KERKELIJKE RONDSCHOUW
ANTIREVOLUTIONAIRE STAATKUNDE
Dat is de naam van een tijdschrift. In zooverre behoort dit stukje dus eigenlijk in de Rubriek : Rondom de Leestafel. Maar een heel enkele keer schrijven we — men weet dat — zoo'n artikeltje, rakende een boek, brochure of tijdschrift voor de rubriek : Rondschouw, om dan eens extra de aandacht voor een uitgave te vragen. Het driemaandelijksch wetenschappelijk tijdschrift : „Antirevolutionaire Staatkunde", uitgave van de dr. A. Kuyperstichting te Den Haag, verdient meer bekendheid onder degenen, die zich met principieele staatkundige, economische, ethische vragen en beschouwingen op de hoogte willen stellen. Tal van vooraanstaande mannen, ook buitenlanders, werken er aan mee. En de directe aanleiding tot het schrijven van dit stukske is, dat in bovengenoemd tijdschrift prof. dr. J. Severijn in twee zeer uitgebreide artikelen, die samen een lijvige brochure zouden kunnen vormen, een gefundeerde bespreking en critiek geeft van Brunner's Ethiek : Das Gebot und die Ordnungen.
Graag zouden we al lezende ook opschrijven wat we gelezen hebben, al was 't maar in telegramstijl. Eerlijk gezegd, zijn we er ook mee begonnen. En ons plan was het resumé hier op te nemen, om, voor zoover we dat konden klaarspelen, een duidelijk, zakelijk overzicht te geven van de studie van prof. Severijn, waarin al de vragen van den dag, rakende onze samenleving, aan de hand van Brunner's handboek, besproken worden. Maar — het resumé werd te uitgebreid en we zien er van af het hier te laten afdrukken.
Slechts iets van 't begin, - om een indruk te geven met welke belangrijke studie we hier te doen hebben. Prof. Severijn zegt:
„Brunner wil in z'n boek : „Das Gebot und die Ordnungen", Tubingen 1932, ons een «Ontwerp" eener Protestantsch-Theologische Ethiek" geven. Let op die woorden „Protestantsch" en „Theologisch", want hierin wórdt de karakteristiek gegeven van Brunner's Ethiek. Een theologische Ethiek is uit den aard der zaak confessioneel bepaald ; hierbij moet een bepaalde confessie of belijdenis ten grondslag liggen en spreken. Zoo spreekt men van een Gereformeerde, Luthersche, Roomsche Ethiek enz. Maar let er nu eens op, dat Brunner spreekt van „Protestantsch". Hij neemt de theologie niet in Gereformeerden of Lutherschen zin ; hij zegt, dat hij wil geven een „Protestantsche" Ethiek. Maar wat zegt dat „Protestantsch" ons ? Hij wil kennelijk geen „Roomsche" Ethiek geven, maar óók niet een „Gereformeerde" of „Luthersche". Maar wat dan?
Dat is de eerste vraag, welke zich opdringt aan ons : wat bedoelt Brunner met deze protestantsch-theologische Ethiek?
Hij geeft daarvan rekenschap in de Inleiding op zijn boek ; en zegt, dat hij een Ethiek wil geven van uit het centrum van het evangelisch-geloof ; en hij zegt, dat dit nu sinds de Reformatie voor 't eerst geschiedt.
Dus : uit het centrum des geloofs is deze Ethiek gegeven, naar het Evangelie ontworpen. En 't schijnt dus, dat de Reformatie omtrent het evangelisch geloof niet tot volle klaarheid is gekomen. De dialectische theologie wijst althans in die richting en Brunner meent dat zijn theologische zienswijze juister en beter het geloof des Evangelies uitdrukt dan de reformatoren dat hebben verstaan en vermochten te doen. We krijgen dus iets nieuws”.
Tot zoover ons resumé, dat voor 't oogenblik niets anders bedoelt, dan aandacht, en wel de volle aandacht, te vragen voor 't geen prof. Severijn in „Antirevolutionaire Staatkunde" (Tweede kwartaal No. 1936 enz.) schrijft.
Laten degenen, die lust hebben om een principieele studie te lezen — en die dit soort lectuur verwerken kunnen — zich op dit belangrijke tijdschrift abonneeren, (J. H. Kok, Kampen). Of laat men trachten dit tijdschrift op de bibliotheek, of uit een lees-portefeuille, machtig te worden (ƒ 4..— per jaar). Men zal er geen spijt van hebben.
We hebben noodig, dat „onze" menschen geschoold worden. We hebben een „kader" noodig ; voormannen, leiders, in kleiner en grooter kring, opdat „onze" jonge menschen — ook de ouderen — kunnen meetellen in de rijen. Opdat ze met eere een positie kunnen innemen in het groote, volle, publieke leven, toegerust met de noodige kennis en vaardigheid voor de onderscheidene levenskringen, die de Heere den mensch aanwijst, vragende dat we Hem daar zullen dienen naar de beginselen, welke Hij Zelf ons heeft bekend gemaakt. Gereformeerde menschen willen niets — ook niet in moeilijke tijden, als waarin wij nu leven, waarin soms alles wankel schijnt te staan — weten van „de Doopersche mijding" of ontvluchting van de levensterreinen, die de Heere ons geeft ; veeleer zullen zij er naar moeten staan om „de Gereformeerde wijding" te betrachten en overal uit té komen voor de Waarheid, die naar Gods Getuigenis is. De Heere wil — ook juist in onze dagen — dat we in de vreeze Zijns Naams overal zullen zoeken uit te komen voor de eere Zijns Naams en te getuigen van Zijn Wet en Waarheid. De aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid!
Waar blijven „onze" dokters, „onze" leeraars, „onze" advocaten, „onze" politici, „onze" vul maar in.
We hebben ze noodig. Nu, en straks nog meer. En ze komen ons niet „aanwaaien". Er moet voor worden gewerkt, geploeterd, gestudeerd, gestreden en — gebeden! Aan 't werk.
Met lust tot principieelen arbeid! „Onwetendheid is geen onschuld, maar een verzwarende omstandigheid". Laten we oppassen. Want we zijn altijd zelf mee-verantwoordelijk, als we niet op de hoogte zijn van 't geen we weten en doen moeten!
Kort Verslag Jaarvergadering
Donderdag 15 April mochten we onze Jaarvergadering houden te Utrecht. De belangstelling was ditmaal bijzonder groot, omdat er gewichtige dingen aan de orde waren. En zoo kwam het, dat we, na een oogenblik in de bekende bovenzaal van het Gebouw voor K. en W. te zijn saam geweest, gingen verhuizen naar de groote zaal beneden; dezelfde zaal, waar Donderdag 18 April 1906 de eerste avond-vergadering heeft plaats gehad, waar ds. E. E. Gewin, dr. J. D. de Lind van Wijngaarden, ds. M. van Grieken en de heer L. F. Duymaer van Twist gesproken hebben tot oprichting van den Gereformeerden Bond tot vrijmaking der Nederlandsch Hervormde Kerken. (Zie Gedenkboek, blz. 125 enz.).
