KERKELIJKE RONDSCHOUW
VRAGEN, DIE AAN DE ORDE ZIJN
Herhaalde malen zijn er tal van vragen in onzen kring aan dé orde gesteld. Wie zal ze in een oogenblik formuleeren? Wie zal ze zelfs maar ordelijk noemen? Wie zal er een antwoord op geven?
Toch zijn die vragen er, betrekking hebbend op ons kerkelijk leven, of althans met ons kerkelijk leven verband houdend. En daarom is het goed, zich deze dingen te realiseeren en te trachten lijn te krijgen in de vragen, en te trachten, dat ze ten minste ordelijk aan de beurt van bespreking komen. Dan is er ten minste eenige kans, dat we van elkaar gaan weten, hoe we over deze dingen hebben te oordeelen. En dan moeten we ons niet voorstellen, dat het ons inééns gelukken zal meer éénheid van gedachten — ook voor het practisch kerkelijk leven — te verkrijgen. Maar de aanhouder wint. En als we van elkander willen leeren, komen we allicht iets verder.
Het kerkelijk vraagstuk zal breed gezien moeten worden. Het gaat niet alléén om de Hervormde Kerk. Maar om de Kerk. Om de Kerk, die nu in dezen lande zoo verschrikkelijk, zoo pijnlijk, zoo zondig verdeeld leeft en zoo verscheurd is. Er zijn reeds zoovele beslissingen gevallen! Er is reeds zooveel gebeurd! Wat we als feit hebben te aanvaarden, maar waarbij we de oorzaken en de beweegredenen moeten opzoeken, eerlijk bespreken en bij het licht van Gods Woord, onder de leiding des Heiligen Geestes, hebben te bespreken. Tegelijk als we b.v. vragen: is de daad van '34 in de Afscheiding goed of verkeerd geweest, hebben we te vragen hoe de toestand en de houding van de Hervormde Kerk is geweest. En zoo ook wat betreft de Doleantie van 1886. Gelijk de kwestie van Geref. Kerken en Chr. Geref. Kerk ook weer 200 breed mogelijk en zoo eerlijk mogelijk zal moeten worden onderzocht, enz.
Dan komt de geschiedenis van 1816, met de Synodale Besturen-Organisatie.
De belijdeniskwestie, vóór 1816, bij de oplegging van de Besturen-Organisatie en op heden
De kwestie van Organisatie stelt de kwestie van re-organisatie; met alles wat er aan vast zit. Waarbij de onderdeden, b.v. de verkiezing van Synodeleden (Groote Synode), de positie van de Walen, de Commissie van Voordracht voor de benoeming van Kerkelijke Hoogleeraren, de kwestie van Bestuur en Beheer enz., belangrijk zijn.
Over de kwestie Kerkeraad — Kiescollege wordt telkens gesproken. Het vrouwenkiesrecht. Over het Reglement op de Predikantstractementen, het Reglement op de Pensioenen, wordt gediscusseerd.
Vragen naar de Vereeniging van Kerkvoogden en de Federatie van Diaconieën worden telkens herhaald.
Hoe hebben we te staan tegenover 't werk der barmhartigheid en de Herv. Vereenigingen en Herv. Stichtingen?
Hoe moet onze houding zijn bij de beweging: de Bijbel op de Openbare School? en het godsdienstonderwijs, op de Overheidsschool te geven?
Waar moeten we met onze Herv. Scholen met den Bijbel aansluiting zoeken: bij Christelijk Volksonderwijs, bij Christelijk Nationaal Schoolonderwijs, bij Geref. Schoolverband?
Hoe staat het met het catechetisch onderwijs? Welke onderwijsmethode, welke klasseindeeling, wie komen er ter catechisatie en wie niet, wat zijn de resultaten; wat leeren de enquete's, die gehouden zijn en welke onderzoekingen zijn nog noodig in deze?
Hoe staat het met het jeugdwerk in onze kringen?
Hoe moet onze houding zijn ten opzichte van z.g.n. jeugddiensten?
Hoe staat het onder ons met de Evangelisatie-gedachte ? en de Evangelisatie-practijken?
Hoe staat het met het instituut: hulpprediker; en met de kwestie:
godsdienstonderwijzers?
Hoe moet onze houding zijn inzake het predikambt in onze Overzeesche Bezittingen in Oost-en West-Indië?
Hoe zal zich ons Zendingswerk verder moeten ontwikkelen in verband met gemeentestichting en de dienst des Woords en der sacramenten?
Hebben we jonge menschen, die studeeren en ons straks kunnen dienen als leidslieden?
