STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE OPLEVING (1)
Het begint zoo langzamerhand duidelijk te worden, dat de wereldcrisis in haar hevigsten vorm voorbij is en dat door Gods gunstig bestel betere tijden in aantocht zijn.
Men hoort toch van opleving in de bedrijven, van verbetering der economische toestanden, van vermindering der werkloosheid.
De groote vraag, die zich echter thans voordoet, is deze, of de crisis de volken voldoende levenskracht heeft doen overhouden om zónder groote schokken zich aan de nieuwe toestanden, die op komst zijn, aan te passen.
Nu zijn wij te dien opzichte niet geheel gerust. Wanneer wij toch uit de bladen kennis nemen van de ongunstige verschijnselen, die zich in de geheele wereld voordoen, ditmaal niet als gevolg van de crisis, maar als oorzaak van de spanning en onzekerheid, waarin de volken tengevolge van allerlei omstandigheden: internationale verwikkelingen, revolutionaire gezindheid der bevolking, enz., verkeeren, dan zien wij de toekomst, ondanks dat gunstiger tijden zijn ingeluid, weinig optimistisch tegemoet.
De arbeidsmoeilijkheden in Amerika, de actie van de communisten en nationaal-socialisten in Frankrijk en België, de voortgezette burgeroorlog in Spanje, het zijn alle symptomen van de moeilijkheden, waarmede de wereld te worstelen heeft en die de levenskrachten der volken uitputten.
Doch daarbij komt nóg iets.
Namelijk de slechte toestand der financiën van de verschillende Rijken, en de onzekerheid, welke ten aanzien van de monetaire politiek bestaat.
Voor de landen, die in het bijzonder met deze factoren te maken hebben, zal het heel wat bezwaren met zich brengen om zonder groote schokken zich bij de nieuwe toestanden aan te passen. Genoemde factoren zijn voor Nederland een der oorzaken, dat de goudvoorraad hier te lande blijft toenemen, naar sommigen zelfs meenen, catastrophale afmetingen gaat aannemen, en de gulden den drang vertoont om te stijgen.
Gelukkig zijn bij ons de Rijksfinanciën kerngezond.
Het moge waar zijn, dat het volks vermogen sedert het belastingjaar 1930/31, toen dit vermogen ƒ 15666 millioen bedroeg, terugliep op ƒ 11141 millioen, belastingjaar 1935/ '36, en dat het volksinkomen in het zelfde tijdperk terugging van ƒ 4367 millioen tot ƒ 2828 millioen. Maar die vermindering van
vermogens en inkomens, helaas een gevolg van de crisis, heeft met de positie der Rijksfinanciën als zoodanig niets te maken.
Dat de Rijksfinanciën op dit oogenblik een geheel ander beeld vertoonen dan in 1933, kan o.m. uit een drietal dingen blijken :
1°. uit het geraamde tekort op de Rijksbegrooting voor het jaar 1934 en op dat voor het jaar 1937. Was het tekort op de Rijksbegrooting voor eerstgenoemd jaar geraamd op 190 millioen gulden, dat voor laatst genoemd jaar kwam niet hooger dan 35 millioen gulden, voor welk laatste tekort zelfs de dekking in perspectief aanwezig was;
2°. uit het verschil tusschen ramingen en ontvangsten. Wanneer men b.v. de ontvangsten, die in 1935 en 1936 geraamd werden, vergelijkt met de ontvangsten, die in die jaren in werkelijkheid verkregen werden, dan blijkt dat het verschil in 1935 nog bedroeg 35 millioen gulden, terwijl voor 1936 het verschil maar 6 ton was;
en 3°. uit de middelenstaat. Uit de middelenstaat blijkt, dat in Januari 1937 aan inkomsten meer kon geboekt worden dan in de overeenkomstige maand van het vorig jaar een bedrag van ƒ 2.5 millioen. In Februari 1937 een hooger bedrag van bijna ƒ 6 millioen en in Maart 1937 een surplus van ƒ 4.5 millioen. Het totaal bedrag over het eerste kwartaal van dit jaar, dat aan ontvangsten binnen kwam, was ƒ 99 millioen tegen rond ƒ 86 millioen over het eerste kwartaal van het vorig jaar, hetgeen een stijging bij de ontvangsten aantoont van ƒ 13 millioen.
Neemt men daarbij nog in aanmerking, dat in het tijdperk van 1933/'37 aan werkloozensteun en steun aan armlastigen in totaal ƒ 800 millioen werd uitgekeerd, dan kan men tot geen andere slotsom komen, dan dat de Rijksfinanciën in Nederland, zooals wij reeds hierboven opmerkten, kerngezond zijn.
