte, dat met Gods hulp de rust zal wederkeeren.
De Koningin heeft aan het college van kerkvoogden te Leersum als blijk van waardeering voor het streven van deze kerkvoogdij een belangrijke gift doen toekomen.
Stadskanaal—Pekelderweg.
De vorige maand hield de Ned. Hervormde Evangelisatie-Vereeniging een week na elkander haar ledenvergadering en jaarvergadering. Het bestuur was van meening, dat met een jaarvergadering allen in de gelegenheid gesteld werden om te komen. Op de ledenvergadering werden de financieele aangelegenheden besproken. De kas van den penningmeester gaf een tekort aan van f 119.—. Over dit tekort werd een oogenblik gediscussieerd. Daar werden maatregelen getroffen om dit tekort te dekken. Gaarne wil de heer W. Rosing extra giften in ontvangst nemen. Zijn gironummer is 22171.
De voorzitter J. Haag Sr. opende de jaarvergadering door het laten zingen van Ps. 89 : 1, en ging voor in gebed. Daarna las hij voor Num. 21 : 1—9. Naar aanleiding van dit Schriftgedeelte sprak hij een ernstig openingswoord. Hij begon met te zeggen : gelukkig is het volk, dat naar Gods wil handelt. Gelukkig is het volk Israël, dat Gods geboden gehoorzaamt. Maar Israël wilde niet gehoorzamen en zondigde tegen Gods gebod. En toen kwam het oordeel, de toorn Gods daalde op dat volk neer. De Heere God zond vurige slangen.
Spr. zeide vervolgens, ook op ons menschenkinderen van nature rust de toorn Gods. Voor Israël was er behoudenis, door in het geloof te Kien op den koperen slang, op Gods bevel opgericht. Zoo is er ook voor ons behoudenis, als we in het waarachtig geloof op Christus zien. Daarna gedenkt spr. dankbaar de zegeningen aan de Evangelisatie geschonken. En het is zijn bede, dat God den Voorganger kracht en sterkte moge geven om het heerlijk Evangelie van Gods genade te verkondigen.
Vervolgens kwam het jaarverslag van den secretaris J. Poelman en het jaaroverzicht van den voorganger A. Blijleven.
Spr. gaf een uitvoerig overzicht van zijn omvangrijken arbeid. Hij mocht gewagen van zegen op zijn arbeid In Gods Koninkrijk. De samenkomsten der gemeente worden flink bezocht. Doch de bloei van de Evangelisatie is onevenredig aan de inkomsten, welke steeds minder toevloeien. In eigen kring zijn weinig edelen en wordt gedaan wat gedaan kan worden.
Dit jaar hebben 3 personen te Tange-Alteveer belijdenis des geloofs afgelegd; Ds. Luteijn te Onstwedde brengen we daarvoor een woord van hartelijken dank.
De heer H. Prins gaf een referaat over de Tempelreiniging. Dit referaat getuigde van gedegen studie.
De Zangvereeniging gaf verschillende nummers ten gehoore, en verschillende personen gaven iets ten beste. In de pauze werd getracteerd op koffie met koek. 't Was een mooie avond, waardoor de band aan de Evangelisatie weer hechter en sterker is geworden. Ruim een 90-tal menschen waren aanwezig.
De voorzitter bracht een woord van dank aan allen, die op eenigerlei wijze hadden medegewerkt tot het welslagen van deze jaarvergadering.
De Voorganger sloot de zeer geanimeerde vergadering met dank aan God.
Terbregge.
De Ned. Hervormde Meisjesvereeniging op G.G. „Esther" en de Ned. Hervormde Jongelingsvereeniging op G.G. „Immanuël" te Terbregge hielden op Donderdag 18 Maart j.l. hun tweede winterlezing in de Alexanderkerk, waar als spreker optrad ds. C. v. d. Boogerd, van Zuid-Beijerland. Z.EW. sprak tot ons over „De doop van Johannes en de doop van Christus". 'Spr. ging na het ontstaan van den doop, zijn beteekenis onder Israël in de vroegste tijden en betoogde tenslotte, dat de doop van Johannes en de doop van Christus in wezen niet van elkander verschilden en eindigde met te wijzen op de beteekenis van den Christelijken doop voor ons.
