KERKELIJKE RONDSCHOUW
ONZE KOMENDE JAARVERGADERING
D.v. hopen we Donderdag 15 April a.s. als naar gewoonte in Jaarvergadering bijeen te komen, weer te Utrecht, en weer in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen. Zooals men wel gemerkt heeft, is ditmaal aangekondigd, dat zoowel de morgen-als de middagvergadering uitsluitend voor leden van den Gereformeerden Bond is. De morgenvergadering is dus niet voor degenen, die niet bij onzen Bond behooren, toegankelijk. In het onderwerp, dat door ds. Timmer zal worden behandeld, vindt men de verklaring daarvoor. Al lang bestond het voornemen bij 't Hoofdbestuur eens met elkaar te praten over de dingen die vooral den laatsten tijd in onzen Bond zich voordoen en de secretaris heeft zich bereid verklaard de bespreking in te leiden. Wij hopen zeer, dat alles mag medewerken, dat onze Bond daarvan zegen mag ontvangen. Dan zal ieder, die het wèl meent met onzen Bond en met onze Hervormde Kerk, zich daarover verblijden. Ga er gebed op voor deze zaak en zij de Heere ons in alles goed en nabij, tot zegening en blijdschap !
Voorstellen ter behandeling.
Van de Afdeelingen Schoonhoven, Harderwijk en Bodegraven is bericht ingekomen, dat zij met de voorstellen van Den Haag instemmen ; Schoonhoven en Bodegraven met uitzondering van Voorstel 2.
Verder dient de Afdeeling Zeist een voorstel in : dat de Jaarverslagen niet meer op den Bondsdag worden voorgelezen, doch een week te voren in De Waarheidsvriend verschijnen, ten einde daardoor de bespreking met meer kennis van zaken en vlugger te doen geschieden.
En dan een 2de Voorstel: a. dat het Hoofdbestuur een Commissie benoeme, die in studie neme de leidende beginselen van het reorganisatievoorstel, waarover „Kerkherstel" en „Kerkopbouw" het eens zijn geworden en waarmede de door de Synode van 1936 ingestelde Commissie ernstig rekening zal hebben te houden ; b. het reorganisatie-voorstel van de door de Synode van 1936 benoemde Commissie. 2e. Deze Commissie rapporteere de resultaten van haar studie, zoo spoedig mogelijk aan het Hoofdbestuur en het worde gepubliceerd in De Waarheidsvriend; 3e. Dit Rapport en zijn conclusies worde, zoo mogelijk dit jaar of begin 1938 behandeld op een buitengewone ledenvergadering, en die vergadering beslisse over de houding, die de Gereformeerde Bond inzake deze reorganisatie-voorstellen zal aannemen.
Harderwijk dient een Voorstel in, dat zakelijk overeenstemt met bovengenoemd Voorstel van Zeist, n.l. een principieele, critische en voorlichtende bespreking worde gegeven in De Waarheidsvriend van actueele onderwerpen betreffende het kerkelijk leven in 't algemeen en aan het accoord ontworpen door „Kerkherstel" en „Kerkopbouw" in het bijzonder.
PREDIKANTEN-CONFERENTIE
Maanden geleden is door het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond besproken en besloten, dat een Conferentie van predikanten van onzen Gereformeerden Bond dient georganiseerd te worden ter bespreking van het kerkelijk vraagstuk, om zoo mogelijk na breede, broederlijke samenspreking tot een gemeenschappelijk oordeel te kunnen komen. Reeds was, geruimen tijd geleden, de regeling van een 2-daagsche samenkomst op Woudschoten bijna voor elkaar, toen er tenslotte weer zooveel moeilijkheden zich voordeden, dat de Conferentie niet is doorgegaan.
Nu is echter vastgesteld, dat we D.v. Vrijdag 7 Mei te Utrecht bijeenkomen in Hotel Pays-Bas, waartoe de uitnoodiging gereed ligt en spoedig door den secretaris van onzen Bond aan de predikant-leden van den Gereformeerden Bond zal worden verzonden.
Het is dus Vrijdag na Hemelvaartsdag.