Wat ligt er een lange tijd tusschen Donderdag 18 April 1906 en Donderdag 15 April 1937! En wat zijn er in dien tusschentijd vele en belangrijke dingen gebeurd!
De voorzitter, ds. M. van Grieken, van Rotterdam, verzoekt de aanwezigen te zingen Ps. 118 VS. 7 en 8, leest Efeze 4 vs. 11—32 en gaat voor in gebed.
In zijn openingswoord spreekt hij over den weg, dien de Heere heeft gehouden met Zijn Kerk onder Israël en onder de Nieuw-Testamentische bedeeling. Stipt aan de gebeurtenissen met de Oostersche-en Westersche Kerk; wijst nader op de Russische, Duitsche en Spaansche Kerk; zegt dat de Nederlandsche Kerk zoo nauw aan de geschiedenis van ons land en ons volk is verbonden; wijst er op, dat de Nederlandsche Kerk nader aangeduid wordt met den naam Hervormde of Gereformeerde Kerk; zegt, dat de Kerk in dezen lande zoo zeer van de Reformatorische belijdenis is afgeweken; betoogt, dat de nood der Ned. Hervormde of Gereformeerde Kerk het ontstaan van den Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging der Waarheid ten gevolge heeft gehad en het doel van den Gereformeerden Bond daardoor is aangewezen, en wel: om te bevorderen de wederoprichting der Vaderlandsche Gereformeerde Kerk uit haar diepen val, opdat zij meer zal mogen gaan leven naar haar belijdenis. Om de belijdenis gaat het; en om dan onze Kerk te helpen, dat zij in de prediking en sacramentsbediening, niet ja en neen tegelijk zegge; dat zij meer en meer mag komen tot een Gereformeerd kerkelijk belijden en beleven der Waarheid naar Gods Woord, nader omschreven in haar belijdenisschriften.
De Gereformeerde Bond streeft dat doel na in zijn wekelijksch Orgaan „De Waarheidsvriend", door het Studiefonds en door de bijzondere leerstoelen te Utrecht en te Leiden. „En ons ideaal is altijd geweest om een band te leggen in onzen Bond van alle vrienden der Waarheid in onze Nederlandsche Hervormde Kerk, met haar allerwonderlijkst kerkelijk belijden en allerzonderlingst kerkelijk leven, die zich als geloofsideaal voor oogen hebben gesteld de wederoprichting van die Kerk uit haar diepen val, ziende op God, den hemelschen Bouwheer". Daarom zou het ons ook zoo diep smarten — aldus de voorzitter — indien het leven van onzen Gereformeerden Bond bedreigd werd en middelen werden aangewend, om pijnlijk uit elkaar te slaan, die bij elkaar zijn en bij elkaar moeten blijven. En wat nooit onder ons gebeurd is, is nu gebeurd, waartoe de aandrang sterk en de verleiding groot en de verzoeking blijkbaar zwaar is geweest, maar waartegen we als christenen hebben te waarschuwen, om er van af te laten, opdat we in een uur van onbedachtzaamheid niet verderven, wat onder Gods zegen nu jaren en jaren zoo moeitevol is opgebouwd. Maar wij gelooven dat de Heere regeert — en dat stemt ons rustig. Hoewel we ook weten, dat er onder de toelating Gods soms veel kan gebeuren, dat ons groot verdriet en veel schade kan berokkenen; waarvoor wij, menschen, dan ten volle verantwoordelijk zijn en blijven!
„Daarom bevelen wij U en ons den Heere en Zijne genade. Hij make alle dingen wél. En Hij geve, dat we aan het eind van onze vergadering Hem samen mogen danken voor Zijn ondersteunende genade en groote barmhartigheid!”
Na dit ernstige openingswoord, dat onder groote stilte werd aangehoord, werd 't woord verleend aan ds. J. J. Timmer, van Ermelo, tot het houden van zijn aangekondigd referaat:
„DE MOEILIJKHEDEN IN DEN GEREFORMEERDEN BOND.”
De referent sprak ongeveer als volgt:
Op andere Jaarvergaderingen hield men meestal een referaat over een dogmatisch onderwerp. Het Hoofdbestuur heeft gemeend om dit deze keer niet te moeten doen. Het is noodig om eens met elkander te spreken over de huidige moeilijkheden, die zich voordoen.
In deze vergadering zullen niet alle moeilijkheden kunnen worden opgelost, maar daarom worden juist op D.v. 7 Mei de predikanten, die lid zijn van den Gereformeerden Bond, opgeroepen, om aldaar eens een onderlinge bespreking te hebben.
De vergadering was voor de Pers niet toegankelijk.
Spreker meent, dat er niet genoeg is gedacht aan het vermanende woord: „Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askalon". Hieraan is wekelijks niet genoeg gedacht door den redacteur van het „Geref. Weekblad", prof. Visscher. Daar is ook enkele malen niet aan gedacht door enkele leden van het Hoofdbestuur, die in De Waarheidsvriend schreven. Spreker gelooft, dat het meerendeel van de leden van deze manier van bestrijding genoeg heeft. Laat in de toekomst bij alle uiteenzetting van eventueele verschillen, op welk terrein ook, alle bitterheid verre blijven. Op den bitteren strijd van zonen van 't zelfde huis kan geen zegen rusten.
Dogmatische verschillen over Verbond, Doop, Avondmaal en Belijdenis, moeten op een convent met ernst onder de oogen worden gezien, gelijk dit eens in Jeruzalem is geschied. Dus de toestand van samenbinding, waartoe spreker opwekt, behoeft niet over te gaan in doodelijke kerkhof rust.
In De Waarheidsvriend is gelegenheid voor alle welwillenden om het voor en het tegen van alle kanten te belichten. Aller bede mag wel opklimmen: Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die ons geleiden!
Het ontbreekt in Bondskringen volgens spr. aan eenheid van gedragslijn op het terrein van het werk der barmhartigheid. Sommigen van onze Bondspredikanten zijn voorstanders van samenwerking met de Gescheidenen, z.a. Gen. Duymaer v. Twist, ds. Bouthoorn, prof. Visscher, ds. Bartlema en anderen. Doch andere Bondspredikanten gevoelen meer voor de samenwerking met Hervormden, al is het, dat daar de invloed van Confessioneelen en Ethischen weer zoo groot is. We denken b.v. aan ds. v. d. Berg en anderen, die veel gevoelen voor „Zon en Schild" enz. enz. Spreker meent, dat het toch wel eens tot eenheid van gedragslijn zou moeten komen. Het is niet de bedoeling om iemand iets onaangenaams te zeggen, maar alleen te wijzen op de droevige verdeeldheid.