Hebben we behoefte aan uitbreiding van onze Academische opleiding wat betreft de andere faculteiten: om te komen tot het bezit van meer christelijke juristen, medici, leeraars, enz. enz.?
Hebben we behoefte aan eigen studiewerken en handboeken; aan een eigen brochurereeks voor kerkrechtelijke, dogmatische, ethische, staatkundige vragen en kwesties? en zoo ja, hoe komen we er aan?
Zoo zouden we nog wel even kunnen voortgaan. Maar het is voor 't oogenblik genoeg. Anderen zullen nog wel andere kwesties weten en noemen, 't Kan geen kwaad. We moeten eerst het terrein maar eens rustig verkennen. Dan zal er werk genoeg zijn.
Misschien, dat de Predikantenvergadering van a.s. Vrijdag 7 Mei — de dag dus na Hemelvaartsdag — een stuk vooruit kan brengen.
Wat we hartelijk hopen.
DE NIEUWE KERKELIJKE HOOGLEERAAR?
Ds. A. B. te Winkel, die jaren lang lid van de Synode is geweest, langen tijd 2de voorzitter, schrijft in de Kroniek van „Onder Eigen Vaandel" over de kwestie van de benoeming van een kerkelijk hoogleer aar op een zoodanige wijze, dat we op die manier midden in de kwesties worden gezet; wat wel eens goed is. We nemen dan ook gaarne uit de Kroniek over:
„De benoeming in de vacature van wijlen prof. Van Veldhuizen met alles wat daarbij gebeurd is, mag aan alle kanten opmerkelijk worden genoemd. Natuurlijk wordt niet bedoeld om iets af te doen van de kwaliteiten van dr. Fokkema, den benoemde. Meer dan eens heeft hij op een voordracht gestaan, en terecht. Hoogstens zou men kunnen vragen, of een jongere kracht niet meer gewenscht was. Dat hij bedankt heeft. Waarschijnlijk om de belangen van Oegstgeest, laat wel zien, hoe hij een man van karakter is, die offers weet te brengen”.
„Voor zoover wij weten, is het in de historie slechts éénmaal gebeurd, dat iemand bedankt heeft voor de benoeming tot kerkelijk hoogleeraar. Dat was het geval bij wijlen dr. A. W. Bronsveld. Maar toen stond voor de deur het feit, dat de Amsterdamsche Universiteit geen kerkelijke hoogleeraren meer zou begeeren". (Lees : de Amsterdamsche Gemeenteraad).
„Over de Commissie van Voordracht en haar werk is door de jaren heel wat geschreven'. Men heeft haar vergeleken met een pauselijk conclave, of ook wel met St. Nicolaas, die gaarne verrassingen brengt. Wij hebben discussies bijgewoond, waarin men vroeg, of dat nu bij uitstek de mannen waren, die konden aanwijzen de menschen, die wetenschappelijk de beste kwaliteiten hebben”.
„Laat ons eerlijk verklaren" — aldus ds. te Winkel — „dat in de laatste 25 jaren de Commissie eer van haar werk heeft gehad. Drie der kerkelijke hoogleeraren zijn in de laatste 20 jaar benoemd tot Staats-hoogleeraar" (bedoeld zijn: prof. Aalders te Groningen en de heeren Van Rhijn en Brouwer te Utrecht). „De overigen worden met eere genoemd" (bedoeld zijn: prof. Haitjema, prof. Korff, prof. Sevenster, prof. Berkelbach van den Sprenkel en prof. de Vrijer).
„Of er dan niets valt op te merken ? Meer dan overvloedig". En dan wordt herinnerd aan een Ingezonden Stuk in de N. Rt. Ct., waarin aan 't adres van de Ethischen o. i. terecht zéér scherpe verwijten worden gedaan, vanwege de ergerlijke „partij-politiek". Hebben de Ethischen soms de wijsheid in pacht? zoo werd gevraagd. Zooals men vroeger aan de Liberalen kon vragen, die buiten eigen kring niet anders dan „duisterlingen, achterlijken, domme botterikken enz." zagen wandelen!
„Echter is er nog veel meer", schrijft ds. te Winkel, die het weten kan, omdat hij zoo dikwijls mee aangezeten heeft aan de ronde tafel Javastraat 100, Den Haag.