Om misverstand te voorkomen wijzen we er even op, dat, zooals sommigen reeds weten, eerst besloten was Vrijdag 30 April te Utrecht te komen. Maar ds. Timmer is door vergadering van het Provinciaal Kerkbestuur, waar belangrijke werkzaamheden zijn, op dien datum verhinderd, waarom dus nu niet Vrijdag 30 April, maar Vrijdag 7 Mei wordt vergaderd.
Men noteere dus nu reeds dezen datum, om dien dag voor Utrecht vrij te houden !
MILITAIREN TE MIDDELBURG
De secretaris van de Afdeeling te Middelburg verzoekt ons de recruten, die pas daar gekomen zijn (school voor opleiding onderofficieren (administratie), er op attent te maken, dat men bij de Evangelisatie-kring aldaar een vriendelijke ontvangst zal hebben, wanneer men zich tot dien kring voelt aangetrokken. En omdat we weten, dat de ouders vooral in deze grooten invloed kunnen hebben op hun kinderen, willen we hun in de eerste plaats dit bericht doorgeven.
Men informeere maar even bij den secretaris der Afdeeling, den heer B. de Nooyer, Jasmijnstraat 62, Middelburg.
DE BETEEKENIS VAN HET AVONDMAAI..
Bij het Heilig Avondmaal des Heeren zijn de teekenen brood en wijn, spijs en drank. Nooit anders dan brood en wijn is in het midden van Christus' Kerk gebruikt. Geen vleesch, geen visch, geen melk of wat ook, gelijk dat bij de heidensche godsdiensten wel aangetroffen wordt, altijd brood en wijn. De Kerk van Christus kent die teekenen alleen ; en dan moeten beide teekenen gemeenschappelijk aan één tafel door allen gegeten en door allen gedronken worden. Het voorbeeld van Rome's Kerk om het brood te vervangen door iets anders en de wijn aan „de leeken" te onthouden, volgt het Protestantisme niet, als zijnde in strijd met de Heilige Schrift en den eisch van het geloofsleven en van het kerkelijk leven. Het afzonderlijk eten of afzonderlijk drinken is naar Paulus' leer niet denkbaar. Lees 1 Cor. 11 maar !
Dan is het Avondmaal in de eerste plaats een gedachtenismaal, om den dood van den Heiland, den Zaligmaker en Borg te gedenken. Lees ons mooie Avondmaalsformulier maar.
Doch het is volstrekt niet alléén maar een gedachtenismaal. Het is véél meer dan dat. Het is ook een oefening van gemeenschap met den verhoogden Heiland, Die in den hemel is, terwijl Zijn leden, Zijn geloovigen. Zijn „broeders" (Matth. 28 : 11) op aarde zijn. Hij daalt niet in Zijn lichamelijke tegenwoordigheid af van den hemel naar deze aarde, maar wij moeten opgetrokken worden met onze harten naar den hemel. En die alzoo geloovig eten en drinken hebben deel aan Zijn gebroken lichaam en vergoten bloed. Daardoor genieten zij tot geloofsversterking en tot betrachting van geloofsleven, de heilzame vruchten van Christus' verzoenend sterven.
We worden dan gewezen op en gebracht bij het offer van Christus, dat in het verleden ligt ; dat achter ons ligt ; dat éénmaal volmaakt geschied is op Golgotha, bezegeld in de opstanding, met de blijde tijding, dat alles, alles wat noodig was tot onze zaligheid, volbracht is. De Avondmaalsviering mag nooit den schijn verkrijgen van een herhaling of aanvulling van die offerand. Zij moet dienen tot herinnering aan dat volbrachte en volmaakte offerand, om ons te bevestigen in het geloof, dat het ook voor ons geschied is. De aanzittenden moeten de verzekering ontvangen van hun deelgenootschap aan de zegeningen van de nieuwe bedeeling van Gods genadeverbond. En dit nieuwe testament is gegrond in het bloed van Christus, dat Hij voor de Zijnen gestort heeft.
Ten slotte zit er een eschatologisch element in de Avondmaalsviering, ziende op de toekomst des Heeren, om ons harte te vervullen met een uitzicht en een begeerte naar Zijn wederkomst.