De opleving in de bedrijven heeft ongetwijfeld tot de gunstige positie, waarin de Staatsfinanciën verkeeren, medegewerkt.
Hetzelfde geldt ook van den economischen toestand der bevolking.
Daarover D.v. de volgende week.
SOMBERE VOORUITZICHTEN
Hierboven vestigden wij met een enkel woord de aandacht op den slechten toestand, waarin de financiën van verschillende Rijken verkeeren. Het gevolg daarvan is, dat in die landen de aanpassing aan de nieuwe toestanden met groote bezwaren zal gepaard gaan.
Een dezer landen is Frankrijk, waar de financieele situatie aan het hopelooze grenst. Het land is met zijn betalingen ten achter en kan geen leeningen plaatsen.
De Zeeuw verwijst voor den slechten toestand, waarin de financiën van Frankrijk verkeeren, naar de interpellatie-Flandin, in de Tweede Kamer. In de scherpe critiek, die deze afgevaardigde op het beleid van den Socialistischen Minister Blum maakte, verweet Flandin den Minister, dat de opleving in Frankrijk maar schijn is, dat de situatie slechter geworden is dan voorheen en dat de valuta-moeilijkheden iederen dag nieuwe maatregelen kunnen noodzakelijk maken.
Wat de valuta betreft, is het een feit, dat als gevolg van de binnenlandsche politiek Frankrijk, dat nog altijd een duur land was, op 't oogenblik het duurste land van Europa is geworden. De industrie kan op menig gebied niet langer concurreeren. De verkorting van de werkweek heeft de productie sterk verminderd, zoodat vergroote invoer van vele artikelen noodzakelijk is geworden.
De gevolgen zijn niet uitgebleven. Het deficit op de handelsbalans neemt toe. Om aan de financieele behoeften van den Staat tegemoet te komen, zult gij — aldus Flandin tot Minister Blum — tot inflatie moeten overgaan en om de monetaire moeilijkheden te overwinnen, tot deviezencontróle.
Inderdaad is de financieele toestand van Frankrijk zeer onzeker.
Het is het natuurlijk gevolg van de omstandigheid, dat meer wordt uitgegeven dan binnenkomt en dat niet gezorgd wordt dat de uitgaven aan de inkomsten worden aangepast.
De Verzoening
II.
Het spreekt vanzelf: Gods toorn is anders dan de onze. Bij ons is die toorn dikwijls een hartstochtelijk affect, een onbeheerschte aandoening, zonder dat wij deze kunnen en willen bedwingen.
Maar daar is óok een heilige toorn; en die is, als zoodanig, goed. Altijd onveranderlijk, toornt God steeds tegen het onheilige, dat zich tegen Hem over stelt.
God heeft een afkeer, een afschuw van de zonde en dies toornt Hij tegen den zondaar en breekt alle gemeenschap met hem af en laat hem dat alles ervaren.
Zijn liefde is heilige liefde, rechtvaardige liefde.
En Zijn toorn is — gelijk prof. Gunning het eens uitdrukte — „de spits van de vlam Zijner liefde".
Van God, die liefde is, wordt dan ook in de Schrift gezegd, dat Hij is een verterend vuur. En Hij, Die een ontoegankelijk licht bewoont, is te heilig, dan dat Hij de zonde zou kunnen aanschouwen en ongestraft laten. Nooit mag van de liefde Gods éénzijdig worden gesproken, want dan dienen we de waarheid niet, maar veeleer de leugen.
Wij zullen van deze dingen alleen iets verstaan, als wij de zonde zien in het licht, dat Gods Woord er op werpt. Zonde is geen zwakheid, tekortkoming of zedelijke onvolkomenheid, waaraan men gemakkelijk kan ontgroeien, als men wil. Maar zonde draagt altijd het karakter van wetsovertreding. De zonde is de onwettelijkheid — zegt de Apostel Johannes (anomia).
De zonde is revolutie, opstand tegen God, waarbij het schepsel zich losmaakt van zijn Schepper en zich tegen over Hem stelt, om Hem te verwerpen en te verstooten, enkel en alleen vragend naar eigen lust en zin. De Souvereine God wordt van den troon gestooten en men wordt zichzelf tot Wetgever en Wet.
Zonde beteekent altijd : God zoeken wèg te dringen, en met verachting Zijn ordinantie te vertrappen, om zelf heer en meester te zijn; om ja te zeggen, als God neen zegt, en neen te zeggen, als God ja zegt.
