De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De eeuwige Voorbeschikking Gods

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De eeuwige Voorbeschikking Gods

13 minuten leestijd

door HANS ENGELLAND.
III.
Paulus schrijft niet uit het verlangen naar een in zichzelven gesloten wereldbeschouwing, óok niet uit een verstandelijke belangstelling, maar uit een warme, practische zorg: het gloeiend verlangen naar zekerheid omtrent Gods erbarming. Voor Paulus en de Reformatoren lag in het onbeperkte recht van die woorden hun innerlijke rust.
Met het onbedrieglijk instinct van den mensch, die iets van vertwijfeling weet, hebben zij aangevoeld, dat met die woorden alles gewonnen wordt en dat anders alles verloren gaat. Daarom waagt Paulus in Rom. 11 den zin: Zooals in den tijd van Elia, zoo is er ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade. En indien het door genade is, zoo is het niet meer uit de werken, anders is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zoo is het geen genade meer, anders is het werk geen werk meer. Paulus zegt hier dus: De genade wordt verstoord en is geen genade meer, wanneer zij niet op de eeuwige vrije verkiezing Gods rust, maar mede bedongen wordt door het gedrag des menschen, wanneer Gods beslissing over redding of ondergang slechts het antwoord is op de werken van den mensch. Neen, Gods liefde is van den aanvang tot het einde onvoorwaardelijk. Zou Gods „Ja" van eenigerlei
voorwaarde des menschen afhankelijk zijn, dan zou het geen liefde meer zijn in den vollen zin en geen volkomen Ja. Omgekeerd, is Gods toorn van het begin tot het einde onvoorwaardelijk. Zou Gods Neen van eenigerlei voorwaarde in den mensch afhankelijk zijn, dan zou het niet meer de toorn zijn in den vollen zin van dit woord en geen volkomen Neen.
Daarom spreekt Paulus uitdrukkelijk van Gods liefde voor Jakob en Gods haat tegen Ezau, vóór hun geboorte, vóór zij goed of kwaad denken, willen en doen, vóór zij zich voor of tegen God onderscheiden konden. Deze God is onvoorwaardelijk en ondoorgrondelijk in Zijn liefde en in Zijn toorn. Doch: dat is niets anders dan God is in zijn eeuwig raadsbesluit verborgen.
Genade is geen genade meer zonder Gods onvoorwaardelijke verkiezing, die door niets, die door totaal niets aan de menschelijke zijde, bedongen of gemotiveerd is. Dit begrip der genade Gods verloor de Kerk al spoedig. Zij maakte Gods erbarming afhankelijk van het gedrag des menschen: „Doe wat gij kunt, dan geeft God genade". Men verdroeg den God niet, die vrij over den mensch beschikt, zonder naar hem te vragen. Maar Deze lichtte onze reformatoren weer helder bij. Zij verstonden weer de bedoeling van Paulus in Romeinen 9. Hun leer over de eeuwige verkiezing ontstond als bij Paulus niet uit een verstandelijk verlangen om het wereldgebeuren uit één gezichtspunt te overzien, maar uit een brandende zorg voor de eeuwigheid. Zij wisten: Het geeft werkelijk geen rust, als onze eeuwige bestemming niet onveranderlijk in Gods raadsbesluit ligt. Zij stelden zich niet met de gedachte tevreden, waarmee de Luthersche Kerk zich na de Hervorming vergenoegde, dat wij de genade niet verdienen kunnen, maar dat zij ons geschonken wordt, en dat de mensch maar zijn bedelaarshand moet uitstrekken en het geschenk aannemen;
zonder dit vrije Ja gaat hij eeuwig verloren. Dit vergenoegde de Reformatoren niet. Zij gingen nog een stap verder, daar zij erkenden : wanneer onze eeuwige redding afhangt van ons kiezen voor God, van ons ja zeggen, van het uitstrekken van onze bedelaarshand, van deze ontvangende daad des geloofs, is er niet en nooit een onwrikbare zekerheid omtrent Gods liefde. Er is dan vertwijfeling. Dan zijn wij overgeleverd aan een aanhoudend peinzen, of wij werkelijk voor God gekozen hebben, of dat wij ons bedriegen en onder een gevaarlijke inbeelding bezwijken. Wij moeten dan duizendmaal onszelven den pols voelen. Als wij eerlijk zijn, moeten wij op deze wijze op den duur innerlijk nerveus en ziek worden. Wij gelijken dan op een mensch, die 's nachts niet slapen kan van louter onrust, of hij werkelijk alle deuren gesloten en alle veiligheidsmaatregelen tegen dieven genomen heeft, en die eiken nacht drie-tot viermaal opstaat, om zich te overtuigen, of hij werkelijk alles in orde gebracht heeft. En wie van ons weet, of hij ook in de toekomst dit Ja tot God van harte uitspreekt, dan wel of hij niet op eenigen dag, als hem een zware slag treft, ten eenenmale den moed en de kracht tot deze vertrouwensdaad mist? Deze onzekerheid en onrust, die ons overvalt, zoodra wij slechts het allergeringste van onze zijde doen moeten om Gods liefde deelachtig te worden, is een wonde, die zich eerst dan sluit, als wij het opgegeven hebben, ons heil zelf te zoeken, over ons eeuwig lot mede te bestemmen en mede te verkiezen, wanneer wij ons aan God op genade en ongenade overgeleverd hebben.