„Wie wel eens benoemingen van dezen aard heeft medegemaakt, kan zich haast voorstellen, hoe het, zoowel in de vergadering van de Commissie van Voordracht, als in die der Synode, gegaan is. Alle kwaliteiten zijn van verschillende heeren genoemd. De adviezen der kerkelijke hoogleeraren medegedeeld. Prachtige aanbevelingen. Maar — ziet u, er wordt ook heel veel niet genoemd. En het niet genoemde kon nog wel eens meer den doorslag geven dan het genoemde". „Misschien is het wèl genoemd in een vóórvergadering. Want er is óok kerkelijke politiek. En niet zoo weinig. De Commissie van Voordracht is nog juist in meerderheid orthodox. Wij maken ons sterk, dat er óók een aanbeveling werd . gegeven, goed gedocumenteerd, van een Confessioneel man. En ja, Miskotte kon niet gepasseerd. Dat sprak vanzelf. En dat er in de hoogleeraars-adviezen een woord ten gunste van Sevenster zou gesproken worden, lag voor de hand". „Maar een of meer der orthodoxe leden wilden toch blijkbaar niet, dat er een Confessioneel op zou komen. Neen, neen, dat niet. Liever een Vrijzinnige, dan zoo'n Confessioneel". „Dat is niet gezegd. Of misschien ook wel, maar dan met een andere argumentatie dan dat hij Confessioneel was. Misschien wel met de argumentatie: als het een andere vacature gold”.
Zoo was er dus geen Confessioneel doctor theologiae op de voordracht gekomen, om eventueel naast en met prof. Haitjema te Groningen te werken. Wel een moderne candidaat. 't Was nu geworden: Fokkema, Miskotte, Sevenster. Maar.... de moderne maakte niet veel kans, als. . . . . . . . . .
Hoe is 't nu toegegaan bij de benoeming in en door de Synode (die aan de voordracht gebonden is)? Ds. te Winkel schrijft:
„Ja, we weten wel, dat we aan het gissen zijn. Maar we willen toch wel even iets mededeelen. Toen de uitslag der Synode bekend was, hebben wij ook gegist. Wij zeiden tot iemand: „dat is waarschijnlijk gebeurd bij eerste stemming". Hij wist het niet. Maar als onze inlichtingen juist zijn, dan is dr. Fokkema bij eerste stemming gekozen". „Dat wil zeggen, dat een bepaalde groep dadelijk dr. Fokkema heeft gestemd. Als dat 'niet gedaan was, dan mocht het bij een eventueele herstemming nog eens gebeuren, dat een ander, dien men per se niet wilde in die groep, zou benoemd worden”.
„Het is alsof wij heel de gevoerde discussie hooren. Daar is lang niet alles gezegd. Neen, alles is heelemaal niet gezegd. Zelfs op zijn stembriefje heeft men niet alles gezegd. En prof. Fokkema is benoemd”
„Nu deze bedankt heeft" — zoo besluit ds. te Winkel — „kan het spel weer opnieuw beginnen. Het is er niet gemakkelijker op geworden voor die groep. Laten zij er maar heel sterk aan denken, dat een hoogleeraarsbenoeming geen spel is. Het is heilige ernst. Het is werk van het allerhoogste belang. Het is werk, dat heel nauw in verband staat met den opbouw der Kerk. Het gaat om méér dan het belang van de studenten aan de Universiteit van Groningen. De gemeenten, die zij zullen dienen, staan er niet buiten. En de Kerk, waarvan deze gemeenten een onderdeel zijn, ook niet”.
Wij zouden zeggen, zelfs staat heel het kerkelijk vraagstuk, dat veel breeder is dan de grenzen van de Hervormde Kerk, er mee in verband. Zoó belangrijk is het.
Het instituut van de Commissie van Voordracht zou voor ons al een oorzaak kunnen zijn, om over het kerkelijk vraagstuk in eigen kring te spreken. Zooals ook de positie van de Walen. Zooals ook de samenstelling van de Synode zelve. Zooals zooveel van deze dingen.
Intusschen zullen we in den kring van de Hervormd-Gereformeerden goed doen, te zorgen voor een paar knappe theologen, die straks in de wetenschappelijke wereld en in onze kerkelijke kringen het vertrouwen mogen winnen.
Want we moeten hout hebben, waaruit flinke dominé's kunnen worden gesneden ; maar we moeten ook hout hebben, waaruit men een hoogleer aar maken kan.
Daarom vonden we het heel best, dat, op onze laatste Bondsvergadering, van meer dan één kant er op aangedrongen werd, dat de Gereformeerde Bond ook voor het vérder studeeren van knappe jonge menschen een open oog zou hebben. Waarop onze penningmeester zoo hartelijk ja en amen kon zeggen!