Opkomst en collecte waren bevredigend.
De Doleantie. (1)
Hierover schreef dr. W. J. de Wilde, Ned. Herv. pred. te 's-Gravenhage, een studie, uitgegeven bij Veenman & Zonen te Wageningen. En nu een brochure, voor de Vereeniging „Kerkherstel, eveneens uitgegeven bij Veenman te Wageningen. (1ste Serie no. 3).
Wij ontleenen 't volgende aan deze brochure:
Inzake de beginselen in den kerkelijke" strijd, staan dr. Huyper en dr. Hoedemaker tegenover elkaar, waarbij de laatste veel te lang een wijfelende houding heeft aangenomen. op practisch-kérkrechterlijk terrein staan dr. Kuyper en dr. Vos tegenover elkaar. Op principieel-kerkrechterlijk terrein : dr. Rutgers en dr. Kleyn (die de groote vraag naar „algemeene Kerk" of „plaatselijke gemeente" hebben besproken).
Het voorspel der Doleantie is reeds lang te voren opgezet en is een meesterlijk „plan de campagne" en was niet, zooals bij de Afscheiding, gericht op de individuen, maar op de plaatselijke gemeenten. Het begon in 1867 met de Kiescolleges. Eigenlijk was men vóór Kerkeraad, omdat een Kiescollege een „ongereformeerd instituut", is, dat in de Kerk van Christus niet thuis hoort. Maar voor de omzetting van de gemeenten werd het gebruikt en met succes. Met „het constitueeren der Kerk" moest een aanvang worden gemaakt. De gemeente kon, zonder revolutie, als constituante optreden en de geloovigen zouden hun „ambt" kunnen gaan oefenen. In 1868 had dr. Kuyper zijn beginselen in Utrecht doen zegevieren, toen de Kerkeraad besloten had voortaan de vragen van de Kerkvisitatie niet meer in te vullen, „omdat er tusschen den Kerkeraad en de tegenwoordige waardigheidsbekleeders der Synode geen gemeenschap des geloofs en der belijdenis bestond". De plaatselijke Kerk werd autonoom verklaard, bezat het wezen der Kerk en „stond alleen maar door een vrijwillig aangegaan accoord met andere kerken in federatief verband. Zij kon dus ten allen tijde dit accoord opzeggen en het verband verbreken" ! Dr. Hoedemaker was het daarmee absoluut niet eens. Hij zag op het geheel der Kerk als het lichaam van Christus; er is geen „vrijwillig aangegaan accoord", maar we zijn „leden van het zelfde lichaam". Dan staan de Kerken niet in een confederatief, maar in een organisch en onoplosbaar verband" en de organisatie van 1816 moest, ziende op onze zonden en Gods voorzienig bestel („en wil zyn straffen gadeslaan") gehoorzaamd worden ; om uit de Kerk zelve, met medewerking van de Synode, te komen tot reorganisatie en daardoor tot reformatie. Maar dr. Kuyper zei: „Binnen den lering der Synodale inrichting moet een nieuwe organisatie worden voorbereid, die ter bestemder tijd de bestaande kan vervangen". Maar dr. Hoedemaker zag, dat dit zou uitloopen op „breken" en niet op „bouwen", op „revolutie" en niet op „reformatie", waarbij de geschiedenis hem in 't gelijk gesteld heeft. Dr. Kuyper stuurde welbewust sinds 1867 aan op een breuk. „Pel de belijdende pit uit den bast der bestaande Kerken en gij verkrijgt een vrije Kerk naar mijn hart", zei hij. Dr. Hoedemaker wilde de éénheid bewaren „op het fundament van Apostelen en Profeten" en op reorganisatie aansturen. „De ontbinding in deelen is lulde geëischt", zei dr. Kuyper. „Elke geestesrichting moet een Kerk hebben naar de behoefte van het hart", schreef hij : het splitsingsproces naar dé leer van de pluriformiteit der Kerk. Zoo leeraarde Kuyper reeds in 1873 in zijn brochure „Confidentie", waarin hij als ideaal „de vrije Kerk" beschreef.