Slechts wanneer wij volkomen afzien van ons zelfbestemmingsrecht en wanneer wij ons geheel overgeven aan de beschikkingen Gods, kunnen wij de woorden benaderen, die onze Reformatoren over Gods voorbeschikking zeggen. Wij willen slechts eenige zinnen hooren. Het is niet zóó, dat de Reformatoren er geen begrip van hebben gehad, dat ons natuurlijk menschelijk gevoel er ergernis aan neemt, dat God alleen door zijn Wil menschen verlaat, verstokt, verdoemt, evenals of hij Zich zou verheugen over de zonden en over de groote eeuwige kwelling van ellendige menschen. Hij, die toch voor zoo goed en barmhartig geldt. Dat te denken over God schijnt onrechtvaardig, gruwelijk, onverdraaglijk. Daaraan hebben zoovele en groote mannen in zoovele tijden aanstoot genomen. En wie zou zich niet ergeren? Ik zelf heb mij meer dan eens tot een afgronddiepe vertwijfeling toe geërgerd, zoodat ik wenschte niet geboren te zijn, totdat ik wist, hoe heilzaam en hoe vlakbij de genade deze vertwijfeling was. (Luther). Volgens Luther werd daarom het geloof verstoord en onmogelijk, wanneer God niet werkelijk alles doet. „Wanneer gij er aan twijfelt, of veracht te weten, dat God alles niet veranderlijk, maar noodzakelijk en onveranderlijk vooruit weet en wil, hoe kunt gij dan Zijn beloften gelooven, u zeker aan Hem toevertrouwen en op Hem verlaten? Daar waar Hij iets belooft, moet gij zeker zijn, dat Hij weet en uitvoeren kan, wat Hij belooft. Anders houdt gij Hem niet voor waarachtig en getrouw, en dat is ongeloof, goddeloosheid en loochening van den hoogsten God. (Luther). Anders werd de zaligheid onzeker. Daarom is het de eenige en hoogste troost der Christenen te weten, dat God niet liegt, maar onherroepelijk alles doet, en dat men Zijn wil niet wederstaan of Hem veranderen of hinderen kan. (Luther). Anders verachten wij het geloof, verlaten de belofte Gods, en achten alle vertroostingen des Geestes en de vastheid des gewetens gelijk nul. (Luther). Ons natuurlijk gevoel schrikt voor dezen God in elk opzicht terug. Zijn verborgenheid is te groot om Hem te kunnen begrijpen. Daarom zegt Melanchton: „Slechts de Heilige Schrift kan ons er toe brengen, , dat wij Ja zeggen. Slechts wanneer Gods Geest ons natuurlijk wederstreven overwonnen heeft, gaan ons de oogen open en wordt deze beschouwing van de Voorbeschikking zoet". Zij is volgens Luther voor de vromen en uitverkorenen „de deur der Gerechtigheid, en de ingang in den hemel en de weg tot God". „Wanneer gij de neigingen des vleesches hebt ten onder gebracht", zegt Melanchton, „zult gij erkennen, dat er nergens anders een zekerder troost ligt dan in de Voorbeschikking". Troost Christus Zijne jongeren met dit eene woord niet ten krachtigste: „Alle haren uws hoof ds zijn geteld". „De overpeinzing van deze verborgenheid zal u hieraan herinneren : Goedheid Gods is 'het, dat bij Hem de som en de macht is van alle dingen en dat wij, wanneer iets in onze macht was, en zeker van onze beslissingen afhangen zou, onszelven zeker van Hem zouden afkeeren”.
