KERKELIJKE RONDSCHOUW
WILHELMUS a BRAKEL. als geestelijke raadsman (1)
Van „Vader Brakel" spreken nog velen. Zoo was het althans dertig jaar geleden. Is het nóg zoo?
’t Was bewijs, dat men Brakel vertrouwde. Wij hebben in onze tweede gemeente een ouderling gehad, die „Vader Brakel" door en door kende. En van zijn kennis genoten wij mee ; de een hielp den ander en 't droeg geestelijke vrucht.
Als we van „Vader Brakel" spreken, bedoelen we niet Theodorus a Brakel, de vader, maar Wilhelmus d Brakel, de zoon, die de schrijver is van het bekende boek : „Redelijke Godsdienst". Of zooals er met roode letters heel geleerd op het titelblad staat : Logikè latreia. Want natuurlijk moesten er in den tijd van Brakel vele Latijnsche en Grieksche woorden bij komen ! Als hij een versje aanhaalde dan was 't b.v. „O Jesu mi dulcissime, spes suspirantis animae ! Te quaerunt piae lacrymae. Te clamor mentis intimae." Wat zoo ongeveer beteekent, overgezet zijnde : „O, mijn allerzoetste Jezus, hope van een hijgende ziel ! „U zoeken de . godvruchtige tranen, U zoekt het geroep van eene allerinnigste ziel". En als na het overlijden van Vader Brakel een lijkpredicatie gehouden wordt en een levensbeschrijving wordt gegeven, dan volgt de eene latijnsche aanhaling na de andere en Horatius, Virgilius en meer anderen worden sprekend ingevoerd, alsof het de dagelijksche gasten en de meest vertrouwde vrienden van 't volk waren! Pred. 12 : 5 is dan de tekst: Want de mensch gaat naar zijn eeuwig huis, en de rouwklagers zullen de straten omgaan". Het opschrift luidt : „Algemeene rouwklacht in de straten van Rotterdam, over het afsterven van den heer Wilhelmus a Brakel, Theod. filius". En dan volgen Seneca en Virgilius en anderen, om te zeggen, dat „de ziekten en droevige ouderdom komen", wat dan in 't Latijn werd voorgedragen, met de woorden: Subeunt morbi tristisque senectus". Wat dan nog nader wordt omschreven in de taal der Romeinen : „Senectus enim insanabilis morbus est" : want de ouderdom is een ongeneeslijke ziekte, enz. enz.
Zoo is het dan héél gewoon, dat op het titelblad van het bekende boek van Brakel staat : Logikè latreia, met Grieksche letters geschreven, wat beteekent : Redelijke Godsdienst. Waarin „de Goddelijke; , Waarheden van het Genadeverbond worden verklaard, tegen partijen beschermd en tot beoefening aangedrongen”.
Den 26sten Februari van 't eeuw jaar 1700 werd de eerste druk van dit lijvige boek door den Schrijver aan het publiek aangeboden. Hij deed dat met het opschrift: „Aan de Gemeente Gods in Nederland" en wel met deze inleidende woorden: „Zeer geliefde Broeders en Zusters in onzen Heere Jezus Christus, genade en vrede zij U vermenigvuldigd van God, onzen Vader!
God wil, dat de mensch niet ledig zij. Hij heeft hem vóór den val een vreugdevolle, en na den val een moeilijke bezigheid opgelegd, en wel, dat een iegelijk in die roeping, in Welke hij van den Heere gesteld is, getrouw zij. Sommige werkkringen hebben een stoffelijk voorwerp, andere een geestelijk. Of het voorwerp iets lichamelijks zij, dat doet niet af of toe tot de geestelijkheid van den dienst aan God in de uitvoering van het beroep ; maar het gaat om den staat des persoons en de wijze waarop hij daarin bezig is. Een natuurlijk mensch behandelt zelfs geestelijke dingen op een natuurlijke en Gode niet aangename wijze; maar een geestelijke betracht zelfs stoffelijke dingen geestelijk ; hij merkt het aan als van den Heere daar aangesteld, hij omhelst daarin den wil Gods, hij voert het uit in gewillige gehoorzaamheid als een dienst aan zijn God, en zoekt Hem daarin te verheerlijken.
