DOOD GEWEEST EN LEVEND
„En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijne voeten; en Hij leide Zijne rechterhand op mij, zeggende tot mij: vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; en Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie. Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. Openb. 1 VS. 17, 18b.
Vroeger was het beter dan nu.
Dit moet geleefd hebben in het hart van den ouden apostel Johannes, toen hij uitgebannen uit zijn arbeid in het Evangelie, door de felle Christenhaat van keizer Domitianus, op het kale eiland Patmos gedwongen was te toeven.
Die gedachte zal hem vooral hebben bezig gehouden op dien eersten dag der week, die zoo belangrijk zou worden voor hem als voor de Kerk van alle tijden. In eenzaam peinzen, mogelijk wel starend over de onstuimige golven, treffend beeld van de onrust der wereld en de bewogenheid zijner ziel, zien zijn oogen tenslotte geen verten meer, maar is heel zijn denken beroerd door wat zijn geest zoo bezig hield.
De toestand der wereld, die der gemeenten, en niet minder die van eigen hart, vormt wel een schril contrast met wat eens op een eersten dag der week zich zoo rijk aan beloften openbaarde. Waarin kwam uit de kracht van den Herrezene op dien grooten Opstandingsdag ? Een nieuw begin was toen ingeluid, de groei van het Koninkrijk Gods aangekondigd, alle macht in hemel en op aarde gelegd in de eens doorboorde handen. De harten van Jezus' jongeren waren aangegord met kracht van boven, met de bijzondere genade des Heiligen Geestes. Sterkende kracht, gesproten uit een open graf, bad hen in 't bewustzijn van vergeven schuld, de wereld doen ingaan om Zijn getuigen te zijn. Toen was het feit der opstanding oorzaak van levende hoop en vielen alle bezwarende omstandigheden daarbij weg. Nu echter ziet Johannes meer dan ooit die omstandigheden, waarvoor terug is geweken de kracht der opstanding.
Ja, toen was het beter dan nu.
Een ervaring, die de gemeente Gods van alle tijden kent. Als de eenige ankergrond gevonden is, na op-en nedergang in het werk en den persoon van den eenigen Borg voor zondaren, wanneer „de Heere mijn gerechtigheid" verzwolgen heeft de schuld der verlorenheid, wanneer de moegestreden ziel is neergezonken in Jezus' armen, dan opent zich de mond tot het triomflied der overwinning: „Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? ”
Maar de tijd gaat voort en als dan dat alles komt, en voeg daarbij de niet eer dan in den dood ophoudende kamp van den drievoudigen vijand, satan, wereld en eigen hart, dan kan dat binnenste weer zulk een beeld van verwarring en verwoesting bieden, dan kan men maar niet meer komen bij wat de ziel eens heerlijk verblijdde, dat hoogstens de verzuchting overblijft: „vroeger was 't beter dan nu”.
We weten, wat gebeurd is. Johannes is plotseling uit zijn denken opgeschrokken door het geweldige geluid als eener bazuin, dat hij achter zich hoort. Eén blik achterwaarts is bij machte hem in diepe ontroering en heilig beven als dood te doen neervallen, waar zijn oog ziet een majestueuze verschijning. Als een Koning en Priester, die in Zijn kleeding en gestalte uitbeeldt, dat arbeid en strijd door hem volkomen volbracht zijn, openbaart Zich hier de Levensvorst, eens de Man van Smarten.
Welk een gepaste houding neemt Johannes tegenover Hem in! Maar meer moet ons treffen, dat op hem wordt neergelegd de hand van Hem, Die alle beschrijving te boven gaat, en dat van Diens heilige lippen vloeien de woorden : „vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste ; en Die leef, en Ik ben dood geweest, en zie. Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen”.
In den Romeinenbrief vinden wij een kostelijk woord. Het is dit: „dat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hope zouden hebben”.