Wat wil dan de menschelijke zwakheid nog meer, dan dat al het onze in Gods hand ligt, waardoor wij niet door ons, maar door Gods plan geregeerd worden. Het is werkelijk iets groots, aan den Goddelijken wil alles te hebben overgegeven”. Melanchton.
Het geeft geen angst, geen vertwijfeling meer, wanneer ons eeuwig lot in Gods beslissing ligt, en wij ons aan God op genade en ongenade overgegeven hebben. Ik durf kalm berusten in Gods wil, die over mij beschikt heeft, nog eer ik geboren was. Ik zeg Ja op Zijn eeuwig raadsbesluit, of Hij mij verwerpt of aanneemt, want ik wil niets dan Zijn wil.
Of Hij mij van eeuwigheid heeft aangenomen of verworpen, in beide gevallen heb ik met God te doen, en niet met mijzelf, ben ik verlost van mijzelf en bevrijd van de kwellende, afmattende vragen, of ik werkelijk voor God gekozen heb, of dat ik mij bedrieg en of ik die vertrouwensdaad in alle toekomst wel herhalen kan. Ik ben verlost van deze voortdurende angstige waarneming van mijn innerlijk leven, wier zwenkingen mij geestelijk krank maken. De eeuwige Voorbestemming is daarom een daad van barmhartigheid, hetzij ik er door word aangenomen of verworpen.
Wij hébben duidelijk gemaakt dat de nieuwtestamentische en reformatorische leer van de eeuwige Voorbestemming Gods niet uit een filosofische noodzakelijkheid ontstond, maar uit een levensbelang, met Gods eeu­wige verkiezing staat of valt onze innerlijke rust. Maar het ging het Nieuwe Testament en den reformatoren nog om een tweede levensbelang. Wanneer ik ook maar het allergeringste van mijzelven uit doen moet, opdat ik Gods erbarmen deelachtig zou worden, wanneer Gods barmhartigheid nutteloos is en het kruis van Jezus en Zijne opstanding vruchteloos zijn zonder mijn ontvangende daad, die het aangeboden geschenk aanvaardt, dan is niet slechts de zekerheid bedreigd, maar is er nog iets anders geschied, dat eigenlijk nog veel erger is: Gods Godheid wordt gekwetst. God wordt onttroond. Zoo beslist de mensch over God. Wanneer hij zichzelf niet openstelt voor Gods erbarmen, dan komt God met Zijn vergeving in Christus tot hem en biedt Hij hem tevergeefs Zijn liefde aan. De mensch beslist over de verwerkelijking van Gods genade in zichzelven. Zeker, hij kan er niet aan doen, dat God zich misschien over hem ontfermen wil, maar — en dat is hier het belangrijke punt — hij beslist er over of Gods werk aan hem gevolgen heeft. Daarmee stelt hij zich niet slechts naast God, maar boven God. God vordert echter den mensch geheel, onbeperkt, zijn gansche denken en zijn gansche willen. God verdraagt geen tweede mogelijkheid naast zich, die de mensch onder bepaalde omstandigheden ook kiezen kan. God verdraagt niet, dat de mensch zich voor Hem op een neutraal standpunt stelt. Hem met andere mogelijkheden vergelijkt en op grond van deze overlegging Ja of Neen tot Hem zegt.
Gods Godheid verbiedt, dat Hij tot een voorwerp van menschelijke keuze wordt. God kan geen voorwerp worden, doch altijd slechts onderwerp zijn. Daarom is reeds de gedachte aan een tweede mogelijkheid buiten God, de gedachte aan een verkiezingsvrijheid een stellingnemen tegen God. God kent geen neutraliteit. Als zoodanig is zij reeds een keuze tegen Hem en daarom een beleediging van de Majesteit Gods, een onttroning van God. Daarom wijst Paulus de menschen terug, die deze verkiezingsvrijheid jegens God voorstaan en vragen: Wat beschuldigt Hij ons dan nog. Wie kan Zijn wil wederstaan? , en slaat hun tegenstand kortweg neder met de tegenvraag: O mensch, wie zijt gij dan, dat gij met God richten wilt? Spreekt ook het werk tot den meester: Waarom hebt gij mij zoo gemaakt? Paulus beveelt te zwijgen tegenover de verborgenheid Gods. God laat zich niet door ons van alles rekenschap vragen.