De Gemeente heeft het te doen „totdat Hij wederkomt".
Dat eschatologisch element ontbreekt maar al te vaak in onze beschouwing. En dan missen we de opleving, de versterking van ons verlangen naar de groote toekomst, naar de wederkomst des Heeren, naar Zijn verschijning op de wolken, om heel Zijn Gemeente binnen te halen in Zijn heerlijkheid en te vernieuwen den hemel en de aarde.
Neen, men mag dat eschatologisch element niet overdrijven — zooals men soms in enkele kringen wel wil doen. Niet alles gaat van de toekomst. Het gaat zeer zeker in sterke mate ook om het heden, om dit leven, dat wij op aarde als Gemeente van Christus, als geloovige kinderen Gods, moeten doormaken, zoolang het God belieft. Het heden mag niet wegzinken voor ons, alsof het geen beteekenis heeft voor de geloovigen. Het heden mag niet verwaarloosd worden, alsof het er niet bijhoort en waardeloos zou zijn. Want het heeft naar Gods raad en welbehagen wel degelijk waarde en beteekenis ; en is zelfs van groote beteekenis voor ons zelf en voor anderen — waarin God Zijn eer zoekt.
Maar aan den anderen kant mag ons leven niet enkel aan deze zijde van het graf gezocht worden. We mogen niet vergeten, dat we als geloovigen hebben uit te zien naar de toekomst, hebben te bidden om en te verlangen naar de toekomst, de groote en heerlijke en volmaakte toekomst des Heeren !
De Apostel Paulus veroordeelt het sterk wanneer men in de gemeente het heden verwaarloosde en het tegenwoordig leven minachtte. Wat had men zijn opwekking om de toekomst des Heeren te verwachten toch verkeerd begrepen !
Maar — en laten we dat niet vergeten — de wederkomst des Heeren lag allerminst aan den buitensten omtrek van des Apostels gedachtenwereld en van zijn geloofsleven. Integendeel. De wederkomst des Heeren stond bij hem in het centrum en vormde het eindpunt, maar ook het hoogtepunt van zijn geloofsleven.
En daarom wordt aan de viering van het Avondmaal te kort gedaan, wanneer daarin aan de toekomst-gedachte, aan de gedachte aan 's Heeren wederkomst, geen belangrijke plaats wordt toegekend. De Apostel kan zich geen ware Avondmaalsviering voorstellen, waarbij het hart zich niet met liefdevol verlangen richt op den komenden Heiland en Zaligmaker, Die de toekomst en de heerlijkheid van Gods Koninkrijk draagt en tot openbaring brengen zal.
En dan is de Avondmaalsviering niet alleen een gemeenschapsoefening met Christus, maar ook tusschen de geloovigen onderling, wat maar niet alleen in woorden beleden mag worden, maar in daden, in waarheid en werkelijkheid moet worden beoefend. 1 Cor. 10 vers 17.
Ook hier waarschuwt en bestraft Paulus de Gemeente, want hij constateert met groote droefheid, dat aan de beoefening van de gemeenschap der heiligen, als leden van één en hetzelfde lichaam, onder één Hoofd, in de practijk zoo weinig terecht komt. Er wordt tegen de gemeenschap, de saamhoorigheid en samenbinding der geloovigen, zoo zwaar gezondigd ! 1 Cor. 11 : 18 enz.
De hoogte, de diepte, de breedte en de lengte van des Heeren Heilig Avondmaal is zéér groot en is zéér te prijzen ; en moet in geloof en liefde worden betracht door allen, die den Heere vreezen en de verschijning des Heeren lief hebben.
Anders — zoo zegt de Apostel — komt de toorn Gods over de gansche Gemeente en zullen er velen zijn, die geestelijk krank zijn, die geestelijk slapen, die — als God het niet genadiglijk verhoedt — geestelijk verdorren en verkommeren — die zullen versterven !
ZEG HET MAAR EERST!
