De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De eeuwige Voorbeschikking Gods

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De eeuwige Voorbeschikking Gods

7 minuten leestijd

door HANS ENGELLAND.
II.
Hans Engelland schrijft dan over : De beteekenis van de eeuwige Voorbeschikking Gods voor het Christelijk leven, voor de Christelijke leer en voor de verkondiging des Woords, als volgt:
Wij ergeren ons aan den God van den Bijbel, omdat deze „de God Abrahams, Isaacs en Jacobs" is. Onze Duitsche ziel verzet zich tegen den God van een vreemd Ras.
In werkelijkheid is dit protest van ons bloed tegen het vreemde bloed slechts een zeer klein deeltje uit den grooten strijd des menschen tegen God. Het is slechts een schaduw van het hartstochtelijk verzet, dat, onafhankelijk van volk en ras, ieder mensch biedt, als God hem tegenkomt. De God van het Christelijk geloof, van het Oude en van het Nieuwe Testament, heeft een natuur, welke het hart des menschen verontrust, en die daarom onwillekeurig de menschen van alle volk en ras tot overmoedig verzet brengt. Deze haat wordt ook gewekt door het raadsbesluit Gods, om uit alle volken der aarde er één enkele uit te kiezen. God openbaart Zijn wil aan één volk, geeft dit Mozes en de profeten en ten laatste Zijn Zoon, om door Hem niet alleen Israël, maar de gansche wereld met Zich te verzoenen. Dit recht, dat God Zichzelven toeeigent, en waarmede Hij vrij over onze hoofden heen, de heilsgeschiedenis in een bepaald volk vastlegt, en aan een Kind uit dit volk wereldverlossende beteekenis schenkt, is datgene, wat ieder mensch zonder onderscheid van stand of rang, van volk of ras, wat den mensch in den mensch tegen den God des Ouden en Nieuwen Testaments, tot in het diepste van de ziel, opzet.
De Christenen hebben de algemeen menschelijke tegenstand tegen deze vrije beschikking Gods in zichzelven overwonnen en op deze Goddelijke Verborgenheid „ja” gezegd.
Maar de Bijbel getuigt nog méér van God, niet alleen het Oude Testament, maar ook het Nieuwe, en wel met een eenstemmigheid en duidelijkheid, die geen twijfel openlaat. Op deze plaatsen stijgt de vrije beschikking Gods tot op een duizelingwekkende hoogte en de haat des menschen tot op haar kookpunt. Het is het antwoord van den Bijbel op de zeer persoonlijke vraag: Heeft God mijn lot van eeuwigheid af voorbeschikt en onveranderlijk vastgelegd, óf maakt Hij het op een of andere wijze van mijn gedrag afhankelijk? Wordt mijn eeuwig lot in eenige mate door mij medebeïnvloed? Kan God een mensch verwerpen, niet omdat de mensch het misschien verdiend heeft, maar omdat God nu eenmaal zoo gewild heeft? Wil God dus misschien niet het eeuwige heil aller menschen, maar óók de eeuwige verwerping van sommigen, zonder terugblik op hun gedrag, geheel onafhankelijk daarvan, of zij ja of neen tot Hem zeggen? Is in laatste instantie God verantwoordelijk voor 't eeuwige verderf des menschen?
Op deze vragen antwoordt Paulus in Rom. 9 en herhaalt daarmede de beschouwing van het Oude Testament : God heeft Jakobs verkiezing en Ezaus verwerping besloten, éér zij geboren waren en goed of kwaad hadden kunnen doen. „Ik zal Mij ontfermen, wiens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, wien Ik barmhartig ben. Zoo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods. Zoo ontfermt Hij zich dan wiens Hij wil en verhardt wien Hij wil. Gij zult dan tot mij zeggen : Wat beschuldigt Hij dan ons. Wie kan Zijn wil wederstaan? Maar o mensch, wie zijt gij, die tegen God richten wilt. Zal ook het maaksel tot dengene die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzoo gemaakt? Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem om uit denzelfden klomp zich te maken het ééne vat ter eere en het andere ter oneere? ”
Zulke woorden ontmoeten wij niet alleen bij Paulus, maar ook bij Jezus zelf, vooral in Zijn gelijkenissen, b.v. in de gelijkenis van den Zaaier of in den slotzin van de gelijkenis van het groote Avondmaal: „Velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren". Daarom, spreekt Jezus dikwijls over de uitverkorenen en zegt Hij met het oog op Zijn wederkomst deze ontzaglijke woorden: „Maar Ik zeg u, in dienzelfden nacht zullen er twee op één bed zijn, de ééne zal aangenomen en de ander zal verlaten worden. Twee zullen er tezamen malen, de ééne zal aangenomen en de ander zal verlaten worden. Twee zullen er op het veld zijn, de ééne zal aangenomen en de ander zal verlaten worden”.
