HET DOOPSFORMULIER
HOOFDSTUK IV.
Het Verbond.
Het kan niet de bedoeling zijn, hier een op zich zelf staande verhandeling van het verbond te geven. Immers het is ons te doen om een verklaring van het doopsformulier en niet om een meer of min volledige uiteenzetting van het stuk des verbonds. Maar wijl in het doopsformulier naar het verbond der genade verwezen wordt, willen wij hier even aanwijzen, hoe men in de dagen van de Reformatie over het verbond dacht in verband met den doop, opdat daardoor de gedachtengang van het formulier en zijn uitdrukkingen ons klaarder mogen worden.
Om dezelfde reden hebben wij in het voorafgaande hoofdstuk geen verhandeling over de sacramenten gegeven, maar ons voornamelijk bepaald tot het verschil tusschen de Roomsche sacramentsleer en die der Hervormers, en daarbij de kern van de reformatorische zienswijze naar voren gebracht, wijl deze voor de verklaring van den doop als sacrament van beteekeniis is en zij mede de uitdrukkingswijze van het formulier heeft bepaald.
Gelijk we reeds gezegd hebben, spraken wij eerst van de sacramenten en daarna van het verbond om historische redenen. De reformatorische belijdenisgeschriften hebben geen afzonderlijke artikelen aan het leerstuk van het verbond gewijd, maar wèl aan de sacramenten. Wel wordt het verbond ter sprake gebracht, maar voornamelijk bij de bespreking van den doop, inzonderheid bij de behandeling van den kinderdoop.
Ook in de Institutie van Calvijn is dat het geval. In het tweede boek, als Calvijn handelt over het verschil tusschen wet en evangelie, wordt daar ook gesproken over de overeenkomst en het verschil tusschen het Oude-en Nieuwe Testament en komt als van zelf het verbond der genade hier een oogenblik ter sprake, maar slechts zoó terloops, dat van een verbondsbeschouwing eigenlijk niet gesproken kan worden. Eerst in het vierde boek, als hij handelt Over den doop, bizonder als hij den kinderdoop verdedigt tegenover degenen, die hem verwerpen, spreekt hij uitvoeriger Over het verbond en zijn beloften.
Een ieder kan nagaan, dat dit ook in den Heid. Catechismus het geval is. De sacramenten worden geen bondszegelen genoemd, maar zegelen die dienen om ons de belofte des evangelies des te beter te doen verstaan en te verzegelen, maar als de kinderdoop moet worden verdedigd, komt ineens het verbond te voorschijn en wordt gezegd, dat onze kinderen mede in het verbond Gods begrepen zijn.
Hierin komt op treffende wijze naar voren, dat de Westminster Confessie en Catechismus niet meer tot de reformatorische periode behooren. Want terwijl alle reformatorische belijdenisgeschriften van de sacramenten zeggen, dat zij ons de beloften Gods verzegelen, spreken zij van de sacramenten als van zegelen van het verbond der genade. Niet, dat ik daarmede wil zeggen, dat die spreekwijze onjuist is; de beloften des evangelies, de beloften der barmhartigheid, die zij verzegelen, zijn tenslotte geen andere dan de beloften des verbonds, maar wel kan dit verschil in uitdrukkingswijs leeren, dat deze Confessie en Catechismus reeds een eeuw van hervorming achter zich hebben, een eeuw, waarin de theologische ontwikkeling niet heeft stil gestaan en van welke ontwikkeling men zich thans mag afvragen, of zij de kiemen der ontbinding niet in het laatst reeds in zich droeg.
Eerst wil ik naar voren brengen, wat onze eigen belijdenisgeschriften aangaande deze zaak getuigen, n.l. de Ned. Gel. Belijdenis en de Heid. Catechismus. In art. 34 van de Ned. Gel. Belijdenis wordt gezegd: „Hierom verwerpen wij de dwaling der wederdooperen, die niet tevreden zijn met een eenig doopsel, dat zij eens ontvangen hebben, en daarenboven verdoemen den doop van de kinderkens der geloovigen; dewelke wij gelooven, dat men behoort te doopen en met het merkteeken des verbonds te verzegelen, gelijk de kinderkens in Israël besneden werden op dezelfde beloften, die onzen kinderen gedaan zijn”.
In den Heid. Catechismus luiden vraag en antwoord 74 dus: „Zal men ook de jonge kinderen doopen? Ja; want mitsdien zij alzoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn (men onthoude, dat het begrepen zijn in het veribond Gods en het begrepen zijn in de gemeente van Christus voor den Catechismus gelijkluidende uitdrukkingen zijn) en dat hun (n.l. op grond van dat begrepen zijn in het verbond) door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt, zoo moeten zij ook door den doop als door het teeken des Verbonds der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden, gelijk in het oude Verbond of Testament door de besnijdenis is geschied, voor dewelke in het nieuwe Verbond de Doop ingezet is”.
Geheel daarmede overeenkomende zegt ons doopsformulier: , Daarom heeft God voormaals bevolen hen (n.l. de kinderen) te besnijden, hetwelk een zegel des verbonds en der gerechtigheid des geloofs was, gelijk ook Christus hen omhelsd, de handen opgelegd en gezegend heeft. Dewijl dan nu de doop in de plaats der besnijdenis gekomen is, zoo zal men de kinderen als erfgenamen van het rijk Gods en van Zijn verbond doopen”.