Ons groote bezwaar tegen vele Vrijzinnig-Hervormden — die bovendien in een fel antiorthodoxe Vereeniging van Vrijzinnigen meewerken om de belijdenis van onze Hervormde Kerk krachteloos te maken — is telkens, dat zij wel den schijn aannemen van in te stemmen met den geest en de hoofdzaak van onze belijdenisschriften en onze formulieren voor Doop en Avondmaal ! maar in werkelijkheid juist de hoofdzaak n.l. het verzoenend lijden en sterven van den Heiland en Zijn werkelijke opstanding uit het graf, verwerpen. Dat zij in werkelijkheid geheel niet naar den aard en het wezen, naar den geest en de hoofdzaak van de kerkelijke belijdenis denken, spreken en handelen. Hun geloof én hun belijden èn hun kerkelijk leven is er principieel mee in strijd. Dat is hun onwaarachtig geschipper !
We lazen zoo juist een „Paasch-overdenking" van ds. A. Trouw, de Voorganger van de Haagsche Vereeniging van Vrijzinnige-Hervormden, vroeger in Haarlem werkzaam. Waarlijk niet zoo maar „de eerste de beste". Werkelijk een man van groote werkkracht en van groote beteekenis. Als hij in een polemiek met dr. H. Schokking van den Haag gewikkeld, over de kerkelijke kwestie schrijft, eischt hij, dat de orthodoxe Kerkeraad de Vrijzinnigen als volwaardigen zullen behandelen, die in alles met de Reglementen van de Hervormde Kerk overeenstemmen en volle rechten in de Hervormde Kerk hebben. En dat, in de Hervormde Kerk, die in al haar Reglementen, die in haar belijdenisschriften, die in haar formulieren voor de Sacramenten, die in alles vraagt : „instemming met de geest en de hoofdzaak der belijdenis, naar den aard en het wezen van de belijdenisschriften zelve gerekend". Waaronder zeer zeker, naar aller gevoelen behoort : het geloof en de belijdenis van den opgestanen Heiland.
En nu schrijft ds. A. Trouw, Voorganger van de Vrijz. Hervormden in den Haag (Beeklaan, hoek Houtrustweg staat het eigen kerkgebouw) in een Paasch-Overdenking, nu héél de Kerk van Noord tot Zuid, van Oost tot West, gedachtenis viert, dat Jezus Christus, Die dood geweest is, waarlijk uit het graf is opgestaan en nu zit aan de rechterhand des Vaders — nu schrijft ds. Trouw : dat bouwen op het Evangelie-verhaal, letterlijk genomen, bouwen is op een zandgrond !
Het Evangelie-verhaal zegt het ons wel, de Engelen verzekeren het wel aan den morgen van den derden dag, dat Jezus niet meer in het graf was en dat Hij waarlijk is opgestaan en dat Hij Zijn discipelen voorging naar Galilea — maar, dat is maar „bij wijze van spreken".
Dat verhaal van de Emmaüsgangers is niet werkelijkheid en waarheid, want „het is maar aan één evangelist bekend". En dus gefantaseerd.
„Paulus vertelt de dingen weer heel anders dan de Evangelisten — en het oudste handschrift van het oudste Evangelie (Marcus) bevat van deze verhalen (n.l. van de opstanding, van de Engelen, van de vrouwen enz. enz.) eigenlijk niets". Dus — verbeelding, inkleeding, meer niet.
„Het is hierom, dat bouwen op de letter voor ons is bouwen op zandgrond".
Ja — zeg het maar gerust, ds. Trouw, op Paaschmorgen : de Heiland is niet waarlijk opgestaan !
Zeg het maar duidelijk en onomwonden, zóó dat ieder het hoort en weet. Wind er maar geen doekjes om. Loochen de opstanding uit het graf maar. Zeg het maar gerust, dat er van al deze Evangelieverhalen, van die verschijningen van den opgestanen Heiland, die de Gemeente van Christus „vele gewisse kenteekenen" noemt, geen woord waar is. Dat het alles inkleeding is. Dat het, wat de feiten betreft, in alles gefantaseerd, gelogen is. Fantasten waren die vrouwen, die discipelen, die Evangelisten. Fantasie is het, wat de Kerk van Christus van den beginne afaan geloofd en beleden heeft; waarom de strijd met de wereld, met Jood en heiden, met wetenschap en cultuur, gevoerd is ; de strijd
tegen „de dwaasheid en „de ergernis" van Jood en heiden. Alles „fantasie", „vrome inkleeding"; „symbolische voorstelling". Want feit, gebeurtenis, is het niet ! Het lichaam was in het graf en bleef in het graf. Dood is dood.
