De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE AFDEELINGEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE AFDEELINGEN

13 minuten leestijd

GOUDA. Verslag van de 9de cursus onzer Afdeeling, waarin voor ons optrad de W.Eerw. heer ds. P. Bouw, over 't onderwerp : „De Doleantie", op dato 17 Februari 1.1.
Na de gebruikelijke opening door onzen eerevoorzitter, ds. B. van Ginkel, en een korte inleiding, verleende hij het woord aan ds. Bouw, van Benschop.
Ds. Bouw begon met er op te wijzen, dat hij geen vrijmoedigheid had gezien met het oog op den arbeid onzer Afdeeling het verzoek af te wijzen, niettegenstaande dit onderwerp zooveel moeilijke kwesties had, waarom hij dan ook zijn rede in 4 punten zal verdeelen, n.l. : I. De oorzaak van de Doleantie ; II. de aanleiding ; III. het feit, en IV. het oordeel over de Doleantie.
I. Hij wees eerst op de ongereformeerde oplegging van het synodale juk van 1816 door den Gereformeerden Koning Willem I, op advies van ongereformeerde personen, door welke hij werd beïnvloed, met als gevolg de Afscheiding van 1834 door de slapheid van de Synode ter verdediging van de Gereformeerde leer, en ook, toen in 1858 allerlei wind van leer in de Kerk gebracht werd, waartegen de Synode absoluut niets deed. Toen kwamen ook naar voren de slappe, onschriftuurlijke beginselen der Groninger Evangelische richting, onder leiding van de professoren Hofstede de Groot, Van Oord en Pareau, zij luidde : Christus was geen Verlosser, slechts een opvoeder tot God ; van wedergeboorte en bekeering was geen sprake meer ; de Drieëenheid bestond niet; Jezus' verzoenend lijden en sterven tot zaligheid was onzin, en Gods Woord was de Bijbel niet. En zoo ging het door. In Leiden en Utrecht was 't nog erger, daar openbaarde zich het puur Modernisme onder de professoren Opzoomer, Scholten en Kuenen. Zij aanvaardden Gods Woord en de opstanding van Christus niet; deze beginselen deden zich voelen in stad en dorp en land. Een volgeling van deze richting, ds. Zaalberg, werd te Den Haag beroepen en ds. Meijboom, in Amsterdam. Cursussen werden in 't leven geroepen om het ongeloof te propageeren ; protesten bleven niet uit, doch de Synode lapte alles aan haar laars, zoodat dit mede tot ontevredenheid meewerkte tot de toekomstige Doleantie.
In 1637 werd Abr. Kuyper te Maassluis geboren. Tot leeftijd gekomen zijnde, ging hij te Leiden theologie studeeren onder prof. Scholte. In 1863 werd hij pred. te Beesd. Hij is een van de grootste mannen der Doleantie. Hij was in alle opzichten een genie ; echter zag hij meer de Kerk als een vergadering van Christgeloovigen, dan als het lichaam van Christus. Hij haalde zijn Kerkbegrip meer uit a Lasco dan uit Calvijn. Door de ongelukkige, zieke toestand der Kerk, werd hij meer en meer gedreven tot een vrije Kerk.
II. De aanleiding tot de Doleantie. Hij ontwierp een geweldig groot plan, n.l. de opblazing van de Synodale Kerk, na eerst de geloovigen er uitgeleid te hebben. Vanaf 1867 is hij al met dit krijgsplan bezig ; van 1867—1870 komt er al wat van naar voren, n.l. toen hij in Utrecht stond, met de tabellen der kerkvisitatie, welke hij oningevuld terug zond. In 1870 werd hij te Amsterdam beroepen en in zijn intreepredikatie kwam hij met zijn krijgsplan onomwonden naar voren. Hij zeide : wij moeten verbouwen of verhuizen. Daar werd veel voor gevoeld. Er werden pogingen aangewend en vereenigingen opgericht, de Synode zelfs benoemde in 1873 een Commissie tot reorganisatie, maar dit was dr. Kuyper niet radicaal genoeg. Neen, opblazen. Hij zou, dit was het krijgsplan, het Synodale juk afwerpen en daarvoor zou hij het noodige dynamiet aanbrengen. Eerst het besluit van de 17 ouderlingen te Amsterdam, om bij den modernen dominee niet meer te kerken, bij de sacramentsbediening niet meer tegenwoordig te zijn. Ja, we kunnen het ons voorstellen, dat zulks voor de Gereformeerden vreeselijk was, te moeten toezien, dat de gemeente steenen, ja, vergiftigde steenen voor brood kreeg. Doch hadden zij niet beter gedaan de gemeente te waarschuwen en te protesteeren en onder protest te blijven ? Wij meenen van ja. Doch er zou nog meer komen. Jongelieden moesten te Amsterdam bevestigd worden, die, evenmin als de drie moderne predikanten, geloofden wat Gods Woord leert. De ouderlingen waren niet tegenwoordig bij het doen van belijdenis, en zoo konden de jongelieden niet ingeschreven worden. Het conflict kwam. De vereenigde kerkeraadsleden hadden besloten niet te buigen of te bukken voor de hoogere kerkelijke machten, en zij hadden het na protest op protest gewonnen. De Ned. Hervormde Kerk was vreeselijk slecht, ja zelfs driemaal vervloekt. Maar de goederen der Kerk dan ? Waren die niet driemaal vervloekt? Schijnbaar neen. Weer liep het op kwesties uit. Dr. Kuyper en dr. Rutgers waren toen ouderlingen. Ook zij weigerden tegenwoordig te zijn bij de aanneming van jonge lidmaten bij de vrijzinnige predikanten.