Vervolgens komt spreker toe aan de groote moeilijkheid van de oplossing van hèt kerkelijk vraagstuk. Dat is maar niet de oplossing van de brandende kwestie in onze Hervormde Kerk. Neen, dat gaat om de eenheid van allen, die in ons land wenschen te staan op den bodem der belijdenis. Wie zal het voortwoekeren van den splijtzwam stuiten? De dogmatische ontwikkeling van al die kerkformaties gaat voort. Elk naar eigen richting. Soms zelfs zoó, dat de leiders al waarschuwen voor dreigende deformatie. Denk maar aan prof. Hepp. Zal het een wachten wezen, totdat de oordeelen Gods naar elkander zullen toedrijven al degenen, die uit één beginsel leven? Spreker denkt aan 't woord wat dr. Kohlbrugge tegen ds. Brummelkamp sprak, toen deze hem uitnoodigde om over te komen naar het kamp der Gescheidenen. Hij achtte, dat het zaad der Afscheiding van den Heere Sëbaóth driewerf vervloekt was.
De bede mag wel opklimmen naar omhoog: O, Heere, maak Uw Sion één!
Het Hoofdbestuur wordt wel eens in staat van beschuldiging gesteld in dingen, die zich op kerkelijk terrein 19 a 20 jaar geleden hebben afgespeeld. Wat baat dat nu toch, om daar iedere keer over te beginnen? Van de 9 leden, die toen zitting hadden, zijn er maar 2 meer over. Spreker denkt b.v. aan het Regl. op de Predikantstractementen. Ook het convent, dat in dien tijd van de totstandkoming van dit Reglement opkwam, heeft verder gezwegen. Kerkvoogdijen gingen te Amersfoort accordeeren. Predikanten gingen meedoen. Spreker meent, dat men over die schuldvraag nu maar eens moet zwijgen. Hij is voor vernieuwde actie tegen dit Reglement ten allen tijde te vinden.
Door eens breedvoerig mede te deelen, hoe een reglement tot stand komt, maakte spreker duidelijk hoe weinig invloed onze Bond op de kerkelijke wetgeving bezit. Daadwerkelijk vermogen we niets. Het moet bij protesten blijven.
Alle pogingen om de Proponentsformule te wijzigen of om te komen tot een groote Synode, enz. enz., zijn mislukt.
Door het Gereformeerd Weekblad is in onze kringen de indruk gewekt, dat de Gereformeerde Bond inzake reorganisatie van de Kerk meegaat met „Kerkopbouw" en „Kerkherstel". Spreker verklaart, dat er tusschen ons en „Kerkherstel" en „Kerkopbouw" niet het minste contact bestaat. Met algemeene stemmen is destijds verklaard, dat de Bond zijn eigen weg zou gaan. Van de mannen, die daar aan de bestuurstafel zitten, heeft er niet èèn aan gedacht om geld te leenen aan „Kerkherstel" of „Kerkopbouw". (Men neme nota van deze positieve verklaringen).
Spreker betreurt het, dat ook de indruk is gewekt, alsof het Hoofdbestuur meegaat met het nieuwe reorganisatie-voorstel. In toonaangevende kringen is men van meening, dat dit voorstel niet verder komt dan de Classicale Vergadering. We wachten daarom eerst af, wat de Synode in Mei doen zal. Zoodra de officieele tekst van het eventueel aan te nemen voorstel verschenen is, hoopt het Hoofdbestuur er zich in De Waarheidsvriend positief over uit te spreken.
Het Hoofdbestuur kan niet anders doen, dan vriendelijk verzoeken om met beschuldigingen te wachten tot ons advies gepubliceerd is. Wij zijn van meening, dat het nog, niet zeker is, dat de bruiloft van „Kerkopbouw" en „Kerkherstel" wel doorgaat.
De secretaris wil de beleefde critiek van ds. Bartlema ten zeerste eerbiedigen, 't Spijt ds. B., dat de Bond de conventsgedachte niet heeft willen overnemen.
Spreker zegt, dat hij daaraan nooit zal kunnen medewerken. Zou in steden en zeer groote dorpen deze gedachte nog te verwezenlijken zijn, onze Bondsgemeenten in doorsnee zouden van een verdeeling van beurten en gelden in één dorp tusschen Modernen en Confessioneelen en Ethischen en Gereformeerden niets willen weten. Neen, dan zeggen we: alles of niets.
Laat men zich verder ook nog eens afvragen, hoe iemand op den huldigen dag zou kunnen meenen voor deze gedachte een meerderheid in de kerkelijke besturen te vinden.
Daarna sprak spreker over het Studiefonds. Ethischen en Confessioneelen denken er niet aan om de opleiding stop te zetten of te verminderen. Die weten wel hun mannetjes te plaatsen. Bij ons moeten nog vele gemeenten twee a drie jaren wachten, eer ze een predikant hebben. Spreker ontkent, dat de Studiecommissie bij het verleenen van steun met politieke richting heeft gerekend. Hij roept op tot gebed om wijsheid voor de Studiecommissie.
Ook over de politiek waagt ds. Timmer een woord te zeggen. Hij meent, dat hij dit gemakkelijker doen kan dan menig ander, omdat hij tot geen enkele politieke partij behoort. Hij hoopt zich dit jaar van alle politieke actie te onthouden. Hij wijst er op, dat vele leden van onzen Bond C.H. zijn (denk aan de Veluwe). Zeer velen zijn A.R., wat ze altijd waren, van de oprichting af. Sommigen zijn Staatk. Geref. Anderen zijn H. G. S., weer anderen Chr. Nat. Als elk van deze groepen één of twee Gereformeerde menschen uit onze Hervormde Kerk in de Kamer zal weten te brengen, mogen ze blij zijn. Wat is er dan echter bereikt? Spreker meent van „niets". Dan blijft alles, zooals het is. Of misschien komt het gevaar er door naderbij, dat er een dictator komt, die aan den partijstrijd een einde maakt door alle partijen te ontbinden. Onze macht op politiek gebied is haast verbroken. We beteekenen weinig meer. Er zal in de Kamer met die enkelingen weinig meer worden gerekend.
Waren we één, dan konden we nog wat beteekenen. Nu staan we verdeeld.
Spreker vindt het droevig, dat we het nu reeds zien gebeuren dat in een Bondsgemeente ds. A. komt spreken voor de C. H. ; ds. B., ook een Bondslid, voor de A.R. ; ds. C, ook Bondslid, voor dé Staatk. Geref., en ds. D., ook Bondslid, voor de Chr. Nat., om dan van de partij van ds. Lingbeek maar te zwijgen.
