Geestesdoop in de oudste Christengemeente
Hetgeen volgt, bedoelt aan te sluiten bij wat u in no. 14 van dezen jaargang vinden kunt. 't Wordt wel een verhaal op langen termijn, maar het kon niet anders. Zoo zal het wel voor den oppervlakkigen lezer moeilijk worden de lijn vast te houden, maar ik troost mij met de gedachte, dat het voor de ware belangstellenden geen belemmering zal zijn, al is er nu wat vertraging geweest.
Montanus.
De vorige keer hebben we dus gesproken over Ignatius, die vurige navolger van Paulus, die Paulus niet begreep en dus ook eigenlijk niet navolgde. Nu zullen we stilstaan bij zijn tegenvoeter.
Omstreeks 150 na Chr. laaide er in 't Zuiden van Klein-Azië, ook weer in het gebied van Paulus' Zendingsreizen, een vreemd vuur op, dat langen tijd de leiders der kerken met groote zorg vervulde. De aanleiding daartoe was een zekere Montanus, een visionair aangelegde zonderling, die met het vreemde evangelie kwam, dat in hem de Trooster was gekomen, door den Heiland beloofd.
Zich grondend op Joh. 14 vs. 16, verkondigde hij, dat nu eindelijk de derde en laatste openbaring Gods had plaats gehad, dat nu het rijk van den Heiligen Geest was aangebroken. Een geweldige opschudding ontstond hierdoor in Klein-Azië. Zulk een „profeteeren" was sedert ^de dagen der Apostelen onopgemerkt op den achtergrond geraakt en met het verflauwen der gespannen verwachting van het einde, gaandeweg verdwenen. Maar nu werd al dat oude vuur weer opgerakeld, waardoor het zoo hoog opvlamde, dat men weldra het nieuwe Jeruzalem uit den hemel meende te zullen zien neerdalen bij een van de stadjes Tynion of Pepuza.
Met deze verwachting des Geestes ging gepaard een strenge zelftucht, veel vasten, onthouding van alle aardsch genot.
Het was voor de kerk een uiterst moeilijk geval. Dat profeteeren van menschen, die verzekerden, dat de Geest in hen was gevaren, kon men maar zoo niet terzijde schuiven, vooral niet toen deze beweging zich overal heen uitbreidde. En was het nu alleen maar een op zichzelf staande, buitenissige, dweperij, dan was het niet moeilijk geweest om zich daarvan te ontdoen. Maar er zat veel meer achter. Dit was juist het moeilijke voor de Kerk, dat door dit Montanisme juist openbaar werd, hoezeer de Kerk zelf op precies dezelfde basis stond als het Montanisme, n.l. die van het Geestesbezit. Al te veel wordt dit misschien over het hoofd gezien in de handboeken, waardoor er aan dit Montanisme te weinig aandacht wordt geschonken. Men maakt zich er dan vanaf door dit Montanisme te verklaren als van heidensche oorsprong, achtgevende op de eigenaardige men taliteit in het Zuiden van Klein-Azië. Daar mag natuurlijk allemaal veel waars in zitten, als we echter maar niet vergeten, dat wij in Montanus de grootste tegenpool hebben van Ignatius, waardoor ons in volle klaarheid wordt aangewezen hoe de Klein-Aziatische Kerk zich ontwikkelde, uitgaande van een verkeerd begrepen geestbezit.
Daarom immers heeft het zoolang geduurd voor de Kerk deze Montanistische crisis te boven was, omdat het hier een strijd was van geestbezit tegen geestbezit. En in dezen strijd had dan ook oorspronkelijk het Montanisme alles voor, omdat het direct weer vastknoopte aan het Pinkstergebeuren en dit weer opnieuw beleefde. Deze menschen konden geen ketters genoemd worden, want hun boodschap was er een die aanspraak had op de volle instemming van heel de Kerk.