Ook dezen zin van Paulus hebben de Hervormers begrepen. Luther zegt: Wij moeten den Voorbeschikkenden, alleswerkenden God verkondigen om onzen hoogmoed te vernederen: God heeft zonder eenigen twijfel Zijne genade aan de nederigen, ootmoedigen, toegezegd, dat zijn zij, die zichzelven opgegeven hebben en vertwijfeld zijn. Gansch ootmoedig kan de mensch echter niet worden, dan wanneer hij weet, dat zijn redding buiten zijn krachten, plannen, berekeningen, buiten zijn wil en buiten zijn werk ligt en slechts aan de verkiezing, het plan, de wil en het werk van een ander ligt, namelijk aan God alleen. Zoolang hij meent, dat hij ook nog een zeer klein deel voor zijn redding kan doen, vertrouwt hij op zich zelf en vertwijfelt hij niet geheel in zich zelf. Daarom verootmoedigt hij zich niet voor God, maar neemt zich plaats, tijd en een of ander werk voor — of hoopt of wenscht het minstens — om daardoor tenslotte tot de zaligheid te komen. Wie er echter niet aan twijfelt, dat alles van God afhangt, vertwijfelt volkomen in zichzelf, kiest niets, maar wacht op den werkenden God en is de genade nabij om gered te worden. Deze punten worden geleerd in het belang van de uitverkorenen, en daardoor worden de ootmoedigen en de in het niet teruggejaagde menschen gered.
De anderen wederstaan deze verootmoediging, ja verwenschen veeleer deze leer van de zelfvertwijfeling en willen iets, al was het maar een klein deel, voor hun vermogen overhouden. Deze menschen blijven in het geheim vijanden van de genade Gods. Wij worden alzoo slechts dan werkelijk ootmoedig voor God, als onze redding of onze ondergang in Gods eeuwigen wil rust. Wij behoefden anders God niet ernstig te vreezen. Slechts dan moeten wij voor God werkelijk sidderen en 'beven, als van Zijne Verkiezing ons zijn of niet zijn afhangt, als alles geschiedt zooals Hij in Zijn verborgenheid besloten heeft en nu uitvoert zonder dat wij Hem iels zouden kunnen beletten. „Deze noodzakelijkheid van alles wat gebeurt", zegt Luther, „jaagt ons de vrees voor God aan". „Door dezen bliksemstraal wordt de vrije wil nedergeslagen en verbrijzeld". Evenzoo verklaart Melanchton: „Noch geloof, noch vrees voor God kunnen geleerd worden, wanneer wij niet overtuigd zijn, dat God alles in allen werkt". In het aangezicht van dezen ondoorgrondelijken, verborgen God is den Reformatoren elke gerezen vraag naar het Waarom, naar het Recht van zulk beschikken over den mensch op de lippen bestorven. In het sidderen en beven voor dezen verborgen God hebben zij het zwijgen geleerd. In de vraag naar het Waarom verraadt zich de zelfzucht, die de mensch niet opgeven wil. Hij zou God slechts onder voorbehoud der genade het recht der verkiezing willen toekennen. Hij wil zichzelven aan God niet overleveren op genade en ongenade. Hij merkt niet, dat hij niet God zoekt, maar zichzelven bij God, dat hij God tot een middel voor zijn eigenliefde vernedert. Hij vermoedt nog niet, wat onvoorwaardelijke overgave is, die zich aan God op genade en ongenade overgeeft, alzoo ook op het gevaar af, door Hem verworpen te worden. De mensch van dit voorbehoud en van deze voorwaarden moet nedergeworpen worden en sterven. „Deze diepe boosheid der natuur", zegt Melanchton, „moet gedood worden, en wel zóó, dat wij Gods Wil willen, of Hij ons verdoemen of redden wil”.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De eeuwige Voorbeschikking Gods

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's