Onder alle bedieningen is er geene zóó heilig, voortreffelijk, noodzakelijk en nuttig als het Herders-en Leeraarsambt in de Kerk. Dien God roept, bekwaam en getrouw maakt om een bedienaar des Nieuwen Testaments te zijn, is een wonder in de wereld, een instrument in de hand Gods, om verlorene zielen te behouden, de Kerk Gods te vergaderen, op te bouwen en te stellen tot Gods lof op aarde. Een ondeugdelijk predikant is het gruwelijkste en schandelijkste schepsel, dat de wereld draagt, hij is een schandvlek in de Kerk, een struikelblok waarover velen vallen in het eeuwig verderf, en is eene oorzaak van de verdoemenis veler zielen. Een getrouw dienstknecht van Christus is een sieraad in het huis zijns Gods, een licht op den kandelaar, een stad op den berg, een leidsman der blinden, een schrik voor goddeloozen, een blijdschap voor de godzaligen, een trooster voor de bedroefden, een raadsman voor de verlegenen, een voorganger voor de geloovigen ten hemel. Hij leeft maar een korten tijd, hij predikt maar voor weinigen; anderen lichtende, verteert hij zichzelven. 't Verlies van een begenadigd leeraar is onwaardeerbaar. De kortheid van den levenstijd van een leeraar, den kleinen kring der toehoorders, vervult God in onze dagen wonderbaar, door de drukkunst den menschen bekend te maken, en dat — wat waardig is te worden opgemerkt — tegen den tijd, toen de Kerk uit Babel zou uitgaan, zoodat ze pas tot volmaaktheid was gebracht toen de Reformatie in het begin van de 16de eeuw doorbrak. Nu kan één leeraar voor een geheele natie, ja, zelfs voor de geheele wereld, prediken, en dat wel eeuwen lang na zijn dood.
Met vroolijke gewilligheid grijp ik deze gelegenheid aan, om ook nog lang na mijn dood te prediken, en dat voor geheel Nederland, en naar die bekwaamheid, die de Heere mij verleend heeft, zij zij dan zooals ze is.
Toen de boekdrukkunst nog niet uitgevonden was, moest men zijn werk aan iemand opdragen en ter hand stellen, van wien de opdrachten oorspronkelijk kwamen ; maar nu zijn zij niet noodig. Ze zijn ook somtijds aanstootelijk. Somtijds is het werk te gering voor de hooge personen, aan wie men het opdraagt. En altijd liggen ze open voor verkeerd begrijpen van 't geen de schrijver en opsteller bedoelt. Daarom laat ik de opdracht aan bijzondere personen na, en spreek U aan. Gemeente Gods in Nederland ! en drage dit werk aan U op.
In 't bijzonder eigene zich dit boek de Gemeente, die op 't oogenblik mijn dienst geniet, die Gemeente, in welke ik vóór dezen opziener ben geweest, en die Gemeente, die mij tweemaal beroepen heeft, doch mij niet heeft kunnen bekomen, wegens den toestand der Gemeente, waar ik toen was. Ontvangt het in toegenegenheid. Leest het met naarstigheid en aandachtigheid. Maakt kleine gezelschapjes van bekenden onder elkander, leest daar telkens een hoofdstuk of een gedeelte, en laat het gelezene u stof geven tot stichtelijke samenprekingen”.
„Indien dit mijn werk óok kan zijn tot eenige bestiering van studenten, proponenten en jonge predikanten, om de Goddelijke waarheden in hare eigene natuur te verstaan, die te beschermen, die met de daad te oefenen, en de Gemeente zoo voor te stellen, tot bekeering en versterking der zielen, en tot op bouw der Kerk van onzen Heere Jezus Christus, 't zal mij tot blijdschap zijn”.