Zoo bleek dus, dat Kuyper c.s. ongehoorzaam waren aan de kerkelijke reglementen, welke zij gehoorzaamheid hadden beloofd. Doch de z.g.n. attestenkwestie moet de lont zijn tot opblazing, maar de lont was nog niet klaar. En zoo is het steeds gegaan. Toen begon men met de goederen, waaraan de sporen nog zichtbaar zijn en waarschijnlijk wel zullen blijven, n.l. de paneelzagerij in de Nieuwe Kerk. De gevolgen bleven niet uit; 80 kerkeraadseden werden geschorst, n.l. 5 predikanten, 42 ouderlingen en 33 diakenen. Daar had Kuyper niet op gerekend, waarvan het eind was, dat zij, nadat de 5 predikanten in diverse lokalen optraden buiten de Ned. Hervormde Kerk, den Isten Juli 1886 uit hun ambt werden ontzet en den Isten December 1886 dit vonnis bekrachtigd werd.
Velen volgden dr. Kuyper. Zelfs gemeenten, zooals het kleine dorp Kootwijk onder candidaat Houtzagers der Vrije Universiteit, en het dorp Voorthuizen onder mr. dr. W. v. d. Bergh, enz. In totaal 70 predikanten, 200 gemeenten en tezamen 200.000 personen, welke in Doleantie gingen. Doleantie. — Treuring. Dit woord namen zij over van de mannen der 17de eeuw, die door de Remonstranten de Kerk uitgedreven werden, doch die de Hervormde Kerk niet loslieten. Het treuren van '86 is dan ook niet te vergelijken met 1700, daar het minder geestelijk was, n.l. '86. Toch meende Kuyper, dat hij de 2de Luther was der 19de eeuw. Zie zijn boek „Tractaat der Reformatie der kerken "Hij heeft gemeend „God wil het". Doch is het dan zoo ? Ons en uw oordeel is anders Het doet ons zeer pijnlijk aan, , de Doleantie" van dr. Kuyper c.s. met de zelfde naam te betitelen als het werk van Luther en Calvijn. Doch dat is voor hen.
Durft men volhouden, dat de Ned. Hervormde Kerk in ± 1880 zoo diep gezonken lag als in 1510 ? Durft men ? Bij Luther was het alles spontaan, in diepe afhankelijkheid van God. In '86 ook ? Dr. Kuyper en de zijnen mochten toch overal het Woord Gods verkondigen ? En in dit opzicht ontving ook Petrus het bevel, het Evangelie te prediken aan alle creaturen, óók aan Cornelius, den hoofdman.
Waren in '86 de 200.000 in de Ned. Hervormde Kerk gebleven, we waren al lang de Synodale Organisatie van 1816 kwijt. En nog wat. Zijn zij, de Kuyperianen, de Gereformeerden van '86, nog de Gereformeerden van '86 ? 't Ware te wenschen. Zie maar het verval.