Er was tweeërlei beweging en er kwamen „onrustige vrijscharen" (Kuyper c.s.) en „ordelijke hervormers" (de Confessioneelen). De laatsten wilden „de gedoopte schare, waarop altijd nog Gods belofte rustte", zóó maar niet loslaten ; maar zij wezen op „de roeping die ten opzichte van deze gedoopte schare niet verwaarloosd mocht worden".
10 Aug. 1870 deed dr. Kus^per zijn intree te Amsterdam. Het Kiescollege had het Gereformeerd element versterkt en er was, vóór de komst van Kuyper, reeds een sterk verzet tegen de prediking van de Modernen (1869). Bij zijn intree schetste dr. Kuyper zijn program : „Wij moeten verbouwen of verhuizen. De valsche band van het ongereformeerde Kerkbestuur zal eindelijk springen, zoo wij de leus maar moedig opnemen, die in de autonomie, d.w.z. het zelfbeheer der gemeente ligt". De moderne ds. Hugenholtz Jr. loochende openlijk in een Paaschpreek de opstanding van Christus ; wat een protest uitlokte bij de Besturen, die toch „geest en hoofdzaak der leer, welke in de aangenomen Formulieren van Eenigheid der Ned. Hervormde Kerk begrepen is" (zooals toen de formuleering luidde) moesten handhaven. Het Classicaal Bestuur maakte zich er af, door te schrijven, dat een procedure „tot een jammerlijke scheuring in onze Kerk zou leiden" ! Alsof de scheuring nu niet nog veel méér dreigen ging! Maar men koos liever voor de modernen, dan voor de orthodoxen.
Zeventien ouderlingen gingen nu „godsdienstige verrichtingen" bij de moderne predikanten weigeren. Dit was een „vergrijp" van degenen, die onder de Synodale Organisatie in het ambt Waren gesteld en er in bleven. Men begon dat ambt eigenmachtig gedeeltelijk te verwerpen. En men moet of geheel bedanken of geheel z'n plicht doen ; maar niet eigenmachtig censuur gaan oefenen over anderen. Bij de „aanneming" van nieuwe lidmaten bleven ze niet weg. Men meende zoo de aanneming te kunnen Verhinderen, gebruik makend van de onduidelijke woorden (toen) in art. 38 Regl. Godsdienstonderwijs en art. 21 Regl. Kerkeraden. In art. 38 stond „bijgestaan door één of meer ouderlingen", en in art. 21 stond „in tegenwoordigheid van één of meer ouderlingen". Als art. 21 gold, konden zij er niets aan doen, als art. 38 gold, konden zij hun bijstand en medewerking weigeren. (Tegenwoordig staat in art. 38 Regl. Godsdienstonderwijs, dat de Kerkeraad afvaardigt en dat de predikant aanneemt namens den Kerkeraad; en in art. 21 „in tegenwoordigheid van een of meer ouderlingen". Welke wijziging in 1879 is aangebracht. Ouderlingen kunnen dus nu om oorzake van de belijdenis niet weigeren, enz.).
Omdat in deze kwestie toen (1871) geen beslissing kon vallen, nam de Kerkeraad van Amsterdam een besluit „om de moderne lidmaten niet in de lidmatenregisters in te schrijven". Hiermee scheidde de Kerkeraad zich dus feitelijk af van het Synodaal verband. Maar tot een conflict kwam het nog niet.
Toen in 1879 een wijziging van art. 38 werd voorgesteld (zie boven), „dat bezwaren tegen de geloofsovertuiging der leerlingen geen reden tot afwijzing mocht opleveren", ontstond een groote beroering. De Confessioneele Vereeniging stuurde een adres aan de Synode, waarin de wijziging van art. 38 scherp werd becritiseerd en afgewezen. De Kerkeraden van Amsterdam, Utrecht, Den Haag, Leiden, zonden óók protesten.
Een „Geref. Commissie" werd gevormd, adviseerde in geen geval aan art. 38 (gewijzigd) te gehoorzamen ; en er werd een „Kerkeradenverbond tot handhaving der belijdenis" gevormd, met afspraak niet te zullen gehoorzamen. Die „Kerkeraden-bond" gaf zich alzoo uit voor „de ware Kerk in de Kerk". Veler oogen gingen toen open voor de eigenlijke bedoeling en het gevaar van separatisme werd duidelijker.