Zooals we, staande in Delft bij de graftombe van den Vader des Vaderlands, zeggen : „Prins Willem leeft nog onder ons volk", zoo moeten we, volgens de modernen in onze Hervormde Kerk, zeggen: „Jezus leeft nog onder ons". Zijn gedachtenis blijft onder ons bewaard. Zijn geest leeft nog onder ons en werkt nog onder ons. Maar Jezus is nooit uit het graf, uit den dood opgestaan, net zoo min als Prins Willem ooit uit het graf in opstanding des vleesches is te voorschijn gekomen.
Dood was de Vader des Vaderlands, en dood is hij gebleven in het graf. Zóó ook in feite met Jezus!
„Waar het voor ons om gaat is, dat Christus is opgestaan in de harten van de discipelen". En zoo moeten we „Zijn lichaam en bloed, d.w.z. Zijn leven, in ons opnemen!
„De gekruisigde werkt voort in de wereld. Zijn geest en zijn kracht werken door en zijn onoverwinbaar. Zij willen ook opstaan in onze harten, zooals ze eens opstonden in het hart van die eerste volgelingen". (Contact : Orgaan van de Vereen, van Vrijz. Hervormden. Twee-wekelijksch Gemeenteblad voor Z.Holland).
Zóó loochenen in den jare 1937 de Vrijzinnige Hervormden uit den kring van ds. A. Trouw dus de lichamelijke opstanding van Christus, het feit van Paschen, dat de Gemeente van Christus geloovig mag aannemen, blij-geloovig zeggend : de Heere is waarlijk opgestaan en is van Maria Magdalena, is van Petrus, is van de Emmaüsgangers, is van de discipelen zonder Thomas, is van de discipelen mèt Thomas, is van vijfhonderd tegelijk, is ook van Paulus, als van een ontijdig geborene, gezien. Welke groote heidenapostel geloovig belijdt : „indien Christus niet is opgestaan uit het graf, waarin Hij juist krachtiglijk bewezen is te zijn Gods Zoon, zoo zijt gij nog in uwe zonden, zoo is onze prediking ijdel".
Opgestaan, waarlijk opgestaan.
Maar de Vrijzinnigen loochenen dat. Niet alleen ds. Trouw, maar, naar we vertrouwen, ook die mannen en die vrouwen, wier namen aan het hoofd van dit Orgaan der Vrijz. Hervormden staan, als b.v. ds. D. Bakker te Drachten, ds. F. W. J. van der Poel te Den Helder, dr. K. H. Boersema te Leiden, ds. H. G. Brink te Nieuwveen, ds. Y. van Dijk te Lekkerkerk, ds. J. B. Th. Hugenholtz te Ammerstol, ds. C. de Jongh te Gorinchem, ds. W. de Voogd van der Straten te Haastrecht, ds. P. A. H. de Boer te Berkenwoude, ds. mej. C. P. Thomsen te Gouda-Boskoop, ds. A. van Wijk te 's-Gravenzande, enz. enz.
Och, dat men eens eerlijk, onomwonden, openlijk, rond, duidelijk wilde zeggen wat men gelooft en belijdt in deze hoofdzaken van ons allerheiligst christelijk geloof. Wat kon de lucht opklaren. En wat kon ons kerkelijk leven in waarheid en oprechtheid toenemen.
OOK EEN VROUWELIJK GETUIGENIS.
Op Paschen denken we óok zoo graag aan de vrouwen bij het graf, de vrouwen, die Jezus zoo lief hadden. Zij mogen de eerste boodschapsters zijn van de opstanding van den Heiland. Het graf is ledig en de Engelen verkondigen het tot groote blijdschap voor het verschrikte hart: Wat zoekt gij den Levende bij de dooden ? Hij is hier niet. Hij is opgestaan. Boodschapt het den discipelen !