Zij predikte de Bruiloft des Lams, die aanstaande was en daarin eischten zij met grooten nadruk, dat de leiders der gemeenten streng moesten wezen tegenover allen en bovenal tegenover zichzelf. Als met tooverkracht werd de groote massa tot Montanus getrokken, juist omdat hij achter alles de rosse gloed van den oordeelsdag liet schemeren en hij het volk weer liet zwelgen in den roes van de oude toekomstverwachtingen. En hier stond de Kerk langen tijd machteloos tegenover. Had de Kerk van Klein-Azië nu ten volle begrepen de diepste beleving van haar apostel Paulus, dat de rechtvaardige door het geloof zal leven, dan was het niet moeilijk geweest dit Montanisme terzijde te stellen. Doch nu ging het slechts om een accentverschil. Het was nu een concurrentie tusschen het geestbezit van de bisschoppen en martelaren en het geestbezit van de enthousiaste profeten van het Montanisme. Dat tenslotte de bisschopskerk het gewonnen heeft van het Montanisme, kwam niet omdat de bisschopskerk het geestbezit op de meest warme wijze beleefde. De gloed was bij het Montanisme ; daar was de brandende verwachting, de meest hartstochtelijke geestdrift.
Maar het Montanisme rekende niet met de praktijk van het heden en daarom werd het eindelijk, zij het na langen strijd, ten onder gebracht. Voor Montanus waren weer alle gedoopten Geestdragers in den vollen zin, maar dit verdroeg de werkelijkheid niet meer. Dit was wel in het verleden mogelijk geweest, en daarom stond het Montanisme ook met het gezicht gewend naar het verleden.
Doch de bisschopskerk, voortgaande op de sporen van Ignatius, wendde zich naar de toekomst en vertolkte het geestbezit praktisch. Van de werking der geestesdoop werden de gewone gemeenteleden ontheven, omdat het hen belemmerde in de praktijk van het leven, doch de bisschoppen en martelaren (later alleen de bisschoppen) werden naar diezelfde mate tot meer dan gewone geestdragers. Zoo kwam de bisschopskerk als overwinnares uit den Montanistischen strijd. De weg tot de consolideering van de vroegkatholieke Kerk was gebaand. Alleen was door dezen Montanistischen strijd Paulus geheel en al uit het oog verloren. De doorwerking van den Griekschen geest ging nu met rassche schreden onder de leiding van bekwame bisschoppen steeds verder.
Een merkwaardige toetssteen is daarom voor ons deze Montanistische krisis, om te zien, hoezeer de Grieksche geest zich in zoo'n korten tijd al had meester gemaakt van de Kerk. Ondanks de uitwendige Paulusvereering, kende de Kerk het geheim van diens kracht niet meer. Nu werd de verkeerde geest door Beëlzebul zelf uitgeworpen. Het Grieksche idealisme werd met een andere vorm van datzelfde idealisme bestreden en daardoor ook overwonnen.
Langzaam maar zeker werd nu de Geestesdoop omgezet voor de practijk in het systeem van de priester-hiërarchie der bisschoppen, terwijl de leeken door het zich uitbreidende boete-en biechtsysteem toch nog deelden in de vruchten van den Geestesdoop. De Geest werd de schat der Kerk, waarover haar ambtsdragers de beschikking hadden. Dat hierdoor de Pinksterdoop tot een paskwil werd, viel weinigen op. Tegenover de rechtvaardiging door het geloof, door Paulus geleerd, bleef het parool der Kerk met de Grieksche „geest der Corinthers" : „rechtvaardiging door de Geestesdoop". Alleen werd de „Geest" vandien doop, die niet veilig was bij ieder gedoopte, die in deze zondewereld moest leven, zoolang bewaard in de veilige schoot der Kerk om op zijn tijd in biecht, communio en oliesel den armen zondaar weer toegediend te worden door de priesters. Zoo ontstond een systeem, dat eeuwen kon verduren.
Doch laten we dan de volgende keer nog stilstaan bij den meer bekenden kerkvader Tertullianus. Immers deze is eigenlijk de grondlegger geworden van de toekomstige ontwikkeling, en dit niet zoozeer door zijn diepe gedachten, dan wel veel meer door zijn practischen zin. En, o wonderlijke ironie der geschiedenis !, deze beroemde Tertullianus vereenigt in zich beide polen, waarover wij gesproken hebben, Ignatius en Montanus. Want was hij eerst een geduchte verdediger van de bisschopskerk, later werd hij als Montanist een niet minder fel bestrijder daarvan, zonder dat er daardoor echter veel verandering in zijn systeem kwam.
Is er sterker bewijs mogelijk, dat het in den grond der zaak, zoowel bij Ignatius als bij Montanus, gaat om dezelfde Grieksche geest ?
Dus de volgende keer over Tertullianus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's