In Dordrecht hebben we toen het voorspel der Doleantie gekregen. Daar waren drie moderne .predikanten. Drie ouderlingen weigerden tegenwoordig te zijn bij de aanneming hunner leerlingen. En toen alle ouderlingen, veertien in getal, zich solidair verklaarden, werden ze allen ten slotte geschorst. Volgens het „Gereformeerd advies" bleven ze zich beschouwen als wettige ambtsdragers ; maar ze werden niet tot de Kerkeraadsvergadering toegelaten. Toen de „afgewezen lidmaten door het Prov. Kerkbestuur waren aangenomen", werden ze door Prseses en Scriba van den Kerkeraad van Dordt (ds. Eigeman en ds. Van Hoogehuyze) niet ingeschreven. Beide predikanten werden door de Synode geschorst, de een voor een jaar, de ander voor vier weken. Daar was dus het conflict gekomen! Van Dordt begon de victorie ! Maar door verandering van stemverhouding in het Prov. Kerkbestuur van Z.-Holland werd de schorsing opgeheven. De predikanten konden weer gewoon hun werk doen. En het conflict kwam niet. Wat dr. Kuyper weinig naar den zin was. En hij werkte door !
De nieuwe Onderwijswet stelt palstaanders voor de Openbare School teleur.
Eenigen tijd geleden is door „Volksonderwijs" (niet te verwarren met „Christelijk Volksonderwijs") een „Bevredigingscommissie benoemd, ingesteld tot onderzoek naar de gevolgen der pacificatie en tot overweging, of haar houding ten opzichte hiervan, gewijzigd dient te worden.
In haar Rapport kwam deze Commissie o. a. tot de volgende conclusie: „de voorwaarden, waaronder de stichting van bijzondere scholen mogelijk is, moeten verzwaard worden".
Om een voorbeeld te noemen :
„In de grootste gemeenten mag geëischt worden, dat alleen dan een bijzondere school gesticht wordt. Indien er voldoende leerlingen zijn voor tenminste zes leerkrachten. Voor de kleinste gemeenten zou volstaan kunnen worden met drie leerkrachten". (Rapport blz. 55).
En daarna is door de Vergadering van „Volksonderwijs" nog uitgesproken : De voorwaarden, waaronder de stichting en instandhouding van bijzondere scholen mogelijk is, moeten verzwaard worden".
Gelukkig heeft de nieuwe Onderwijswet — door de Tweede Kamer reeds aangenomen —, een geheel andere inhoud dan „Volksonderwijs" wenschte en eischte !
Er komt meer gelijkstelling, en gelukkig geen knechten van het bijzonder onderwijs, zooals ook het N. O. G. (Ned. Onderwijzers Genootschap) gevraagd had.
Domineeszoon op vaders spreekuur.
Uit een artikeltje in het „Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur" :
„Een paar dagen geleden ontmoette ik voor 't eerst weer sinds jaren een bevriend predikant uit één onzer groote steden. Toen hij nog in mijn geboortedorp stond, was hij een opgewekt man, naar wien men uren uit den omtrek luisteren kwam. Stampvolle kerken heeft hij nóg. Maar nu is hij wijkpredikant in een stadswijk met duizenden en duizenden menschen : hij zag er vermoeid en bleek uit en leed aan slapeloosheid. Zijn vrouw zegt: 's Avonds ligt hij er over te tobben, dat hij vandaag weer niet aan die zieke en aan dat bezoek is toegekomen ; hij heeft het gevoel van nooit klaar te zijn. Het komt maar zelden voor, dat hij eens een avond thuis is. Onze oudste jongen, die hem wat vragen wilde, ging maar naar zijn spreekuur !"
Wij zouden willen vragen : waarom moet men een ernstige zaak door een zot verhaaltje van dien „domineeszoon op vaders spreekuur" nu weer gaan bederven ? Alle overdrijving schaadt. En onzin op te disschen, is nooit verstandig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's