In Contact, het Orgaan van de Vereen, van Vrijzinnige Hervormden (26 Maart '37) komt een vrouwelijke dominee, ds. Nanne Zwiep, van Enschedé, ook vertellen van het Paaschfeest en van de opstanding van den Heere Jezus. Maar hoe ?
Zij is zoo vriendelijk (en we waardeeren het) om eerst dat ouderwetsche moderne gewauwel onderhanden te nemen, dat altijd vroeger zei, dat Paschen was „gevoelig spreken over de, uit den winterslaap herleefde, natuur ; over de ontbottende knoppen, over het jonge groen, dat straks weer als een fijne sluier zich spreiden zal over de nu nog dorre takken ; over de vogels, die terugkeeren en wier lied zoo schoon klinkt in den morgen of avondstond, enz. enz." „Dat kan heel mooi wezen en heel liefelijk en dierbaar kan zulk een toespraak den hoorders aandoen. Maar dat alles is volkomen heidensch, Ostaravereering. Aan het Christendom komen dergelijke woorden en omschrijvingen niet toe".
Goed gezegd ! Maar die heidensche koopwaar heeft het Modernisme dan toch maar jaar in, jaar uit verkocht, ook op de kansels onzer Hervormde Kerk !! Is het te verwonderen, is het te misprijzen, dat er in de Hervormde Kerk altijd tegen dat „heidensche" in de Kerk van Christus is geprotesteerd, geageerd,
geëvangeliseerd ? 't Was — en het is — „volkomen heidensch". En tal van gemeenten, groote streken van ons Vaderland in meer dan één provincie zijn er totaal door verwoest !
Maar dan gaat de vrouwelijke dominee verder en gaat zelve over het Paaschfeest, het echte Paaschfeest spreken.
„Hoewel de berichten in de Evangeliën onderling verschillen komt de vraag op, of dit verhaal beteekenis voor ons heeft ook al kunnen wij niet aannemen, dat het doode lichaam van Jezus weer levend is geworden " (Cursiveering is van ons en niet van de schrijfster)
Daar hebben we het dus weer : Christus is niet uit den dood, niet uit het graf opgestaan ! Het doode lichaam van den Heiland is niet weer levend geworden.
„God heeft ons een venster opengedaan, zoodat wij Hem kunnen zien", zegt de vrouwelijke predikante, die te Enschedé werkt. „Dat is Paschen".
Dat venster is blijkbaar dan geopend met een dooden Christus in het graf !!
Maar — dan is Paschen wèg. Althans het Paaschfeest van de Kerk, van de Ned. Hervormde Kerk, die in haar belijdenis, in haar Catechisimus, in haar prediking, in haar gebed, in haar lied, in haar Sacramenten héél iets anders belijdt dan : „wij kunnen niet aannemen, dat het doode lichaam van Jezus weer levend is geworden".
Wèg is het Paaschfeest !
Ze hebben den Christus Gods ons dan geroofd.
IJdel is dan het geloof, ijdel de prediking.
Wat de Ned. Hervormde Kerk niet kan en niet mag en niet wil onweersproken laten. Wat zij niet mag en niet zal dulden als Kerk van Christus, Die vraagt : „En gij, wie zegt gij dat Ik ben ? "
Dat dan de Kerk, onze Hervormde Kerk, spreke en getuige naar het Woord, gevende geloofsgetuigenis van Jezus Christus, onzen Heere, Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria, geleden onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle, wederom opgestaan uit de dooden, opgevaren ten hemel, vanwaar Hij komen zal, om te oordeelen de levenden en de dooden.
Wie kan zich de Kerk van Christus denken onverschillig voor het feit van de opstanding van den Heiland? De Kerk in de eerste eeuwen leefde er bij en leefde er uit. Het is de Reformatie, die zonder het geloofsgetuigenis van de opstanding van Christus niet te denken is. Het is het Reveil, dat roemde in de opstanding van den Heiland uit de dooden. Het is de christen van vandaag, die de Kerk lief heeft, die niet zwijgen zal, maar mee zal zingen : „De Heere is waarlijk opgestaan".
Om ook mee te getuigen : „indien Christus niet opgewekt is, zoo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof".
Hierin te zwijgen, is zonde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's