„De Almachtige en goede God, Die mij tot dit werk heeft aangespoord, en telkens als ik het meende te staken, opnieuw heeft verwakkerd, en van Wien het goede, dat hierin gevonden wordt, is voortgekomen, storte Zijnen Heiligen Geest uit over allen, die dit boek zullen lezen enn hooren lezen, tot bekeering van de onbekeerden, tot onderrichting van de kleinwetenden, tot terechtbrenging van de afdwalenden, tot opbeuring van de moedeloozen, tot opwakkering der tragen, tot vertroosting van de treurenden, tot wasdom in het geloof, de hoop en liefde van allen, die een beginsel der genade deelachtig zijn geworden!
„De Heere beware Zijne Kerk in Nederland en doe ze groeien in getal en godzaligheid, en zegene Nederland om der Kerke wil ! Hij wone en wandele in 't midden van u. Hij bestrale u met Zijn licht, Hij vervulle u met allerlei genade en geleide u door Zijnen raad; en als gij uwen loop zult hebben voleindigd, zoo neme Hij u op in de eeuwige heerlijkheid!
Ik ben en blijve uwe medebroeder en dienaar in Christus, Welken zij lof, eer en heerlijkheid tot in der eeuwigheid”.
(Wordt voortgezet.)
DE KERK (1)
„Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is", Hosea 4 vs. 6. Ziet daar de oorzaak aangewezen van het diep verval van 's Heeren Kerk in Hosea's dagen. En niet alleen toen [„in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, Koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël", Hosea 1 : 1], maar zoo menigmaal de Kerk tijden van diep verval doorleefde, was telkens een der voornaamste oorzaken daarvan, gebrek aan kennis. En dan niet alleen „kennis" genomen in den zin van wetenschappelijke scholing, maar in den zin van kennis der Waarheid, kennis aangaande het Wezen en de deugden des Heeren, kennis van de Wet, de Getuigenissen, de rechten Gods ; kennis van Gods Woord met rechte betrachting van Zijn dienst.
„Ik zet mijn treden in Uw spoor, opdat mijn voet niet uit zou glijden, wil mij voor struikelen bevrijden en ga mij met Uw heillicht voor" is de belijdenis en de bede als het goed is. Psalm 119 is dan het leerboekje van Gods volk en de Kerk des Heeren zingt: Welgelukzalig zijn zij die Zijne getuigenissen onderhouden, die Hem van ganscher harte zoeken — Heere, Gij hebt geboden, dat men Uwe bevelen zéér bewaren zal, och, dat mijne wegen gericht werden om Uwe inzettingen te bewaren!” (Ps. 119 : 2, 4, 5).
Nu moeten we niet in de fout vallen door te gaan denken en zeggen: „vroeger was het in deze zoo best gesteld — maar nu is het enkel treurigheid". Want ten eerste was het vroeger niet alles goud wat er blonk en ten tweede is het in onze dagen niét enkel treurigheid — omdat de Heere ons nog genadiglijk Zijn zegeningen wil schenken, ja, ons land en volk nog wil weldoen boven andere naties en landen! En die hierin de zegeningen Gods miskent, komt de eere van den Vader der lichten, van Wien alle goede gaven en volmaakte giften afdalen, te na!
Veel oorzaak van klagen echter blijft er over, wanneer men onder ouderen rondgaat en wanneer men met de jongeren in aanraking komt. Wat is er dikwijls weinig kennis, heldere, gefundeerde, overtuigde kennis der Waarheid! En daarom is het zoo dringend noodig, dat onder ons de kennis, de geestelijke kennis, weer opleve. En dan hebben we nu bijzonder op 't oog de kennis aangaande de Kerk van Christus, haar leven, haar wet, haar ambten, haar roeping, haar zegening en weldaden.