Waar moet dat heen? Spreker weet 't niet.
Spreker wijdt nog een enkel woord aan de verhouding tusschen prof. dr. H. Visscher en het Hoofdbestuur. Het spijt spr., dat die pennestrijd veel te scherp geworden is. In De Waarheidsvriend verschenen enkele stukken, die te scherp waren en veel te persoonlijk, gaande buiten het terrein van discussie. Spr. betreurt het eveneens, dat ook prof. Visscher zich bijkans wekelijks aan dit zelfde euvel schuldig maakt.
Laten voortaan de dingen gezegd worden van weerskanten, met waardigheid, zonder bitterheid.
„De wapens neer!" zij onze leuze.
Laten we elkander vergeven, en vergeten wat misdreven is, en laat door allen het aangezicht van God worden gezocht met de bede: Verzoen de zware schuld, die ons met schrik vervult, en maak Uw Sion één.
Ik heb gezegd.
TIMMER.
De voorzitter dankte den secretaris voor zijn ernstig woord, 't Was voor hem geen gemakkelijke taak om al die moeilijkheden eens onder de oogen te zien.
Van de gelegenheid tot vragen stellen werd gebruik gemaakt door den heer De Bruin, van Hazerswoude, en den heer Beinema, van Den Haag, die door spreker werden beantwoord.
De heer Jansen, lid van de afdeeling Harderwijk, meende het Hoofdbestuur in staat van beschuldiging te moeten stellen wegens zijn slappe houding tegenover den Raad van Beheer.
Een lid van het bestuur van de Vereenigde Protesteerende Kerkvoogdijen, wiens naam mij ontgaan is, merkte op, dat de kerkvoogdijen zich meer moeten aansluiten bij de Protesteerende Kerkvoogdijen.
De middagvergadering werd door den voorzitter geopend door te laten zingen Psalm 25 vers 6. Het resultaat van de stemming was als volgt: ds. Van Grieken 394, ds. Woelderink 423, mr. Verkerk 432, prof. Severijn 426, ds. De Geus 12, ds. Enkelaar 10, de heer Hoogeboom 20, prof. Van Wijngaarden 10, ds. Van den Berg 125, ds. Bouthoorn 109, ds. Vroegindeweij 92, ds. Van Ginkel 1, prof. Visscher 3, ds. Bartlema 13, de heer Aalbers 2, ds. Kievit 1, ds. De Graaf 1, ds. Van Lokhorst 3, ds. Zandt 1 en ds. Pop 1 stem.
De secretaris bracht het volgende verslag uit:
Mijn verslag, hetwelk ik heb uit te brengen in mijn kwaliteit van secretaris van den Gereformeerden Bond, kan na het gesprokene van dezen morgen iets korter zijn.
Het Hoofdbestuur heeft in het afgeloopen vereenigingsjaar 7 maal vergaderd. Bovendien vergaderde de Studiecommissie eenige keeren apart. De besprekingen over de steunverleening aan studenten vragen op iedere vergadering nog al wat van den kostbaren tijd. Doch dit kan nu eenmaal niet anders. De Studiecommissie komt gedurig na breede onderzoekingen met weloverwogen adviezen ter tafel.
Om de studenten in staat te stellen om de Institutie van Calvijn in het Latijn te kunnen lezen, werden een 25-tal exemplaren gekocht van een Duitsche uitgave, zoodat er nu van een tekort aan exemplaren geen sprake meer is. Als de Studiecommissie weer vergaderen zal, zal het de eerste maal wezen dat ds. Batelaan ons niet meer met zijn bezadigden raad en advies zal dienen. Inderdaad heeft een zwaar verlies onzen Bond getroffen. Zijn nagedachtenis zal bij ons in aangename herinnering blijven. Gelukkig, dat we over hem niet behoeven te treuren, als degenen, die geen hoop hebben. Zij de Heere zijne bedroefde vrouw tot een trooster.
Voorts verloren we nog twee predikanten, die lid waren van onzen Bond. Ds. Bruijn, te Heteren, die vroeger ook al een keer bedankte als lid van den Bond, vanwege zijn overgang naar de Confessioneelen, doch daarna weer lid werd, heeft ons opnieuw verlaten.
Ds. Lammerink, van Delft, hield ook op lid te zijn van onzen Bond. Deze Bondspredikant is helaas maar al te zeer gekomen onder den invloed van dr. Snethlage.
Vele jongere predikanten werden lid.
Officieel werden erkend nieuwe afdeelingen te Vaassen en Eindhoven. We hopen, dat ook op het werk dier nieuwe afdeelingen Gods onmisbare zegen moge rusten.
Daar de Gereformeerde Zendingsbond tijdelijk ƒ 8000.— noodig had, heeft het Hoofd-bestuur dit bedrag geleend aan den Gereformeerden Zendingsbond, die voor rente en aflossing zorgen zal. Deze gelden waren noodig voor de Medische Zending.
Wij hebben geen cent geleend aan „Kerkherstel", noch één cent uitgegeven uit de Bondskas voor politieke doeleinden. Men kan dus gerust zijn.
De actie van de Evangelisatie-Commissie vanwege onzen Bond is het vorige jaar geheel in handen overgegaan van een nieuwe uit ons midden opgekomen organisatie.
Moge Gods zegen daarop rusten.
Op voorstel van de afdeeling Harderwijk is door den Bond vorig jaar een schrijven aan de Synode gericht met het verzoek om dr. Snethlage en ds. Boers uit hun ambt te ontzetten, op grond van het feit, dat ze propaganda voeren voor het Communisme.
Aan alle kerkeraden is een schrijven gericht, inhoudende het verzoek, om aan dit voorstel van den Bond adhaesie te betuigen.
Vorigen zomer is aan het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond door verschillende predikanten en andere leden een onderhoud aangevraagd, om eens met het Hoofdbestuur te spreken over allerlei moeilijkheden die zich in ons Bondsleven voordeden. De samenspreking met deze heeren stond in het teeken van hoogen ernst. Allen vonden het allernoodzakelijkst om meer thetisch te arbeiden en de strijdhamers op te bergen. Een der heeren sprak zelfs de wenschelijkheid uit om een bidstond te houden in onze Bondsgemeenten.
Helaas, heeft ook de goed bedoelde poging dier commissie weinig vrucht afgeworpen.
Alle pogingen om weer contact te krijgen met prof. Visscher zijn tot heden helaas mislukt. Op herhaald verzoek om een samenspreking is steeds door hem geantwoord, dat hij niet begeert een samenspreking met ons te hebben. „Het Hoofdbestuur moest zijn bezwaren maar schriftelijk mededeelen”.
Dit is door het Hoofdbestuur niet gedaan. Het wacht nog steeds op de welwillendheid van prof. V. om een onderhoud met hem te mogen hebben.