Zou de hooge God dit straffeloos kunnen toelaten?
Dan zou Hij — met eerbied gesproken — ophouden God te zijn.
Daarom — 't kan niet anders — reageert God met al Zijn deugden tegen de zonde, die schending is van 't door Hem gestelde recht.
Wij moeten dit goed verstaan en geen oogenblik uit het oog verliezen. Anders ontgaat ons ten eenenmale de beteekenis van de leer der verzoening door voldoening. Eerst moeten wij een klaar inzicht hebben in onze verhouding tot God als zondaar, zullen wij iets van het wezen der verzoening verstaan.
Ik zeg „iets", want het zal telkens wel blijken, dat wij de dingen, die ons van God geschonken zijn, met ons verstand niet kunnen bevatten.
Oppervlakkig geoordeeld, schijnt het voor God een lichte zaak te zijn zich met den mensch te verzoenen. Waartoe is een Middelaar noodig om een Vader met zijn kinderen te hereenigen? Als iemand ons heeft beleedigd, maar hij erkent zijn ongelijk, dan reiken wij hem toch de hand der verzoening toe ? Zou God dan minder zijn dan een mensch? Beveelt Hij ons zelfs niet om vergeving te schenken zonder voldoening te eischen? Hoe zou het dan mogelijk zijn, dat God alleen in het bloed Zijns Zoons Zijn toorn zou blusschen?
Deze redeneering lijkt heel sterk, maar in werkelijkheid is zij zwak.
Ze gaat immers uit van een valsche veronderstelling. En wel van deze valsche veronderstelling : dat God in de tusschen Hem en de Zijnen verstoorde betrekking enkel als beleedigde partij voorkomt. Maar niets is minder waar.
Zeker, God is Vader der menschen. Hij is de beleedigde Vader, Wiens liefde is miskend, maar Hij is ook de Wetgever, de Opperheer, Wiens recht men heeft geschonden. De beleedigde is Vader, maar tevens Rechter, die gerechtigheid heeft te handhaven.
Ik weet het, met. een beroep op de gelijkenis van den verloren zoon, die berouw toonde en vergeving ontving, wordt vaak betoogd, dat God in Zijn vaderlijke ontferming genade bewijst zonder handhaving van Zijn recht — maar dat beroep moet worden gewraakt en afgewezen.
Vooreerst mogen wij in die gelijkenis niet méér zoeken, dan zij bedoelt. Jezus wil de Schriftgeleerden toonen, hoe de Vader handelt jegens den verloren zoon en op die gouden achtergrond wil Hij hen leeren, hoe zij zich jegens de tollenaren en zondaren hebben te gedragen, 't Is Hem in die gelijkenis uitsluitend om deze scherpe tegenstelling te doen. Vandaar dat Hij zwijgt over den grond, waarop de Vader alleen de schuld kan vergeven. Dat is daar volstrekt niet aan de orde. 't Gaat in die gelijkenis om een gansch andere kwestie. De verzoening op grond van het kruisoffer ligt er niet in, wel achter.
Trouwens, wij moeten niet een deel, maar héél de Schrift laten spreken. En dan leert het Evangelie met nadruk overal, dat er geen verzoening is zonder voldoening aan het heilig recht des Heeren.
Zooals ik al opmerkte, de beleedigde is Vader, doch Rechter tegelijk. En die rechterlijke verhouding, waarin God als Oppersouverein en Wetgever tot den mensch staat, mogen 'wij niet elimineeren of uitschakelen.
Welnu, als Rechter kan Hij het recht der wet niet te niet doen. In de handhaving van Zijn recht gaat 'het niet om een persoonlijk recht, waarvan men afstand kan doen, maar om de gerechtigheid, dat is: om de eer van God Zelf.
Met kracht keert Hij zich dan ook tegen ieder, die Hem geen God laat, die Zijn eer schendt, die Zijn heilig recht op zij zet in vijandschap, die Hem naar de kroon steekt en Hem als God onttroont.
Hoeveel genade Hij ook bewijzen wil, vast staat het, dat Hij vóór alles God wil blijven. Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheden Zijns troons. Daarom moet Hij de zonde straffen. Wanneer God de zonde ongestraft liet, zou Hij Zijn eigen troon, om zoo te zeggen, omver stooten. En Zijn rijk zou een rijk der zaligheid zonder gerechtigheid, zonder heiligheid zijn — een absurditeit in zich zelve.
God kan de zonde niet straffeloos laten passeeren.
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's