DE KERK (2)
Na artikel 27, dat handelt over de ééne eenige heilige algemeene Christelijke Kerk — komt artikel 28, dat handelt over de verplichting van de levenden aan een bepaalde plaats om zich bij de ware Kerk te voegen en daarbij getrouwelijk te blijven. Van die schuldigheid om zich bij de ware Kerk te voegen, spreekt artikel 28 aldus :
Ten eerste:
„Wij gelooven, aangezien deze heilige vergadering de vergadering is dergenen, die zalig worden, en buiten haar geen zaligheid is, dat niemand, van wat staat en kwaliteit hij zij, zich op zich zelven mag houden, om met eigen persoon tevreden te zijn”.
Geen geloovige mag een zelfgenoegzame, eenzame eenling zijn.
Want het tweede stuk zegt:
„Maar allen met elkaar moeten er zich toe voegen en mede vereenigen, onderhoudende de éénheid der Kerk, zich onderwerpende aan haar onderwijzing en tucht, den hals buigende onder het juk van Jezus Christus, en dienende tot de opbouwing der broeders, naar de gaven, die God in hen gelegd heeft, als gemeenschappelijke leden van een zelfde lichaam".
De saamhoorigheid der levende geloovigen op deze aarde moet aan alle plaatsen, waar ze wonen, uitkomen. Niemand behoort zich op zichzelven te houden. Allen zijn ze schuldig zich bij de Kerk te voegen, bij de ware Kerk, die Christus belijdt en zich voegt naar het Woord. Allen moeten onderhouden de éénigheid der ware Kerk.
Maar dan moet men ook luisteren naar het derde deel van dit 28ste artikel, waar we lezen:
„En opdat dit te beter mocht onderhouden worden, is het de schuldige plicht van alle geloovigen volgens het Woord Gods, zich te onttrekken en af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn, en zich te voegen tot deze vergadering, op welke plaats ook dat God haar gesteld heeft, ook al zouden de Magistraten en de plakkaten der vorsten zich daartegen verzetten en al zou dood en lichamelijke straf er van afhangen”.
En opdat de ernst van die heilige plicht en roeping om de éénheid van het kerkelijk leven te betrachten en te bewaren meer nog gevoeld zal worden door alle geloovigen, die al hun zaligheid verwachten in Christus, en gewasschen zijn met Zijn bloed en verzegeld zijn met Zijn Geest, zegt artikel 28 in de vierde plaats:
„Daarom al degenen, die zich van de ware Kerk afscheiden en zich niet bij haar voegen, doen tegen de ordonnantie of het bevel Gods”.
Het is dus geen onverschillige zaak, als geloovige op zichzelf te blijven, of zich aan
de Kerk aan te sluiten. Niemand, die onder de Waarheid leeft en dezelve lief heeft, mag op zich zelf blijven, maar is geroepen zich bij de Kerk te voegen en bij de andere belijders van den Naam des Heeren, die Christus liefhebben en Zijn Woord beminnen, aan te sluiten.
En zoo krijgen we dan ter plaatse (want de geloovigen wonen niet in alle landen en in alle plaatsen tegelijk, maar zijn aan één land en aan één plaats gebonden) de Kerk des Heeren. Men hoort bij elkander, omdat men hetzelfde geloof in Christus kennen mag en daaruit leven mag; omdat men bij elkander behoort, op grond van-éénheid van geloof en belijdenis. De bede van Christus, dat zij allen één zijn, moet ook onze bede zijn. En Gods volk mag wel hartelijk treuren over de breuke tusschen de dochteren Sions!
De Kerk is de draagster der Waarheid, aan wier onderwijzing en tucht, gegrond op Gods Woord, men zich gewillig hebbe te onderwerpen.
Daaruit blijkt, dat niet iedere Kerk de draagster der Waarheid is. De Kerk, die zelve alle zaligheid verwacht in Christus en zich houdt aan Gods Woord, is een pilaar en vastigheid der Waarheid. En de ware geloovigen voelen zich daar thuis. De Gemeente is de levende tempel Gods, Zijne woonstede op aarde, waar de geloovigen zingen van de lieflijkheid der samenwoning. Ps. 133: „Gij zijt de tempel Gods, Ik zal in hun midden wonen en Ik zal onder hen wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mij een volk zijn". 2 Cor. 6 vers 16.
