HET DOOPSFORMULIER
HOOFDSTUK III.
De Sacramenten. (Vervolg).
In de afwijzing van de Roomsche sacramentsleer zijn alle hervormers één geweest ; het schriftuurlijk genadebegrip, waartoe zij allen teruggekeerd waren, drong hen tot het trekken van één lijn in deze dingen.
Eerst als men genoodzaakt wordt de protestantsche opvatting der sacramenten nader te ontwikkelen, gaan het Luthersche en Gereformeerde Protestantisme uiteen.
In die nadere ontwikkeling ging het in hoofdzaak om de verhouding tusschen het teeken en de beteekende zaak. De vraag werd gedaan, hoe teeken en beteekende zaak imet elkander verbonden zijn. De verbinding, die Rome leerde, dat de beteekende zaak in het teeken besloten is, met het teeken ontvangen wordt als een in de ziel ingestorte genade, wanneer men ten minste door een doodzonde geen obex in den weg heeft geplaatst, had men verworpen. Maar thans moest geleerd, op welke wijze men zich die verbinding dan wel dacht.
In den doop is de onderdompeling in het Water of de begieting of besprenging met het water het teeken ; de beteekende zaak is de besprenging der ziel met het bloed van Christus, de reiniging van zonden in dit bloed, de wedergeboorte tot een nieuw leven. Van een vereenzelviging van teeken en beteekende zaak wil men niet weten. Men denke maar aan de vraag uit den Heid. Catech. : Is dan het uiterlijk waterhad de afwassching der zonden zelf? Het antwoord ontkent dit ten stelligste ; alleen het bloed en de Geest van Jezus Christus reinigen van alle zonden. Maar hoe denkt men zich de verbinding dan?
Het Luthersche Protestantisme heeft een antwoord op deze vraag gegeven, dat zeer dicht tot de Roomsche opvatting nadert en door het Gereformeerd Protestantisme eenparig verworpen is. Wij zullen de uiteenzetting daarvan thans laten rusten ; het is ons nu hoofdzakelijk in verband met de verklaring van ons doopsformulier te doen om de leer van onze belijdenisgeschriften, de leer van het Gereformeerd Protestantisme. Alleen willen wij hier even herinneren aan de Luthersche Avondmaalsleer, volgens welke gelijktijdig met het teeken de beteekende zaak, het lichaam en bloed van Christus, ontvangen wordt, wijl deze zaak in, met en onder het teeken begrepen is. Ten opzichte van den doop wil dit zeggen — en men bedenke daarbij, dat op grond van de onderdompeling de doop hoofdzakelijk werd gezien als een teeken van de afsterving van den ouden mensch en de wederopstanding van den nieuwen mensch — dat gelijktijdig met het teeken de beteekende zaak wordt ontvangen, zoodat de Luthersche godgeleerden tot de stelling kwamen, dat de kinderen in en door den doop worden wedergeboren.
Zoowel over de Avondmaalsleer als over de leer van den doop is tusschen de beide richtingen van het Protestantisme een harde en bittere strijd gestreden, die ten gevolge heeft gehad, dat men helaas geheel van elkander vervreemd is. Voortaan zou men elkander alleen bestrijden. Zelfs het. besef, dat men tegenover Rome één front behoorde te vormen, viel weg. In de oogen van tal van Lutherschen was crypto-roomsch niet zoo erg als crypto-calvinist. De zaak van de hervorming, evenzeer als van de theologie, heeft door deze scheiding groote schade geleden.
Ook onder het Gereformeerd Protestantisme was aanvankelijk gebrek aan eenheid te constateeren. Bullinger, de opvolger van Zwingli, stemde niet in alles met Calvijn overeen. Beide hebben echter begrepen van hoe groote beteekenis het voor de zaak van de hervorming was om tot overeenstemming te komen. Na een vrijmoedige beoordeeling van elkanders geschriften is gebleken, dat zulk een overeenstemming toch niet tot de onmogelijkheden behoorde. Zij kwam in 1549 tot stand en werd neergelegd in de bekende Consensus Tigurinus. De volledige titel luidt: Wederkeerige overeenstemming in de zaak der sacramenten tusschen de dienaren van de kerk te Zurich en Johannes Calvijn, dienaar van de kerk te Geneve. Mede hierdoor is het in de Gereformeerde Kerken tot een eenstemmig belijden inzake de sacramenten gekomen.
Het eigenaardige nu van de Gereformeerde sacramentsbeschouwing is, dat de sacramenten gezegd worden niet alleen de genade af te beelden, maar deze tevens te verzegelen. De zaak van de verbinding tusschen het teeken en de beteekende zaak is hiermede nader beantwoord. Door het teeken ons te geven, wordt ons van Godswege de gave der beteekende zaak verzegeld. Het teeken is een onderpand — men zal zich deze uitdrukking uit den Heidelb. Catech. herinneren — van de beteekende zaak.
In de Consensus Tigurinus wordt eerst gesproken van de geestelijke gemeenschap met Christus, waarin alleen onze behoudenis ligt. Deze bestaat daarin, dat Christus door Zijn Geest in ons woont en zoo alle geloovigen deelgenoot maakt aan al Zijn goederen. Om ons dit te betuigen, zoo wordt daarna gezegd, is zoowel de prediking van het evangelie ingezet als het gebruik van de sacramenten bevolen. En als een van de voornaamste doeleinden van het sacrament wordt dan genoemd, „dat God door de sacramenten ons Zijn genade zou betuigen, voorstellen en verzegelen”.