Wij meenen goed te doen, daartoe een korte bespreking te geven van de artt. 27— 32 van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis. Want wil de Kerk toenemen in kennis, dan zal zij haar eigen belijdenis moeten kennen, om er dan naar te staan naar die belijdenis ook te leven. Leer en leven hooren ook hier bij elkaar!
De Nederlandsche Geloofsbelijdenis is nog altijd een van de grondzuilen van onze Nederlandsche Hervormde (Gereformeerde) Kerk. Nooit is zij afgeschaft. Altijd is nog ieder aan die belijdenis gebonden, „althans in geest en hoofdzaak" ; welke „geest en hoofdzaak" moet worden genomen overeenkomstig den aard en het wezen van die belijdenis zelve. Die belijdenis moet haar eigen uitlegster zijn, overeenkomstig Gods Woord, en naar die belijdenis, die Schriftuurlijk moet wezen, hebben zoowel de ambtsdragers als de leden der Kerk zich te richten in leer en leven!
Onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis handelt over de Kerk in de artikelen 27—32. Zonder dat het ons nu te doen is om een breede, gefundeerde uitlegging en toelichting, willen we die artikelen hier laten volgen, waarbij dan enkele verklarende opmerkingen niet zullen uitblijven.
Art. 27 handelt over de Katholieke of Algemeene Christelijke Kerk en luidt aldus :
Wij gelooven en belijden eéne eenige Katholieke of Algemeene Kerk, welke is een heilige vergadering der ware geloovige Christenen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewasschen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest".
Dat is het eerste deel van dit artikel, dat wij, voor onze beschouwing van heden, in vier stukken willen indeelen.
Het tweede stuk is dan:
„Deze Kerk heeft bestaan van het begin der wereld af, en zal zoodanig zijn tot het eind toe, daar Christus een eeuwig Koning is. Die niet zonder onderdanen zijn kan".
Het derde deel is dan:
„Deze heilige Kerk wordt van God bewaard of staande gehouden tegen het woeden der geheele wereld ; al is zij soms een tijd lang zeer klein en al schijnt zij vernietigd te zijn, evenals in de dagen van Achab, toch blijft zij bestaan, door den Heere Zelf bewaard".
Het vierde of laatste stuk is dan:
„Deze heilige Kerk is niet gelegen of gebonden aan ééne plaats, maar is verspreid en verstrooid over de geheele wereld, nochthans met hart en wil samengevoegd en vereenigd zijnde in één zelfden Geest, door de kracht des geloofs".
We merken wel, dat het hier niet gaat over een bepaalde Kerkgemeenschap als b. v. de Ned. Hervormde, of de Luthersche, enz. Het gaat hier over de Algemeene of Katholieke Kerk van het begin der wereld, tot het einde toe ; van alle landen en volken, waar de Heere in Christus Zijn uitverkorenen heeft ; waar de geloovigen gevonden worden, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewasschen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den H. Geest".
Van de Ned. Hervormde Kerk kan niet gezegd worden: „Deze Kerk is geweest van het begin der wereld af, en zal zoodanig zijn tot het eind toe".
't Gaat over de vergadering, de geroepen, uitverkoren vergadering der ware geloovigen, die over de geheele wereld verspreid zijn en door alle eeuwen verspreid zijn, maar dan toch gedacht als één Gemeente, onder één Hoofd, Jezus Christus, den Koning, Die noodt zonder onderdanen is geweest noch ook zijn zal.
Waar 't op aankomt is: dat zij alle zaligheid verwachten in Jezus Christus, gewasschen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest".
Zefanja 3 vs. 12: „Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk ; die zullen op den Naam des Heeren betrouwen". Al de ware leden der Kerk zijn dan eenstemmig in hun belijdenis van den Christus, met Petrus getuigend: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods". (Matth. 16 VS. 15—18).