Allerlei thetische arbeid, o. a. de uitgave van een brochurenreeks over allerlei actueele onderwerpen op dogmatisch terrein, waartoe besloten was, is uitgesteld geworden vanwege de gerezen moeilijkheden.
We danken de vele predikanten, die een beurt hebben vervuld ten bate van onze fondsen.
Wij verheugen ons in de bereidwilligheid van velen om een overdenking voor De Waarheidsvriend te schrijven.
Sommige afdeelingen zonden een keurig verslag; anderen lieten niets van zich hooren.
Moge bij den voortduur Gods zegen rusten op het werk van onzen Bond!
Ik heb gezegd.
J. J. TIMMER, Secretaris.
De voorzitter dankte hem voor al zijn arbeid.
Daarna bracht de penningmeester zijn verslag uit. Het luidde als volgt:
Verslag over het boekjaar 1935—1936.
Begonnen we een vorig verslag op de jaarvergadering met een enkel woord van herdenken van een onzer medebestuursleden, die door den dood van ons werd weggenomen, ook thans zien wij ons voor dezelfde taak geplaatst.
Onze vriend ds. Batelaan ontviel ons kort voor het einde van ons boekjaar, n.l. op 25 Nov. 1936, betreurd door tal van vrienden, inzonderheid door zijn trouwe echtgenoote, die eenzaam achterbleef. Wij hebben mede zijn stoffelijk overschot neergelegd in zijn laatste rustplaats, in de gemeente, waar hij het laatst het eeuwig blijvend Getuigenis uit Gods Woord had mogen uitdragen.
Dat hij met weemoed ook aan deze plaats wordt herdacht, is geen ijdele vorm, doch pure werkelijkheid. Jaren hebben wij van zijn vriendelijke omgang mogen genieten en in onze Commissie voor het Studiefonds van zijn nauwgezetheid in alles de duidelijkste blijken ondervonden. Wat hij vóór stond, had zijn geheele hart en van elk lichtvaardig oordeel was hij geheel vreemd. Niet gemakkelijk zal het ons zijn in dezen zonder hem voort te gaan. Alleen Gods genade biedt ons evenwel waarborg, dat ons werk die bijstand zal geworden, die wij in de toekomst blijken noodig te hebben, als wij het van Hem blijven vragen. Van Hem is dan ook onze eenige verwachting. Leide de Heere ons ook nu verder op den vaak moeizamen weg van de vorming van aanstaande Dienaren des Woords.
De spreekwijze is niemand uwer onbekend:
„God lost Zijn arbeiders af, doch hun arbeid blijft”,
Zoo blijven wij ook onzen arbeid zien als van Godswege ons op de schouders gelegd.
Van dezen arbeid, en dan wel van de stoffelijke zijde bezien, een overzicht te geven, beoogt dit punt van ons program.
Als Penningmeester hebben wij een zekere reputatie op te houden. Want — en nu doe ik een beroep inzonderheid op de ouderen onder u — niemand van dezen zal licht vergeten hoe de eerste drager van deze functie, want dit was eigenlijk wijlen onze vriend Fliehe, elke gaping in de stoelenrij onmiddellijk wist te vullen. Heel de vergadering zette zich tot luisteren. Geen woord werd er gemist. Ernst en humor wisselden elkander af. Liefde tot de zaak van Gods Koninkrijk sprak uit woord en gebaar. Eigenlijk komt voor een zeer groot deel hem de eere toe een der krachtigste werkers te zijn geweest voor den Gereformeerden Bond. Hij had n.l. van God ontvangen die gave, om door zijn eenvoudig woord en met zijn practische wenken oor en hart van ons Gereformeerde volk te treffen. Wij kunnen God dan ook niet genoeg danken voor het rijke bezit, dat Hij ons voor een tijd wou leenen.
Hieraan, geloof ik, is het voor een groot gedeelte toe te schrijven, dat naar het woord van den Penningmeester een luisterend oor wordt gewend. Wij zouden dit kunnen noemen de historische lijn.
Toch is het dit niet alléén.
De post „financiën" beteekent op zich zelf ook iets. Let er maar eens op, wanneer er op de wereld eenige spanning zich voordoet, wordt zulks het eerste geregistreerd bij de beursberichten. Voor stoffelijke dingen blijkt het menschelijk hart zoo uitermate gevoelig. Vandaar kan de wijze raadgeving van den Dichter niet ontbreken: „zet er het hart niet op". Gaven, losgerukt van den stam, in dezen van den Gever, zijn altijd wrang en bitter, terwijl van een rijpe vrucht gezegd kan worden: deze wordt door een onzichtbare hand losgemaakt en is een streeling voor oog en tong beide.
Zoo is naar onze innige overtuiging het tot nu ook aangevoeld door wien de financieele regeling van de zaken van den Gereformeerden Bond was toebetrouwd. 's Heeren hand was daarin duidelijk te onderkennen. Boven alle verwachting is de Bond in staat gesteld om dat te doen, wat in den beginne door geen onzer werd gedacht te zullen bereiken, zelfs niet in afzienbaren tijd. Wanneer de opmerking door meer dan éen buitenstaander is gemaakt, dat er verborgen krachten blijkbaar wegschuilen in dat Gereformeerde volk, zoo zullen wij dit niet tegenspreken. Alleen deze toegevoegde wijziging in voorstelling dient te worden aangebracht:
’t Is Isrels God, Die krachten geeft, Van Wien het volk zijn sterkte heeft.
Vandaar wat er op volgt:
Looft God, elk moet Hem vreezen.
Uit deze bron welt eene offervaardigheid, die beschaamd maakt Wanneer ons dan ook de vraag wordt voorgelegd, waaruit het medeleven van onze menschen voortkwam, zoo zou ik geen ander antwoord durven geven dan: „dat is Gods werk geweest". En wat nog zoo voortdurend mij met stille hand wordt toegelangd, draagt geen ander stempel. Vandaar blijve onze verwachting op Hem gericht, terwijl de bede opklimt:
Verlaat niet wat Uw hand O, Levensbron, Wil bijstand zenden. begon,
Zoo alleen wordt het verleden, het heden en de toekomst veilig gesteld. Wat het verleden ons bood hebben wij met een enkel woord aangegeven. Wat het heden geeft, zijt ge lichtelijk benieuwd te mogen vernemen.
Mag ik de gedachtengang, in breeden kring voorkomend, eens in teekening brengen?
„Dat zal wel niet veel anders kunnen inhebben dan wat het referaat in zijn titel ons reeds voorhield: moeilijkheden". De tijdsomstandigheden waren voor onze menschen vooral niet beter dan in de jaren, die achter ons liggen. Gij hebt gelijk.
En toch zal het u niet tegenvallen.
