STAAT EN MAATSCHAPPIJ
GEEN BEGINSEL, MAAR TACTIEK
Er wordt in den laatsten tijd heel wat gepraat en geschreven over de geestelijke vrijheid.
Voor het behoud van dit groote goed staan zelfs de Soc.-Democraten gaarne op de bres.
Men zou haast zeggen, dat er geen grootere voorstanders en bewonderaars van de vrijheid zijn dan de Socialisten.
Echter de liefde voor de vrijheid komt bij deze menschen meer uit tactische dan uit principieele overwegingen voort. De Sociaal-Democraten worden uit vrees voor het Communisme en het Nationaal-Socialisme gedwongen om tijdelijk van positie te veranderen.
In wezen toch zijn de Sociaal Democraten, de geesteskinderen van Marx, evenals de Communisten en de Fascisten, tegenstanders der vrijheid.
Wat in Rusland gebeurt, waar de oppertiran Stalin heerscht en het volk in slavernij en angst leeft, omdat niemand weet, of hij niet te avond of morgen door een verraderlijk schot zal vallen; of wat in Duitschland plaats heeft, waar nog onlangs de leider van de Hitlerjeugd verklaarde, dat geen andere Jeugdorganisatie in het Duitsche rijk kan geduld worden dan die der Nationaal Socialisten, met het gevolg dat de Christelijke Jeugdactie ten doode is opgeschreven en in welk land een ieder, die te dien opzichte tegenstreeft, in een concentratiekamp wordt opgeborgen, zoo is het ook gesteld met de vrijheid in die landen, waar de Socialisten het voor het zeggen hebben.
Zoo worden in Frankrijk christenarbeiders gedwongen lid te worden van de roode organisaties op straffe van van de openbare werken te worden verjaagd. Zelfs werd in de Fransche Kamer geklaagd, dat deze arbeiders, bij weigering, van hun leven niet zeker waren.
In het roode Denemarken is 't niet anders.
In het orgaan van het Christelijk Nationaal Vakverbond werd er dezer dagen de aandacht op gevestigd, dat de Sociaal Democraten in Denemarken weinig blijk geven van liefde voor de geestelijke vrijheid.
De Gids, het weekblad van het genoemd Vakverbond, schreef daarvan in het nummer van 1 April j.l. het volgende:
„Het is onzen lezers uit vroegere mededeelingen bekend, dat in het „democratische" Denemarken door de Sociaal Democratische Vakvereenigingen, er Nationaal-Socialistische totalitaire practijken op na worden gehouden.
De Vakvereenigingsvrijheid kent men in Denemarken niet. 't „Rood of geen brood" is daar sinds jaren in toepassing gebracht.
Het Kristeligt dansk Faellesforbund kan dan ook niet tot grooten groei komen. Alleen bij die werkgevers, die niet behooren tot de Algemeene Werkgeversvereenigingen en daardoor niet door een collectief contract met de roode organisaties gebonden zijn, kan men leden hebben.
Desondanks is er de laatste jaren eenige vooruitgang. Sedert 1927 is de werkloozenkas van het K. de F. door den Staat erkend en ontvangt deze subsidie.
Nu echter de (tegenwoordige regeeringspartijen niet alleen in de Tweede, maar ook in de Eerste Kamer de meerderheid hebben, heeft een der eerste maatregelen, die men neemt, ten doel, het K. de F. te treffen. Er is een wiiziging voorgesteld in de wet op de werkloosheidsverzekering, waardoor, indien deze wijziging van kracht wordt, de werkloozenkas van het K. de F. de erkenning zal verliezen en dan ook geen subsidie meer ontvangen zal.
Dit is te erger, waar daarvan ook het gevolg zal zij, dat de arbeiders, aangesloten bij het K. de F., dan niet te werk testeld zullen kunnen worden bij door den staat uitgevoerde of gesubsidieerde werken. Bij deze werken worden n.l. slechts arbeiders te werk gesteld, die verzekerd zijn in een door den Staat gesubsidieerde werkloozenkas".