Van die ware geloovigen van de Algemeene Christelijke Kerk van alle eeuwen en alle plaatsen van 's Heeren heerschappij, kan en mag gezegd worden, dat zij hunne lange kleederen hebben gewasschen en wit gemaakt in het bloed des Lams (Openb. 7 vs. 9—13, 14; 5 VS. 9, 10; Hand. 20 vs. 28; 1 Cor. 6 vs. 11, enz. enz.
Ook zijn die ware geloovigen verzegeld door den Heiligen Geest. 2 Cor. 1 vs. 21, 22: „Maar die ons met u bevestigt in Christus, en die ons gezalfd heeft is God ; die ons ook heeft verzegeld en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven heeft". Ef. 1 vs. 13b, 14 ; Rom. 8 vs. 15, 16.
Al die ware geloovigen zijn één in het verwachten van al hun zaligheid in Christus, allen gereinigd door het bloed des Lams, allen bevestigd in Christus, allen gezalfd door God, allen verzegeld door den Heiligen Geest, het onderpand gevend in aller harte, en zoo is die Kerk één.
Ze zijn samen de ééne, eenige, heilige, Algemeene of Katholieke Christelijke Kerk, één lichaam onder één Hoofd, n.l. Jezus Christus. Noch door eeuwen, noch door plaatsen, noch door rassen, noch door bloed of bodem, noch door standen of rangen zijn zij van elkander gescheiden, maar allen door hetzelfde gemeenschappelijk geloof aan Christus en aan elkander verbonden.
Zóó is er maar één Kerk, één Gemeente des Heeren, één lichaam van Christus, één Huis Gods, één Bruid van Christus, één Huis des Zoons. (Hebr. 3 vs. 5).
Er zijn niet vele Kerken ; vele Bruiden ; vele Gemeenten ; vele Lichamen ; vele bergen Zijner heiligheid ; vele Huizen des Zoons. „Eene éénige is mijne duive, mijne volmaakte, de eenige harer moeder". Hooglied 6 vs. 9.
Nochtans heeft deze ééne Kerk vele leden en openbaart zij zich aan verschillende plaatsen in vele Gemeenten, in vele Kerken, gelijk één huis met vele kamers.
Eén Koninkrijk — maar het openbaart zich in den beginne anders dan nu ; in David's dagen anders dan in Paulus' tijd ; anders in de dagen van Nero dan in de dagen van Karel V ; anders in Schotland dan in Duitschland ; anders in Nederland dan in Amerika.
Eén kudde onder één Herder, maar er zijn schapen, lammeren en zoogenden. En er zijn er die onder de Oude Bedeeling leefden en die in dezen modernen tijd leven. Er zijn er, die door Luther, anderen die door Calvijn zijn toegebracht in den middellijken weg ; er zijn er, die in de gebrekkige Hervormde Kerk leven, anderen vinden we in de Gereformeerde Kerken, anderen in de Gereformeerde Gemeenten, enz. — maar overal gaat het om de Bruid van Christus, om de Gemeente des Heeren, die al hun zaligheid verwachten in Christus, die gewasschen zijn in Zijn bloed, die geheiligd en verzegeld zijn door den Heiligen Geest. En zóó is het door alle eeuwen en aan alle plaatsen weer ééne éénige Algemeene Christelijke Kerk, welke is een vergadering der ware geloovigen, allen in den diepsten grond verbonden door éénzelfden band des geloofs en der liefde tot Christus, Denwelken de verlosten reeds aanschouwen in héérlijkheid.
Geen zichtbare Kerk kan al die geloovigen van vroeger en nu, van alle landen en volken, omvatten.
Geen zichtbare Kerk kan al die liefde van Christus, al die waarheid Gods, in diepte en hoogte, in lengte en breedte, omvatten. De ééne éénige Algemeene Christelijke Kerk is hier op aarde gedeeld over alle tijden en over alle plaatsen — gedeeld over de aarde en den hemel — gedeeld overal naar taal en historie.
Eén Kerk. Geen pluraal-begrip. Niet vele.
Eén Kerk. En dan pluriform. Veelvormig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's