Neen, de Ned. Hervormde Kerk is nog niet opgeblazen, al is er leervrijheid. De Heere is nog wakker en werkzaam en waakzaam met Zijnen H. Geest in de Hervormde Kerk. Nog steeds blaast Hij in de dorre doodsbeenderen. Nog steeds blaast Hij de dove kolen aan tot vuur. Zie maar het aantal Gereform. predikanten en gemeenten. Het aantal is grooter als in 1886. Wanneer de mannen en vrouwen konden verrijzen en zien den toestand in de Gereformeerde Kerken en de Hervormde Kerk, ze zouden verbaasd staan en zich verwonderen over het werk Gods in de Hervormde Kerk. Let maar eens op de Verbondsleer en de veronderstelde wedergeboorte. En niet te vergeten de wereldgelijkvormigheid inzake schouwburg, bioscoop en dansgelegenheden, en wie weet wat meer in de kringen der Gereform. Kerken. Heusch 't is niet om jaloersch te worden, heusch, 't is bedroevend. Of is dit geen verval ? Wij meenen van ja.
Doch laat ons ons niet verheffen, doch bidden we veel meer : Heere, is bij ons een schadelijke weg, och, leid ons op den eeuwigen weg. Ons volk en ons tot heil en Uw Naam tot eer.
Ds. Van Ginkel geeft gelegenheid tot het stellen van vragen, waarvan ruim gebruik wordt gemaakt, welke vragen door ds. Bouw bevredigend worden beantwoord.
Ds. Van Ginkel zegt ds. Bouw hartelijk dank, waarop ds. Bouw in deze talrijke samenkomst met dankzegging voorgaat.
C. J. REVET, 2de Secretaris.

FEIJENOORD EN OMSTREKEN. Jaarvergadering van de Afdeeling, gehouden op 31 Maart j.l, in de Joh. Bogermanschool.
De voorzitter, de heer C. Vermaas, opent op de gebruikelijke wijze deze vergadering. Hij heet allen hartelijk welkom, in het bijzonder ds. Kijftenbelt, en spreekt er zijn blijdschap over uit dat zoovele leden en bezoekers zijn opgekomen.
De jaarverslagen van secretaris en penningmeester worden uitgebracht en goedgekeurd.
Bij de bestuursverkiezing, welke volgt, wordt de voorzitter op voorstel van ds. Kijftenbelt bij acclamatie herkozen. Hij neemt deze benoeming weer aan. In de vac. vr. Monster wordt de heer D. Groenewegen gekozen. Hij verzocht deze benoeming enkele dagen in beraad te mogen houden. De afgevaardigden van Rotterdam-Kralingen, Vlaardingen en van de Peijenoordsche Jeugd vereenigingen brachten de gelukwenschen namens hun vereenigingen over.
Hierna werd de Paaschcollecte besproken. Besloten werd deze zoo doelmatig mogelijk te bewerken, waarvoor verschillende personen zich beschikbaar stelden.
Na een korte pauze kreeg vr. P. P. J. Monster gelegenheid zijn onderwerp te houden over:

„De Gezangen-kwestie”.
Spreker zegt, dat deze kwestie bijna al zoo oud is als de Kerk op aarde bestaat. De laatste eeuw is de kwestie in ons land eerst actueel geworden. Daar is geen kwestie, waarbij men zoo oppervlakkig oordeelt en veroordeelt als bij de Gezangen-kwestie. Hendrik de Cock was heel scherp in zijn veroordeeling van de Gezangen, en nog velen in onzen tijd ook. Toch wordt er weinig principieel over gesproken en in dit onderwerp willen we nu eens niet spreken over allerlei wat men anders tegen of vóór de Gezangen hoort aanvoeren : dat de kinderen Gods ze niet zingen, of anderzijds, dat er ook veel Schriftuurlijke Gezangen zijn en dat men in de kerk bi een predikant die Gezangen laat zingen, eenvoudigweg in gehoorzaamheid aan den leider van den dienst moet zingen wat hij opgeeft. Daarover spreken we niet, ook niet over het feit, dat er in de berijmde Psalmen Remonstrantsche dingen voorkomen, want dit alles Taakt slechts de uiterste buitenkant en niet het wezen der zaak.
We luisteren naar wat over deze kwestie gezegd kan worden door Schrift, Historie en Belijdenis.
De Schrift spreekt in Col. 3 vs. 16 en Efeze 5 VS. 19 van liederen naast de Psalmen. Afgezien nog van de vraag of deze in de gemeentelijke godsdienstoefeningen werden gebruikt. Wij bezitten die liederen niet als een door de Apostelen geautoriseerde bundel. De historie spreekt steeds van een verzet tegen vrije kerkliederen. Hiervan getuigen de besluiten van den bisschop van Antiochië, Paulus van Samosata (ongeveer 260) en die van de Concilies te Laodicea in 360, Braga 563, waar het vrije lied verboden werd. Toch is het vrije lied onder verzet van een kleine minderheid in de Kerk binnengedrongen in de 7de eeuw. Dit was tevens de eeuw van de ondergang der Romeinsche Kerk. In de Middeleeuwen zong het koor en met de Reformatie kwam de gemeentezang weer in gebruik. Luther had naast de Psalmen vrije liederen ; Calvijn niet, dan alleen enkele rechtstreeks aan de Schrift ontleende liederen, die veel overeenkomst vertoonen met de Eenige Gezangen, welke te Dordrecht op de Synode van 1618—'19 zijn aangenomen. Tegen deze is geen bezwaar, omdat deze Synode een wettige „Schriftuurlijke" Synode was.