Nu zou men op grond van het standpunt, dat de Sociaal Democraten ten onzent met betrekking tot de geestelijke vrijheid zeggen in te nemen, mogen verwachten, dat het orgaan van de Arbeiderspartij deze ergerlijke broodroof in Denemarken, gepaard met onderdrukking door een Socialistisch ministerie, zou afkeuren.
Doch dit is niet het geval.
Integendeel, het blad van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij plaatst zich geheel aan de zijde van zijn Deensche partijgenooten. Het acht het zelfs de natuurlijkste zaak der wereld, dat aldus tegen een minderheid wordt opgetreden. Spottend merkt het blad op, dat het Christelijk Vakverbond in Denemarken een mager bestaan lijdt, eigenlijk niet eens een Vakvereeniging is en dat het dus alleszins te begrijpen is, dat de Deensche Regeering optreedt, zooals zij dit deed.
En dan moet men noodig spreken over een mager bestaan van de Christelijke arbeidersactie in Denemarken, wanneer algemeen bekend is, dat tengevolge van terreur de Christelijke arbeiders in dat land bevreesd zijn geworden zich in eigen Vereeniging te organiseeren.
Zoo ziet men wat geestelijke vrijheid in den mond van Sociaal Democraten beteekent.
De Socialisten bij ons zijn niet anders en denken niet anders dan de geestverwanten over de grenzen.
Het is niet het beginsel, dat spreekt, maar de tactiek, die beslist.
Het Christelijk volksdeel weet wat het te wachten heeft, wanneer het niet eendrachtig optrekt tegen deze zoogenaamde vrienden van de vrijheid.
Laat men dit toch in deze tijden goed verstaan.
HET LID OP DEN NEUS
Hoe weinig de openbare onderwijzers nog verzoend zijn met het door de Tweede Kamer aangenomen ontwerp betreffende „nadere voorschriften inzake stichting van scholen" — het concentratie-ontwerp — blijkt wel uit hetgeen Het Schoolblad, orgaan van het Nederlandsch Onderwijzersgenootschap, schrijft over de openbare beraadslagingen, welke over dit wetsontwerp in de Tweede Kamer zijn gehouden geworden.
Zooals bekend is, behandelde de Tweede Kamer het concentratie-ontwerp in de avondvergadering der Kamer van 18 Maart. Ook een gedeelte van den nacht was met de afdoening van het ontwerp van wet gemoeid.
De redactie van Het Schoolblad spreekt nu in een artikel, dat zij aan deze aangelegenheid wijdt, over de nacht van 18 op 19 Maart, als van de zwarte nacht.
Het blad laat zich daarbij als volgt over de zaak uit:
We hebben thans de Handelingen doorgelezen van de avondzitting der Tweede Kamer op 18 Maart 1937. Onze indruk, dat de Kamer door de wijze, waarop zij de onderwijsvoorstellen heeft behandeld, noodwendig van haar aanzien bij de voorstanders van openbaar onderwijs moet hebben ingeboet, is er in belangrijke mate door versterkt. De Kamerleden die krachtens hun politieke beginselen voorstanders zijn van de openbare school, hebben o. i. door mede te werken aan dit er door jagen van de beide ontwerpen 234 en 353 (de wijziging van de Lager-Onderwijswet 1920 en de nadere voorschriften inzake stichting van scholen) en door hun zwijgzame medewerking (n. 1. het toelaten van aanneming zonder hoofdelijke stemming) wel een zeer groote verantwoordelijkheid ten opzichte van de positie der openbare school op zich genomen. De aanneming van het tweede ontwerp, officieel betiteld als „nadere voorschriften inzake stichting van scholen" — in werkelijkheid beter aan te duiden als: gelijkschakeling van het openbaar aan het bijzonder onderwijs — kunnen wij niet anders zien dan als een misdrijf tegen de bij de Grondwet gewaarborgde positie der openbare school.
Men ziet, „Het Schoolblad" blaast hoog van den toren, een zwarte nacht en een misdrijf tegen de bij de Grondwet gewaarborgde positie der openbare school.
En dit alles het gevolg van het destijds optreden der voorstanders van het openbaar onderwijs in de Tweede Kamer, die een kuil wilden graven voor het bijzonder onderwijs.
De openbare onderwijzers krijgen thans het lid op den neus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's