Hier in deze woorden uit Openb. 1 hebben we wel een zeer rijke vertroosting der Schriften, waar ze gewagen van Hem, Die niet alleen de Eerste is, als Hij het hart ontsluit en het eerste handen uitstrekken naar den Heere geboren wordt, maar ook de Laatste is. Die voor dat werk instaat en het brengt tot een gezegend einde. En tevens, omdat Hij de Eerste en de Laatste is, ook alles leidt en bepaalt, wat tusschen het begin en het einde besloten ligt. Hij heeft al de leidingen Zijner Kerk in handen, dwingt alle omstandigheden te komen, opdat zij dienen zullen als ontledigende genade, om het hart af te brengen van wat hoort tot het rijk der bewegelijke dingen. We willen zoo gaarne genieten. Als we het afgeleerd hebben, zij het ten deele, ten opzichte van wat zuiver zinlijk is, willen wij het weer ten opzichte van de geestelijke dingen. Maar wat gebeurt dan doorgaans? Dit, dat. wat zuiver toegift is, n.l. de wonder goede tijden in het geestelijke leven, de vreugde in de vordering van het Godsrijk, dreigt te worden de grond des vredes. Dan zetten we daar het hart op. Als bloeit, waarin de goede hand Gods zich voor ons denken kennelijk openbaart, dan worden wij inplaats van ootmoedige, veeleer groote menschen.
En nu is het goed, dat Hij, Die alle macht heeft, dat alles eens volkomen neerslaat, met dit gevolg, dat ons hart de heilige zin daarvan niet verstaat. Het krenkt ons. Zal de Heere voortaan niet meer goedgunstig zijn ? Heeft God vergeten genadig te zijn ? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten?
Bovenal geldt dit in de persoonlijke verhouding van het begenadigde hart en den Heere. Die God is een God, Die nederwerpt, omdat dat hart altijd zich wil verheffen, al kan de mond daarbij ootmoedige woorden spreken. Hij, Die in Zijn eens doorboorde handen de teugels van het wereldbestuur houdt, heeft de geschiedenis gedwongen en daardoor Johannes op Patmos gebracht.
Hij heeft de middelen nog om ook het begenadigde hart tot de ontstellende ervaring te brengen, dat het midden in den dood ligt, dat het los moet laten als grond des vertrouwens, al wat het heeft mogen smaken en genieten, opdat het afleere groot van zich te denken, maar ook opdat het afleere, dat in dat kleine hartje alleen alles moet afgestreden worden.
Er is toch een hemel, die medeleeft met de Kerk Gods op aarde, want in dien hemel is Hij, Die leeft. Die dood is geweest, Die aan de goddelijke gerechtigheid voor doodschuldigen heeft voldaan, maar Zijn werk aan hen niet uit handen geeft. Die als Koning hen regeert met Zijn Woord en Geest, Die als Hoogepriester voor hem pleit. Daarvoor kan Hij wegen nemen die gaan door de zee, en paden, die voeren door diepe wateren, maar alzoo leidt Hjj Zijne kudde. De strijd is gewonnen. Zij behoeft die niet te winnen. Zij heeft de roeping tot de oefening in boetvaardigheid welke niet eer eindigt dan in den dood.
Zij leere in dien weg minder te worden.
Zij moet daarvoor soms dikwijls vallen. En dan roept zij het uit: „vroeger was 't beter dan nu”.
Maar onder eeuwigheidslicht gezien, is dit de weg, waarin Zijn heerlijkheid moet uitkomen, waarin het beven geleerd moet voor Zijn hoogheid, en het schrikken voor eigen onverstand en dwaasheid en schuldige hoogmoed. Dood aan Zijne voeten.
Want dan is het waar, als alles van eigen kant valt, staat Hij. Hij is dood geweest en leeft.
In de Kerk van den Ouden en van den Nieuwen dag openbaart zich op geen andere wijze het leven der genade.
Op Asaf's confessie, „ik was onvernuftig en wist niets", mag volgen: „Gij hebt mijn rechterhand gevat. Gij zult mij leiden door Uwen raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen". Paulus' zielerust, van eigen zijde overschaduwd door de donkere slagschaduw van Rom. 7, ligt tenslotte alleen in Christus, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is. Die ook ter rechterhand Gods is. Die ook voor ons bidt”.
Zoo vat de Kerk van alle eeuwen haar strijd en haar hope samen in de door Johannes zoo heerlijk bevonden zekerheid:
Want God is ons ten schild In 't strijdperk van dit leven, En onze Koning is van Isrels God gegeven
Ede, J.Ch.W.Kruishoop
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's