Wanneer we dan tenslotte nog luisteren naar de stem van de Gereform. belijdenis, dan blijkt, dat de Gezangenbundel een andere belijdenis, een andere dogmatiek wilü geven. Wie de afdeelingen der Gezangen en de inhoud daarvan vergelijkt met de Belijdenisgeschriften onzer Kerk, zal vooral met de trias : ellende, verlossing en dankbaarheid voor oogen, merkwaardig sterke verschillen moeten opmerken, en daarom staan hier twee belijdenissen tegenover elkander. Wie de Belijdenisgeschriften der Ned. Hervormde Kerk aanvaardt as richtsnoer voor leer en leven, moet als noodzakelijke consequentie de daarvan afwijkende, daarmee het op vele punten strijdige in de Gezangen neergelegde, verwerpen.
En omgekeerd, wie de invoering en de inhoud van den bundel Gezangen als juist erkent, moet dan ook als noodzakelijke consequentie aanvaarden dat hij de oude belijdenis der Kerk als accoord van Kerkgemeenschap verwerpt.
De slotconclusie is dan, dat zoo men wenscht uit te gaan van het beginsel: de waarheid te verbreiden en te verdedigen in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk, men staat tegenover elke poging die ten doel heeft iets in te voeren, wat ook maar in eenige mate afwijkt van die Waarheid. De Kerk heeft het voorbeeld in de eerste eeuwen zelf heel duidelijk gegeven. Dit verdient ook in onzen tijd navolging en daarom: geen oppervlakkig veroordeelen, maar pal staan voor bovengenoemd beginsel en protesteeren tegen al wat doelbewust een geheel of gedeeltelijk andere leer in de Kerk wil invoeren, als in de Belijdenisgeschriften van die Kerk en met name de Ned. Hervormde Kerk, is neergelegd.
Wel is wat te zeggen voor een Schriftuurlijke, conform de Belijdenisgeschriften der Kerk, door een dienovereenkomstig gevormde Synode opgestelde en ingevoerde bundel vrije kerkliederen.
Een aangename bespreking volgde, waaraan een 7-tal personen deelnamen.
De voorzitter zegt den inleider hartelijk dank voor dit keurige principieele onderwerp en voegt daarbij een kort afscheidswoord. Hij dankt vr. Monster hartelijk voor het werk dat hij in de Afdeeling heeft gedaan en roemt de aangename samenwerking. Ook wordt hem dank gebracht voor het vele werk, dat hij in de Kinderkerk verricht heeft. Hij spreekt de wensch uit dat vr. Monster in z'n eerste gemeente tot rijke zegen gesteld mag worden.
Daarna worden de bekende voorstellen van de Afd. 's-Gravenhage besproken.
Punt 1 heeft geen zin, daar geen speciale partijpolitiek besproken wordt. Voorlichting en uiteenzetting van sommige zaken blijft zeer noodzakelijk.
Punt 2. Controle is er volgens ons voldoende. De benoemde personen moeten zich nauwkeurig van hun opdracht kwijten. Nooit hebben we klachten gehoord, dat de penningmeester hen onvoldoende inlichtte.
Punt 3 kan momenteel onze instemming niet hebben. De nadeelen van dit voorstel wegen niet tegen de voordeelen op.
Ten slotte wordt opgemerkt, dat de afdeeling Den Haag met deze voorstellen op het meest on­ gelegen oogenblik komt. In deze tijd van verwarring, ook in ons Bondsleven, moeten wij niet meer moeilijkheden maken dan er reeds zijn. Daarom werd met algemeene stemmen besloten tegen deze voorstellen te stemmen.
De heer Vermaas wordt als afgevaardigde voor de a.s. Bonsdag gekozen, terwijl de heer Kuypers als plaatsvervanger wordt aangewezen. Genoemde heeren krijgen mandaat van de vergadering.
Ds. Kijf ten belt eindigt deze goed geslaagde jaarvergadering met gebed.
SECRETARIS.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE AFDEELINGEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's