Uit deze woorden blijkt klaar, dat de kinderen hier gezien worden als in hei verbond begrepen te zijn en daarom deelhebbend aan de beloften des verbonds, die hun in den doop verzegeld worden, want „de kinderkens in Israël werden besneden op dezelfde beloften, die onzen kinderen gedaan zijn". Erfgenamen des verbonds worden de kinderen genoemd; daarom hebben zij ook deel aan en recht op de weldaden des verbonds. Dit doet den Catechismus zeggen, dat hun de verlossing van de zonden door Christus' bloed en de Heilige Geest, die het geloof werkt, de twee voornaamste goederen des verbonds, worden toegezegd, beloofd. En het is al weer deze belofte des heils, uit het verbond, waarin zij begrepen zijn, voortvloeiende, die hun in den doop verzegeld wordt.
Deze, men mag wel zeggen, eenvoudige waarheid, willen wij nader uit de reformatorische belijdenisgeschriften staven. We doen dat, omdat men deze waarheid onder ons uit het oog heeft verloren, met een verbondsleer komt, die, geen rekening houdend met de waarachtigheid van Gods Woord en belofte, niet anders is dan een ijdele menschelijke speculatie op het leerstuk der verkiezing en tengevolge daarvan het teeken des doops tot een ijdel en bedriegelijk teeken maakt. Het wordt dan wel een teeken, dat men onder het aanbod van genade leeft en onder de bediening van het verbond, maar het is geen teeken en zegel, dat wij in het verbond begrepen zijn. Het spreekt dan wel van een algemeen aanbod, en de nadruk valt op dat algemeen, maar de doop getuigt niet, dat de beloften des verbonds ons daar beteekend en verzegeld worden. Immers, zoo redeneert men, het verbond is alleen met de uitverkorenen opgericht; zij alleen zijn in het verbond begrepen en de beloften des verbonds komen hun alleen toe. Zij, die niet uitverkoren zijn, zijn nooit in het verbond begrepen geweest en nooit is hun één belofte des verbonds verzegeld; slechts een algemeen aanbod van genade is hun gedaan, dat enkel diende om te openbaren, dat zij de genade niet gewild hebben.
En alsof dit nog niet genoeg ware, durven zij hen, die in hun doop een onderpand van Gods genade zien, wijl zij de beloften, die hun daar verzegeld worden, als waarachtig aanmerken en, wijl toch ook hen persoonlijk geldende, door het geloof aannemen en omhelzen om daarop hun vertrouwen te zetten voor tijd en eeuwigheid, uit te maken voor menschen, die zich zelf bedriegen en misleiden, die zich toeëigenen, wat hun niet toekomt, die Gods genade stelen.
Zoo wordt de doop tot een ijdel en zinledig teeken gemaakt, waaraan een mensch, die worstelt om de vergeving zijner schuld, geen houvast heeft. Wie van Gods volk is in den dag der ontdekking werkzaam geweest met zijn doop ? durft men nog menigmaal te vragen, alsof wij in den levensgang van Gods kinderen en niet in de Schrift het richtsnoer moesten zoeken voor den weg ten leven. En de doop tot een zinledig teeken makende, snijdt men den toegang tot de beloften der barmhartigheid voor een zondaar af. Trouwens de doop en het Woord zijn zoó nauw met elkander verbonden, dat allen, die den doop op zij schuiven als geen gewis getuigenis gevend van Gods barmhartigheid ten onswaart, als vanzelf ook het Woord, het geschreven Woord, op zij moeten schuiven als niet genoeg zekerheid gevend van Gods genade. Een andere en hoogere zekerheid zoekt men thans, dan die het geloof vindt in Gods getuigenis; men staat naar bizondere openbaringen, maakt het werk des H. Geestes los van het Woord en terwijl men van een strijd des geloofs niet meer weet, heeft men al zijn verwachting gesteld op wat er eens in het verleden gebeurd is of in de toekomst nog gebeuren zal met een mensch, in plaats van op Gods Woord en belofte.
Tegen deze geestesstrooming te waarschuwen, acht ik mijn dure plicht, en ik zal, zoo God de Heere mij daarvoor de krachten geeft, daarvan niet aflaten, al word ik dan ook van alle zijden verdacht gemaakt als een remonstrant.
Wanneer het sacrament mij Gods beloften niet meer verzegelt, en ik deze dus ook niet meer als verzegeld door het sacrament geloovig mag omhelzen, tenzij ik eerst weet, dat ik uitverkoren of wedergeboren ben, wordt niet alleen de kinderdoop tot een ijdel en zinledig teeken gemaakt, dat zoo spoedig mogelijk dan dient afgeschaft, maar wordt heel de gemeente weer onder de wet gesteld in plaats van onder de genade.
Zoo leert men in de Gereformeerde Gemeenten, waar men beweert, dat alleen de uitverkorenen in het verbond der genade begrepen zijn en men eerst in dit verbond wordt ingelijfd, als men door een levend geloof Christus wordt ingeplant.
Al de anderen zijn dan onder de wet, want wie niet onder de genade is, is onder de wet. (En toch, o wondere tegenstrijdigheid, roept men ze op tot bekeering, alsof er onder de wet een roep tot bekeering mogelijk was en de wet in plaats van met haar vloek te dreigen, ook nog tot bekeering kan leiden).
De vrucht van zulk een prediking is dan ook niet anders dan een bizonder wettische gezindheid. Men is nu eenmaal onder de wet en tracht de wet daarom nog een klein beetje tevreden te stellen met een leven van raak niet en smaak niet en roer niet aan en wacht onder het dragen van deze lasten op de meest lijdelijke wijze op het oogenlblik, waarin men misschien nog eens wat anders mag leeren kennen.
Men heeft het volk zijn doop ontnomen en in en met den doop de beloften der goddelijke barmhartigheid ; thans zinkt het weg ook in onze gemeenten in de ellende eener geestelijke duisternis, waarin men zich alleen staande houdt door zich binnen bepaalde wettische omheiningen, zooals het houden van het sabbatsgebod, over te geven aan een wereldsche onverschilligheid.
O. a. d. IJssel
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's