Hebben wij bij een vorig jaarverslag van ons voornemen melding gemaakt om veiligheidshalve aflossingen te bedingen op onze panden, waarop hypotheek was gegeven — als resultaat hiervan mag thans worden aangewezen, dat hiertegen vrijwel over heel de linie geen bezwaren werden geopperd. Hierdoor wordt de zekerheid van ons bezit niet weinig versterkt.
Evenzoo is niemand der hypotheek-nemers achtergebleven met rente-betaling. Ook dit mag als een gunstig verschijnsel worden aangemerkt. Lang niet ieder mag van zulke uitkomsten gewagen. Met dank aan God, mogen wij met blijdschap hiervan nota nemen.
Geldt dit de staat van ons bezit in den vorm van hypotheken, met het oog op het eenig onroerend goed, een huis, dat reeds in de jaren, dat door wijlen collega Jongebreur was overgenomen, heb ik, om geen al te hooge schatting te doen, 1000 gulden afgeschreven (op de balans), zoodat als waarde hiervan thans 6000 gld. staat aangegeven.
Wij vermeenen, dat hiermee de werkelijke waarde meer wordt benaderd. Mocht tot verkoop van dit pand, om welke oorzaak dan ook, worden besloten, zoo behoeft dit niet met zorg tegemoet te worden gezien. Voorzichtigheid is altijd, inzonderheid thans, een gebiedende eisch.
Ook De Waarheidsvriend heeft van zijn gunstige reputatie dit jaar maar weinig ingeboet. Natuurlijk is het batig saldo wel iet of wat lager, daar door onderscheidene lezers vanwege de tijdsomstandigheden niet het abonnement ten volle kon worden betaald. Waar dit in werkelijkheid zoo bleek, werd door ons altijd een tegemoetkomende houding aangenomen. Was men geheel onmachtig, zoo werd hun het blad gratis toegezonden. Een vriend mag nooit struikelen over een te hooge drempel. Winst maken van ons bedrijf is in deze ongeoorloofd.
Met opzet maken wij melding van deze onze zienswijze omtrent ons blad. Mochten er evenwel onder onze meer-bezittende abonné's worden gevonden, die deze vermindering van inkomsten door middel van ons blad, niet dan met een zekere schroom, om geen straffer woord te gebruiken, hebben aangehoord, zoo wil ik dezen wel een gelegenheid aanwijzen om deze achterstand in te halen, n.l. door één of meer abonnementen voor hun rekening te nemen.
Thans komen die posten aan de orde, die voor zich een anderen naam opvorderen. Mochten wij tot nu spreken over vaste goederen, wat zich thans aandient, bestaat uit collecten, uit giften, uit inzamelingen door middel van busjes, uit legaten, m.a.w. hier zit een heel andere gedachte voor, n.l. wat ons op onze tafel wordt gelegd door vriendenhand. Daaromtrent valt van te voren niets te zeggen. De striktste lijdelijkheid moet hier worden betracht.
Wij zullen met het laatstgenoemde beginnen. Van een tweetal vriendinnen, de eene woonachtig in Hoogeveen, de wed. Zuring, en de andere, mej. Kleingeld, te Rotterdam, bleek ons dat zij bij hun leven den Gereformeerden Bond een klein legaat hadden vermaakt. Van den Notaris te Hoogeveen kwam bericht in, dat ons 200 gld. kon geworden, en evenzoo van den uitvoerder van de laatste wil van mej. Kleingeld, dat ons 125 gld. kon worden uitgereikt.
Met groote erkentelijkheid jegens God, Die daartoe hare harten had geneigd, werd hiervan nota genomen. Het stemt tot weemoed, dat weer twee van zulke stillen in den lande van ons zijn heengegaan. Uit wat zij bij haar laatste wil hadden bepaald, blijkt ons zeer duidelijk haar medeleven omtrent de verkondiging van het Evangelie van Gods genade in Christus. Zij dit een troost voor wie haar met droefheid mogen nastaren.
Alzoo mogen wij met een post van giften aanvangen, welke een vorig jaar ontbrak. Aan legaten staat thans op onze rekening een post van ƒ 325.—.
Waar door mij reeds ééne post werd opengelegd, kan ik gevoegelijk de andere doen volgen. Laat mij, om geen verkeerde verwachtingen bij u op te wekken, reeds dadelijk opmerken, dat over heel de linie zich wel eenigszins de tijdsomstandigheden afspiegelen. Bijna alle posten zijn iets lager.
Zoo sluit onze exploitatie met een batig saldo van ruim 4000 gld., juist weergegeven ƒ 4174.12.
Evenwel moet ik dadelijk hieraan iets verbinden. De voorzichtigheid in dezen betrachtend, gelijk aan ieder Christus-belijder betaamt, voor wien elke willekeur in doen en laten dubbel wordt aangerekend, is onze zorg op dezelfde wijze tot uitdrukking gebracht als bij een vorig jaarverslag door ons werd gemeld. Wij hebben een post van afschrijving op onze balans gebracht, om elke mogelijke schade, zoo niet geheel te voorkomen, toch zoo miniem mogelijk te maken.
Gekomen aan het einde van ons zakelijk overzicht, zou ik hiermee kunnen besluiten. Toch heb ik nog een enkel ding op mijn hart.
Dank te willen oogsten voor iets, wat ons van Hooger hand werd toebetrouwd, vind ik al hoogst gevaarlijk ; denk maar weer aan den regel: 't Is Isrels God, Die krachten geeft, van Wien het volk zijn sterkte heeft, en daarop volgt, zooals we reeds hebben opgemerkt: Looft God, elk moet Hem vreezen.
Dat is het eenige adres, waar dank mag worden betuigd, maar wat ik wel zou willen, wat wel een mijner liefste wenschen is, dat geen verdachtmakingen, in welken vorm ook, worden geuit, waarvoor elke grond bij eenig onderzoek ter plaatse, blijken zou geven niet te bestaan.
Wij willen hier, omdat ons deze plek hiervoor in de allereerste plaats schijnt aangewezen, betuigen, dat noch door ons in het heden, noch door ons in het verleden, als Bestuur van den Gereformeerden Bond ooit gelden zijn gegeven noch geleend aan eene corporatie, waarvoor de Algemeene Vergadering geen opdracht of last had verstrekt.
Zulke aantijgingen te lezen, doet denken aan boos opzet, aan lust om ons mooie werk, dat door onze tegenstanders wordt aangemerkt als een bizonder voorrecht, te gronde te richten, in het ergste geval, — in ieder geval ons werk hoogelijk bemoeilijkt.
Is er iets, dat voor verbetering of voor correctie in aanmerking komt, zoo brenge men dit in behoorlijke vorm ter kennis van het Bestuur of van de betrokken Commissie, welke hiervoor door de vergadering werd gemachtigd.