Dit gebruik van het woord verzegelen is sindsdien algemeen geworden. Niet, alsof het toen voor het eerst gebruikt is geworden, maar door deze overeenstemming heeft het een officieel cachet gekregen, zoodat deze uitdrukking later in alle Gereformeerde belijdenisgeschriften en catechismi gebruikt wordt in de omschrijving van het wezen der sacramenten.
Wijl het van algemeene bekendheid is, dat de Gereformeerde belijdenisgeschriften aan de sacramenten niet alleen een beteekenende, maar ook een verzegelende kracht toekennen, achten wij het niet noodig hier meerdere voorbeelden uit die belijdenisgeschriften te geven.
Echter zullen wij wel iets nader moeten ingaan op de vraag, wat er door de sacramenten verzegeld wordt. Want als een zegel bedoelt de waarheid van iets nader te bevestigen en te verzekeren, kunnen wij niet ontkomen aan de vraag, wat door de sacramenten nader bevestigd wordt.
Van groote beteekenis is deze vraag geworden, doordat men later daarop een antwoord gegeven heeft, dat niet geheel in overeenstemming met de Gereformeerde belijdenisgeschriften is. Vooral inzake den doop en de beteekenis van den doop is men van de oorspronkelijke opvatting afgeweken. Als het vraagstuk van de verhouding van doop en wedergeboorte aan de orde komt, komen wij daarop terug. Maar hier is reeds plaats voor de vraag, naar wat volgens algemeene Gereformeerde opvatting door de sacramenten verzegeld wordt, en dan zal blijken uit ons onderzoek, dat volgens de bekende belijdenisgeschriften de sacramenten geen onderwerpelijke, ingestorte genade verzegegelen, maar dat zij betrekking hebben op Gods Woord en dat Woord om der wille van de zwakheid des geloofs nader voor ons bevestigen met de bedoeling om daardoor dat zwakke geloof te sterken.
De meest gewone uitdrukking in de dagen der Hervorming is, dat de sacramenten ons Gods beloften verzegelen. Dat is niet in tegenspraak met wat wij boven zeiden, want Gods Woord en Gods belofte zijn één. Het evangelie, dat immers een Woord van genade van Godswege tot ons is, wordt door de Hervormers gezien als een belofte of als beloften van genade, waarmede de Eeuwiglevende tot ons komt.
In de belijdenis van Geneve van 1536 wordt in artikel 14 gezegd : „Wij zijn van oordeel, dat de sacramenten, die onze Heere in zijn Kerk heeft verordend, ons behooren te zijn als oefeningen des geloofs zoowel om dat geloof te sterken en te bevestigen in de beloften Gods, als om het te belijden voor de menschen”.
In den Catechismus van Geneve van 1545 lezen we : „Wat is een sacrament ? Een uitwendig getuigenis van Gods welwillendheid jegens ons, dat in een zichtbaar teeken geestelijke genade afbeeldt om Gods beloften aan onze harten te verzegelen, waardoor de waarheid dier beloften des te beter bevestigd wordt". (Welwillendheid is hier de vertaling van het zoo dikwijls door Calvijn gebruikte woord benevolentia, in onze Ned. Gel. Bel. weergegeven met goedwilligheid. De groote hervormer heeft in dit woord den zin des evangelies vertolkt, dat God in den hemel onze zaligheid wil en niet onze verdoemenis en in het evangelie ons plechtig betuigt, dat het Woord van genade, waarmede Hij tot ons komt, waarachtig is).
In de Consensus Tigurinus wordt wel heel klaar uitgedrukt, wat wij met deze aanhalingen trachten te staven. In art. 10 staat: „Want wij moeten niet zoozeer op de bloote teekenen zien als veel meer op de belofte, die daarmede verbonden is. Naarmate dus ons geloof meer en meer rust in de belofte, daar gegeven, naar die mate bewijst zich deszelfs aard en krachtige werking, van welke wij spreken. Zoo dan de materie van het water, van het brood en de wijn schenkt ons Christus niet, noch maakt ons deelgenooten aan Zijn geestelijke gaven, maar veel meer moet op de belofte gezien worden, welker taak het is om ons langs een rechten weg des geloofs tot Christus te leiden, welk geloof ons deelgenooten van Christus maakt”.
Ook in het vorige artikel was van dezelfde zaak op dezelfde wijze reeds gesproken, in zooverre daar gezegd werd, dat al onderscheidde men tusschen het teeken en de beteekende zaken, men ze nochtans niet van elkander scheidde, zoodat allen, die de beloften, daar (in de sacramenten n.l.) gegeven, in het geloof omhelzen, Christus met Zijn geestelijke gaven op een geestelijke wijze in het geloof ontvangen.
Ook in de Confessio Helvetica posterior van 1562 wordt eveneens van de sacramenten beleden, dat God daardoor Zijn beloften verzegelt en langs dezen weg ons geloof, door de werking des H. Geestes in het hart, versterkt en vermeerdert.
O. a.d. IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's