Wij merken onmiddellijk: deze woorden in het Nieuwe Testament brengen iets onberekenbaars en daarom iets verontrustends, iets angstigs in het beeld Gods. Het is, alsof God zich in een ondoordringbare duisternis terugtrekt. God wordt voor ons verborgen. Hij heeft Jakob liefgehad en Ezau gehaat, nog vóór zij zich voor of tegen Hem konden onderscheiden, ja, nog vóór zij zelfs geboren waren. Moet de gelijkenis van het leem en den pottenbakker dan woordelijk worden genomen? Is de mensch in Gods hand dan werkelijk en waarachtig slechts klei, een deel van een klomp leem? En wordt hij dan door God niet als een zedelijke persoonlijkheid, als een verstandig wezen geacht en behandeld, maar als een zaak, een onpersoonlijkheid ? Waar blijft dan de verantwoordelijkheid ? Behoort het niet tot het wezen en tot de waardigheid der menschelijke persoonlijkheid, dat God niet willekeurig over hem beschikt, maar hem noodigt, hem om zijn vrijwillig ja bidt, en hem daarmede de verantwoordelijkheid geeft? Heeft Paulus alle zedelijke gezichtspunten vergeten, om God te maken tot een medoogenlooze Willekeur, en om den mensch van zijn waardigheid te rooven?
Deze Bijbelsche opvatting van onzen toestand voor God krenkt en beleedigt den mensch zoó diep, dat zelfs Christenen ze niet verdragen. Eerlijke Christenen hebben zich aan dezen God zoozeer geërgerd, dat zij Hem uit het Oude Testament en ook uit het Nieu­we Testament trachtten weg te schrappen. Zij hebben gedaan, wat de bewoners der Noordzee-eilanden deden tegen de woeste zee; zij hebben dijken aangelegd, om zich te beschutten. Of, met een ander beeld: zij hebben bliksemafleiders op het dak gezet, om de verderflijke bliksemstraal naar de aarde te leiden en onschadelijk te maken. Zij hebben Romeinen 9 slechts vaag uitgelegd : zeker is volgens Paulus niet het goede en het booze werk beslissend voor de aanneming of verwerping door God, maar daarmede is niet gezegd, dat Gods genade en toorn aan geen enkele voorwaarde gebonden zijn. Deze voorwaarde is onze ontvankelijkheid, of onze onontvankelijkheid. Wanneer wij Zijne genade niet aannemen willen, straft God ons met de verwerping. Zijn handelen geschiedt dus niet zonder grond, los van elke voorwaarde, maar is steeds zedelijk juist en door het gedrag van den mensch gemotiveerd. (Tholuck, Hofman, Godet).
Of men heeft gezegd: Paulus spreekt in de woorden over Jakob en Ezau niet van hun eeuwige zaligheid en verderf, niet van den status spiritualis, maar van den status externus, dus van hun tijdelijk beroep en lot. (Bengel).
Of men verklaart: Paulus wil niet van de dubbele Voorbeschikking Gods spreken, maar hij wil ons door zijn scherpe woorden den trots benemen, waardoor wij in ootmoedige stemming het 11e hoofdstuk van den Romeinenbrief zullen lezen. Romeinen 9 heeft slechts deze voorbereidende beteekenis voor Romeinen 11. (E. Weber).
Of men wijst met Karl Barth en Paul Althans de verkiezing en verwerping van bepaalde groepen van menschen af ; Paulus zou met de verkiezing en verwerping niet verscheidene, maar alle menschen bedoelen : ieder mensch is onder Gods toorn en genade, ieder mensch is verworpen en uitverkoren. [„De dubbele voorbeschikking is de verborgenheid des menschen, niet die voor dezen en genen. Zij maakt geen onderscheid tusschen deze en gene menschen, maar zij vormt hun diepste overeenkomst. Tegenover haar staan allen op éénzelfde lijn. Tegenover haar is Jakob op ieder oogenblik van den tijd ook Ezau, en is Ezau in het eeuwige oogenblik der Openbaring ook Jakob. Jakob is de onzichtbare Ezau en Ezau is de zichtbare Jakob". Karl Barth, de Romeinenbrief, 1924, en P. Althans, Theologische Opstellen, 1929. Toch heeft Althans deze opvatting in den laatsten tijd opgegeven: „God is niet gebonden, zich te ontfermen. Hij kan zonder eenigen anderen grond dan Zijn wil, verlaten wien Hij wil, verwerpen, wien Hij wil". Kort Begrip der Dogmatiek, 2e deel, blz. 162, 1932].
Wij wagen het niet, door zulke uitleggingen aan het Nieuwtestamentische Woord het bedreigende en het verontrustende te ontnemen, en willen naar de omstandigheid vragen waaronder — en naar de bedoeling waarmee — het werd uitgesproken.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De eeuwige Voorbeschikking Gods

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's