Is dit het eerste, wat ik op het hart heb, wat ik hierop laat volgen is dit, dat men zich wel rekenschap geeft, door aan de meening voedsel te geven, dat in de naaste toekomst eene inzameling van gelden voor steun aan studeerende jonge menschen niet meer noodig zou zijn, niet weinig schade wordt aangebracht aan onze actie in 't geheel.
Vooreerst zal elk zakelijk onderzoek uitwijzen, dat nog bij lange na niet is voorzien in de directe behoefte aan Gereformeerde Bedienaren des Woords. Het aantal vacaturen in de Ned. Hervormde Kerk, wat de Gereformeerde gemeenten betreft, beteekent nog altijd meer dan 20% van haar aantal in 't geheel. Nog afgezien van het feit, dat Gods wonderdoende hand nog altijd blijkt deuren te kunnen openen, die door ons als vergrendeld werden beschouwd. Afgezien van het feit, dat door alle groepeeringen, geen een uitgezonderd, alle krachten worden bijgezet om zooveel mogelijk candidaten aan te voeren. Geeft dit ons geen aanwijs? Onze arbeid blijft ons aller aandacht vorderen èn om het heden èn om wat de komende tijden ons noodwendig zullen voorleggen.
Van de Kerk wordt in onze dagen veel meer gevorderd dan in vervloten jaren. Voornamelijk komt dit uit in de grootere plaatsen. De aanwas in de steden, en evenzoo die plaatsen, die wat inwonersaantal daarvoor kunnen doorgaan, is zoo geweldig, dat elke dominé naar hulp moet omzien. Zoo ziet ge dan ook èn bij de Ethischen èn bij de Confessioneelen een staf van medewerkers in den vorm van hulppredikers. Candidaten of emeriti predikanten verleenen hier gereede hulp.
Waarom ontbreekt bij ons deze assistentie?
Om de doodeenvoudige reden, dat deze bij ons zich nooit melden.
Als de organisatie bij ons was, zooals zij behoorde te zijn, zoo hadden wij als Gereformeerde dominé's in de eerste jaren nog geen schijn van kans. Naar eiken candidaat van Gereformeerden huize zouden minstens het dubbele aantal gemeenten de handen uitsteken, zoodat er voor hulppredikers niemand restte. En toch is het mijn vaste overtuiging, dat de arbeid in onze Gereformeerde gemeenten, of in de groote stadswijken, waar een Gereformeerde dominé staat, grootelijks zou worden gediend door de hulp van genoemde krachten. En ook omgekeerd, de gemeenten zouden van hetgeen door de jonge mannen was geleerd, niet weinig bate ondervinden.
In ditzelfde verband wil ik nog op één ding uw aandacht vestigen.
Het vraagstuk der Evangelisaties, dat tot nu het beginstadium van oplossing nog niet eens heeft bereikt, wil ik volledigheidshalve niet ongenoemd passeeren. Bij het stellen van ééne vraag zal ik het laten, n.l.: Zou hier niet in de eerste plaats naar voorgangers dienen te worden omgezien, die de bevoegdheden hadden van elken Bedienaar des Woords ? Tot nu toe wordt in deze leemte voorzien door elken Zondag een anderen dominé uit zijn eigen gemeente te noodigen, en verder gebruik te maken van een godsdienstonderwijzer.
De meer linksche groepen kennen deze toestand niet. Daar volgt de eene dominé den andere. Zonder het te willen, worden bij ons moeilijkheden in het leven geroepen, waarvan wel het begin maar niet het einde is te voorzien.
Nog heb ik het einde niet. 'k Heb nog veel meer. Ge moet me nu nog even verdragen. Door Gods wonder bestel is aan denzelfden kring, waaruit wij stammen, een arbeidsveld in het midden van onzen schoonen Archipel aangewezen om hier den arbeid in Gods Koninkrijk te behartigen. De Gereformeerde Zendingsbond heeft zulks tot nu met groote toewijding en niet ongezegend gedaan. Doch nu dringt zich de vraag aan mij op, of hier niet een Dienaar des Woords alleszins op zijn plaats zou zijn. Eén of meer. 'k Zou het niet alleen van harte toejuichen, maar ik zou een werkzaam aandeel willen zien genomen om ook tot dit deel van de Indische Kerk straks met een aanbod te kunnen (willen) komen: ziet, hier een of meer jonge mannen, die zich geven willen voor het heerlijk werk van de Bediening des Woords en der sacramenten in deze landen.
Heb ik hiermee enkele perspectieven aangegeven, aan het einde van mijn wenschen ben ik nog niet.
En hier vlakbij èn tot in wijde verten zie ik onafgebroken kringen, waarin onze geestelijke en stoffelijke steun gevraagd zal worden. Dreigt de Zending — en nu denk ik uitsluitend aan die Corporatie, welke tot onze eigen kringen behoort — in nood te geraken, zoo moeten zij weten: hier is een voedingsbodem; hier leven zonen van hetzelfde huis, die met u één zijn in nood, één in gebed, één in het geloof, en vertrouwen op Gods genade in Christus Jezus onzen Heere.
’k Noem dit het eerste, omdat ik meen, dat dit vele harten roert, doch wat hiermee gelijken tred houdt, is de nood in onze naaste omgeving. Ik zie komen, dat meer dan eene gemeente in ons Vaderland de steun zal behoeven van ons als Gereformeerden Bond.
’k Mag thans niet langer beslag leggen op uw gehoorgang. Alleen wil ik dit nog eenmaal herhalen.
Teveel candidaten hebben wij nog niet, nog niet in afzienbaren tijd. Ik vermeen: nooit. Teveel steun, èn in geestelijken èn in stoffelijken zin, is zoo mogelijk nog grooter absurditeit. Wat het stoffelijke betreft, wil ik dit alleen opmerken: Als ik lees, wat een Prot. Bond voor kapitalen heeft uitstaan, zoo zeg ik: wij reiken nauwelijks, wat hoogte aangaat, tot aan hun knieën.
Wat liefde voor de zaak betreft, daaromtrent koester ik alleen deze gedachte, als aangewakkerd wordt en niet gebluscht, als niet bij menschen, maar bij God Almachtig hulp wordt gezocht, zoo is de toekomst voor ons Gereformeerde volksdeel nog lichtend en onze arbeid Gode verheerlijkend.
Ik heb gezegd.
De voorzitter dankte ook hem ten zeerste voor al zijn arbeid.
Door het Accountantskantoor Groenhuizen is de boekhouding in orde bevonden.
Ook ds. De Geus, die spreekt namens de commissie, die de boeken had na te zien, verklaarde, dat het een lust was om alles zoo keurig in orde te zien.
De herkozenen nemen allen hunne benoeming aan. Prof. Severijn deelt mede, dat hij de benoeming zal aannemen, omdat de eenheid van ons Gereformeerde volk zulks eischt.
