De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE BEIDE SACRAMENTEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE BEIDE SACRAMENTEN

4 minuten leestijd

VI
In den Reformatie-tijd werkte de Roomsche opvatting „ex opere operato" nog na : de Kerk biedt de genade aan, het Sacrament deelt de genade mee. Vandaar dat het de grootste moeite kostte om de vaders bij den Doop te krijgen. De Reformatie ging terug tot de Schriftuurlijke verplichting der ouders om hun kinderen op te voeden. Het formulier van 1566 richt zich dan ook tot de vaders. Desgelijks stelt het formulier van 1611 de vragen aan de vaders. Wij lezen ook van getuigen, doch de Reformatie liet dit veelal vrij. Getuigen dienden:1°. als waarborg van goed geloof en leven der ouders ; 2°. dat de Doop had plaats gehad, en 3°. namen zij de opvoeding voor hun rekening. Doch het getuigenstelsel ontaardde in pracht-en praalvertooning. Soms nam men twaalf getuigen, waartegen Smytegeld zijn strafpredikatie richtte. Er werden wel getuigen geëischt als de ouders geen lidmaat waren.
Ook moesten er getuigen zijn bij de heidensche kinderen als van Zigeuners, die als ketellappers en paardedokters rondzwierven. Vondelingen werden gedoopt ten overstaan van de afgevaardigden van het Gemeentebestuur.
De doopmaaltijden zijn berucht geworden, zoodat de Overheden flinke boeten oplegden. Men ging de zoogenaamde „kinderbieren" te keer. Er mochten niet meer dan twaalf mannen en twaalf vrouwen genoodigd worden. Een oud gebruik was hierbij de pillegift, d.i. de gift van peter en meter en andere getuigen aan het kind, echter ook bestaande in de bijdrage tot het doopfeest. In deftige kringen liet men dooppenningen slaan, die dan weer van geslacht op geslacht overgingen. Ook dit lokte een gestadig protest der Kerk uit.
Op de vraag of men onechte kinderen zou doopen, antwoordde de Kerk bevestigend. De practijk leert, dat men 1°. het deed zonder protest ; 2°. belijdenis van zonden voor den Kerkeraad en 3°. openlijke bestraffing in de gemeente. In Drenthe werd een moeder, die weigerde ter kerk te komen, door twee soldaten er heen gebracht!
De derde doopvraag wijst heen naar de opvoeding. Huisgezin, catechisatie, school en Kerk moeten hier één gedragslijn volgen. Dordt 1578, art. 47, en 1618/19, art. 21 wijzen er op. Maar ook in den bloeitijd rees menige klacht, als die van Teellinck (gest. 1629), die de ouders de slechte opvoeding vervót. Men mocht zijn kinderen ook niet ter paapsche scholen zenden, al stond in enkele steden het soort U.L.O. op iets hooger peil. Vandaar dat van Gereformeerde zijde vele scholen werden opgericht.
Onze vaderen hielden vast aan de trias Doop-Belijdenis-Avondmaal. Dit hangt samen met de uitdrukking in het formulier : overmits in alle verbonden twee deelen begrepen zijn. Het eerste deel is de aanbieding Gods van Zijn verbondsweldaad ; het tweede deel is de aanvaarding van die weldaad onzerzijds. Dit verplicht den gedoopte tot bekeering. De eisch der bekeering vloeit voort uit den Doop. De besnedenen moeten hunne harten besnijden. Hierop volgt dan de viering van Zijn H. Avondmaal. (D.K.O., art. 59). De twee deelen liggen vast in de H. Schrift, b. v. 2 Tim. 2 VS. 19 : De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn, en: Een iegelijk, die den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid. Dit dient steeds gehandhaafd, vooral tegen de valsche lijdelijkheid. Doch indien Pelagius weer te voorschijn komt en bekeering eischt in eigen kracht, roepen wij halt ! Want er is geen sprake van, dat God het Verbond met ons sluit, op voet van gelijkheid, doch dat Hij het opricht. Let wel : Hij richt het op. 't Is dus uit Hem en dus in den wortel ééndeelig. Dusdanig was ook het werkverbond, waarvan de vloek nog blijft treffen. Christus heeft zoowel het loon als de straf ontvangen. In beide verbonden was het te doen om het eeuwige leven.
De Gereformeerde Verbondsleer raakte omstreeks 1750 in vergetelheid. De Revolutie en haar zuster Vrijzinnigheid vertrapten haar of zwegen haar dood. Terecht zei Wormser: „Leer der natie haren Doop verstaan en Kerk en Staat zijn gered”. En wat wreekt zich in onze Gereformeerde kringen nu ten zeerste? Dat men het Verbond der genade kwijt is. Zoozeer kwijt zelfs, dat degene die er nog over durft te prediken of te schrijven, voor doleerend wordt uitgescholden. Alsof men bepaald Roomsch moet zijn om naar de kerk te gaan ! Eilieve ! men zingt luidkeels : Lout're goedheid, liefdekoorden, waarheid zijn des Heeren paan, hun die Zijn verbond en woorden, als hun schatten gadeslaan. Zingt dat dan niet alleen luidkeels, doch ook van harte, en men smale niet van „een beetje verbondstheologie". De tijd van ons bodemloos subjectivisme, die alles uiteengerafeld heeft, eischt de prediking van Gods genadeverbond. Is er gevaar, dat men denkt verbondsmatig zalig te worden zonder persoonlijke bekeering, men stelle den eisch van persoonlijk geloof en houde ten allen tijde beide dingen vast.

Ridderkerk
G. v. d. Zee

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

DE BEIDE SACRAMENTEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's