De geloovigen zijn geroepen hunne gaven en krachten, hun van den Heere geschonken, te besteden ten dienste van elkander. „Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden alle niet dezelfde werking hebben, alzóó zijn wij velen één lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden. Hebbende nu verscheiden gaven, naar de genade die ons gegeven is, zoo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate des geloofs, hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert in het leeren — in blijmoedigheid" (Rom. 12 : 4—8; 1 Petrus 4 : 10; 1 Cor 12, enz.). 1 Cor. 1 : 10 : „Maar ik bid u, broeders! door den naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt en dat onder u geene scheuringen zijn, maar dat gij samengevoegd zijt in een zelfden zin en in een zelfde gevoelen”.
Daarvoor moet men volharden in de leer der Apostelen (Hand. 2 vs. 42—47) en zich geheel onderwerpen aan het juk van Christus (Matth. 11 VS. 29); levend uit één geloof, door één Geest herboren, één weg bewandelend en één doel voor oogen hebbend.
Maar dan mogen de geloovigen zich niet voegen tot hen, die kennelijk niet van de Kerk zijn, doch zich voegen bij en vereenigen met hen, die aan de kenmerken der ware Kerk beantwoorden.
Of we dan eindelijk niet alléén komen staan, als we ons eindeloos blijven afscheiden?
Dat gevaar is niet denkbeeldig. Vooral wanneer men de gemeenschappelijke Kerkschuld vergeet en in zelfgenoegzaamheid alleen z'n weg wil gaan; wanneer men den geloofsstrijd schuwt en met allerlei bijoogmerken, in hoogmoed, afscheiding zoekt; of met minachting van anderen z'n medebroeders en zusters den rug toekeert; of als men verkeerde gedachten heeft, die gaan in de richting van een volmaakte Kerk. De apostel Jacobus zegt: „Wie dan weet goed te doen en niet doet, dien is het zonde" (4 vs. 17). En Paulus schrijft: „Maar wij die sterk zijn, zijn schuldig, de zwakheden der onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen" en „Zoo dan laat ons najagen hetgeen tot den vrede en hetgeen tot de stichting onder elkander dient" (Rom. 15 vs. 1; 14 vs. 19). Als de Heere de Kerk den scheidsbrief nog niet gegeven heeft, mogen wij wel voorzichtig zijn haar den rug toe te keeren, temeer, als we saam met Daniël te belijden hebben, met beschaamdheid des aangezichts, onze ongerechtigheden, en den Heere oorzaak geeft, om op Hem te hopen in Zijn trouw en goedheid.
Maar de Waarheid boven alles.
En als 't noodig is, zelfs geen vrees voor Magistraten of Overheden, voor straffen en pijnigingen, zelfs niet voor den dood!
„En Ik zeg u, mijne vrienden: Vreest niet voor degenen, die het lichaam kunnen dooden en daarna niet meer kunnen doen. Maar Ik zal u toonen, wien gij vreezen zult; vreest Dien die, nadat Hij gedood heeft, ook macht heeft in de hel te werpen. Ja, Ik zeg u, vreest Dien!" (Lukas 12 vs. 4, 5, 6—9; Lukas 9 VS. 24—26; Joh. 15 vs. 18—21 enz.).
„Zijt dan getrouw tot den dood en Ik zal u geven de kroon des levens" (Openb. 3 vers 11).
Getrouw in geloof en belijdenis.
Getrouw in liefde tot de Kerk, om haar te helpen en te schragen, te dienen, te zegenen, te herstellen, op te bouwen.
„Och, HEERE, God des hemels, Gij groote en vreeselijke God, Die het verbond en goedertierenheid houdt dengenen, die Hem liefhebben en Zijne geboden houden: laat toch Uw oor opmerkende en Uwe oogen open zijn, om te hooren naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israels, Uwe knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben: ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd. Wij hebben het ganschelijk tegen U verdorven en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uwen knecht Mozes geboden hebt" (Nehemia 1 vs. 5—7).
Wij — Wij!
Ook ik en mijns vaders huis
Wij hebben gezondigd.
En dan hooren we Nehemia zeggen: „God van den hemel, die zal het ons doen gelukken, en wij. Zijne knechten, zullen ons opmaken en bouwen" (Nehemia 2 vs. 20).
„Om des huizes des HEEREN onzes Gods wil zal ik het goede voor U zoeken". (Psalm 122 VS. 9).
En dat Jeruzalem, het Huis des Heeren, zien wij voor ons, ieder onzer, in een bepaalde vorm, waar we geboren zijn, gedoopt zijn, belijdenis hebben gedaan — al onze zaligheid verwachtend in Jezus Christus.
Maar dan zal men ook naarstiglijk uit het Woord Gods moeten onderscheiden, welke de merkteekenen zijn der ware Kerk, — en waaraan de valsche Kerk zich doet kennen.
Daarover handelt artikel 29,
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's