Ds. Bouthoorn, van Harderwijk, deelde mede, dat het schrijven van de afd. Harderwijk, waarbij andere candidaten werden aanbevolen, buiten zijn medeweten aan sommige afdeelingen verzonden is.
Ds. Bartlema vraagt aan den voorzitter, wat deze er mede bedoelde, als hij zeide, dat de zaak niet alleen onder de ouderen, maar ook onder de jongeren kapot wordt gemaakt.
De voorzitter deelde mede, dat zich ook in den Jongelingsbond wel degelijk moeilijkheden voordoen. Ds. De Geus, secretaris van den Jongelingsbond, is bereid om in De Waarheidsvriend of in De Vaandrager deze zaak op welwillende wijze in het reine te brengen.
De heer Mekenkamp, van Harderwijk, deelt mede, dat hij ook van de verzending van de geheime circulaire niet op de hoogte was ; wel meent hij te moeten verklaren, dat in zijn oogen het Hoofdbestuur in vele zaken nalatig was.
De heer Brinkers brengt verslag uit over den arbeid van de Commissie van Actie. Het verslag luidt als volgt:
Geachte Vergadering,
Bij dezen bieden wij U ons vierde jaarverslag aan. Wij begonnen ditmaal onze arbeid met in September een buitengewone vergadering te houden in dezen zin n.l., dat twee Hoofdbestuursleden, t.w. de voorzitter en de penningmeester, aanwezig waren.
Hierover verblijden wij ons, omdat door overleg en bespreking van veel en velerlei, dit de eenheid ten goede komt. Onze Commissie is immers geen zelfstandig lichaam in onzen Bond, doch een orgaan, dat het Hoofdbestuur wil helpen in het belang van onzen Gereformeerden Bond. Vandaar dan ook het nauwe contact, dat er bestaat tusschen beide. Na bovengenoemde vergadering kwamen wij nog driemaal samen. Spraken wij van eenheid en contact — geachte Vergadering — wees er van overtuigd, dat de vrienden Maarleveld en De Groot, met ondergeteekende, vervuld zijn met een doel en met een streven in het belang van onzen Bond. Zeer sterk komt dit wel uit op onze vergaderingen.
Wat betreft de vragenlijsten, we zouden de nalatige afdeelingsbesturen wel vriendelijk willen verzoeken: zend ons die toch ingevuld p.o.g. terug. Het meerendeel doet dit ook op lofwaardige wijze, doch anderen laat, enkelen zelfs in 't geheel niet. Laat ons toch alle menschen van goeden wille zijn in het belang van een gezond vereenigingsleven.
Op enkele plaatsen hebben we getracht het aantal lezers van De Waarheidsvriend te vermeerderen. Deze actie bleef wel niet vruchteloos, doch het resultaat hadden wij gaarne grooter gezien, overtuigd, dat ons Bondsblad nog veel en véél meer in ieders handen moet komen.
Het aantal Nieuwjaarsgroeten, geplaatst in De Waarheidsvriend, overtreft de voorgaande en is mede vrucht van onze opwekking.
Evenals voorgaande jaren, heeft de voorzitter van onze Commissie op onderscheidene plaatsen een onderwerp ter bespreking ingeleid. Op de afdeelings-vergaderingen geschiedde dit te Rotterdam, Hillegersberg, Vlaardingen. Kampen en Maassluis, terwijl te Garderen voor een flink aantal belangstellenden gesproken werd.
Dat wij zeer gaarne meerderen willen bereiken, blijkt wel uit onze beknopte stukjes in De Waarheidsvriend.
Vrienden, de Commissie wil voortgaan op den ingeslagen weg, n.l. blijven opwekken tot meerdere activiteit. Het zal onzen Bond ten goede komen en de eenheid der broederen bevorderen. Dit is wel vóór alle dingen noodig, zullen wij als Gereformeerden nog iets beteekenen. Laat ons daarom als één man zoeken het welzijn van onzen Bond.
Onder inwachting van Gods zegen versagen wij niet en roepen u toe, doet ook gij, wat uwe hand vindt om te doen. Wilt gij daarbij onze hulp inroepen, weet, dat gij dit niet te vergeefs zult doen en het ons tot groote voldoening zal zijn!
P. BRINKERS.
De voorzitter dankt de heeren Brinkers, Maarleveld en De Groot voor al hun arbeid.
Daarna kwamen de Haagsche voorstellen aan de orde. Aan sommige dier voorstellen werd adhaesie betuigd door de afd. Schoonhoven, Bodegraven, Zeist en Harderwijk. Bijna geen adhaesie werd betuigd aan voorstel II. Het is tijdens de vergadering door den voorzitter der afdeeling ingetrokken.
Het voorstel, om de politiek uit De Waarheidsvriend te houden, maakte de tongen los. Aan de discussie namen deel ds. Spelt, de heer Beinema, de heer Duymaer van Twist, de heer Berghout, de heer Zacht, ds. Holland en ds. Rijnsburger en eenige anderen.
Resultaat was dat partij-politiek zal worden geweerd, doch dat principieele voorlichting door het meerendeel werd gewenscht.
Nu komt Voorstel III van de Haagsche afdeeling aan de orde. Dit houdt in een verplichte aftreding van de leden van het Hoofdbestuur na een bepaalde zittingstijd.
De Voorzitter vraagt of de afdeeling Den Haag het goed vindt om drie afdeelingen aan te zoeken om de technische wijziging der statuten voor te bereiden.
De heer Langkamp stelt voor, dat de statuten heelemaal niet gewijzigd zullen worden, doch dat het zal blijven gelijk het is. Een overgroote meerderheid verklaarde zich hier voor.
Nu kwam aan de orde het voorstel Zeist om op de jaarvergadering de verschillende verslagen niet voor te lezen, doch die vooraf te publiceeren om meer tijd te winnen op de jaarvergadering.
De voorzitter zegt, dat hij het zeer aantrekkelijke verslag van den penningmeester niet gaarne zou missen. Ds. Bartlema trekt het voorstel in.
Ds. Spelt klaagt, dat er geen tijd wordt gegeven om zich te uiten. De voorzitter antwoordt dat door het hoofdbestuur juist een heele dag is bepaald om aan ieder juist wel gelegenheid te geven om zich te kunnen uiten.
Uit het midden der vergadering wordt gevraagd, hoe het staat met opleiding van doctoren in de theologie. De penningmeester deelt mede, dat hij in die richting al het mogelijke doet.
De heer Arendsen uit Ede klaagde, dat er door de afdeeling te Ede zoo weinig vergaderd is. De voorzitter geeft hem den raad om het afdeelingsbestuur te verzoeken om sprekers te vragen.
Nadat Ps. 133 : 1 was gezongen, sloot secretaris met gebed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's