De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geestesdoop in de oudste Christengemeente

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geestesdoop in de oudste Christengemeente

9 minuten leestijd

De laatste figuur in deze reeks, waarbij we nu zullen stilstaan, is de Kerkvader Tertullianus.
Aangaande zijn leven is ons niet veel bekend. Hij werd geboren te Carthago in N.­ Afrika, ± 155, en groeide op te midden van het heidensche leven. Zijn vader was officier in dienst van den proconsul van Africa. Aangenomen wordt, dat Tertullianus vóór zijn bekeering als advocaat aan de provinciale rechtbank werkzaam was.
Tertullianus' bekeering kan gesteld worden in 196. De omstandigheden, waaronder dit plaats vond, zijn echter onbekend. Om zijn ernst en kennis verkreeg hij het ambt van priester in de gemeente van Carthago, maar al spoedig, omstreeks 208, ging hij voor de Kerk verloren, omdat hij zich aansloot bij de volgelingen van Montanus. Deze overgang echter, de oorzaken en gevolgen daarvan kunnen we gevoegelijk buiten beschouwing laten, omdat voor ons doel, waar het ons nu om te doen is, de beide levensperioden hetzelfde getuigenis afleggen. Want noch in zijn functie van orthodox priester, noch in die van ketter, is Tertullianus voor ons belangrijk, maar in zijn theologische waarde.
Als schrijver heeft hij een buitengewone activiteit aan den dag gelegd, zoodat het vrijwel ondoenlijk is hiervan een overzicht te geven.. Maar uit alles wat hij schreef blijkt wel hoe wij hier te doen hebben met een denker van groote bekwaamheid. Deze komt hierin vooral tot uiting, dat hij in scherpe, origineele dogmatische formules de vage, zwevende theologische voorstellingen van dien tijd heeft vastgelegd en zoo het dogmatisch woordenboek heeft geschapen voor het leven der Kerk tot aan het einde der Middeleeuwen. Zoo is hij o. a. de ijker geweest van de Roomsche begrippen genade en doop, waar wij wat nader bij stil zullen staan. 't Is niet mijn bedoeling om nu te gaan herhalen wat ds. Woelderink hierover zegt in no. 14 en volgenden van dezen jaargang, 't Beste is om dat eerst maar eens na te lezen. Wij willen alleen doen uitkomen hoe Tertullianus hier niet iets nieuws schept, maar alleen voortspint aan de Grieksche opvatting van Geestbezit, die reeds stamt uit de Grieksche gemeenten ten tijde van Paulus.
Evenals bij de Corinthers, bij Ignatius en Montanus, is voor Tertullianus genade gelijk aan Geestbezit, in den doop der menschen deel geworden. Genade is voor hem niet de goedgunstige gezindheid Gods jegens den mensch, waar de zondaar door het geloof in Christus kennis aan krijgt, maar het is het door de Geestesdoop in den mensch geschapen nieuwe begin, waardoor de mensch een nieuw schepsel wordt, een heilige, van zonden vrij. We hebben gezien dat dit ook inderdaad de leer van Paulus was: „het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden", op één voorwaarde na, n.l. bij Paulus was dit waar voorzoover dit was „in Christus" gezien. Maar dit menigvuldige „in Christus", dat haast in ieder hoofdstuk van Paulus' brieven meerdere malen voorkomt, heeft de Westersche geest niet begrepen. Zoo werd deze diepe waarheid van de verlossing tot een menschelijke constructie.
We hebben het gezien, de hoogmoed van de Corinthers, de opgeschroefde blijdschap van Ignatius, de blinde geestdrift van Montanus, het ademt alles één geest, die in zijn eenzijdigheid aan Paulus voorbij loopt. Maar met dit al was het tot nog toe maar een eenzijdigheid gebleven. De zonde na den doop had tot nog toe een groot vraagteeken gevormd, waar men zich liever maar niet over uitliet. Die zonde mocht er nu eenmaal niet zijn, en kon er niet zijn, en de Grieksche geest hielp wel zooveel mee om de zonde na den doop „zwakheid" te noemen.
Doch nu is dit de groote beteekenis van Tertullianus, dat hij in principe deze eenzijdigheid maakte tot een algemeene regel. Het vraagteeken, dat allen heimelijk hadden laten staan, nam hij weg. Hier openbaart zich weer veel meer de practische Romein, die uitspreekt, waar de bespiegelende Griek al zijn best voor deed om 't over het hoofd te zien. Waar vóór hem over de zonde na den doop liefst niet gesproken werd, daar stelde hij dit nu aan de orde, zich plaatsend op het vlak van de werkelijkheid. En niet alleen dit, maar hij vond ook een oplossing door de genade, in den doop ontvangen, niet alleen te stellen als van terugwerkende kracht (gedane zonde vergevend), maar ook als van vooruitwerkende energie (komende zonden vergevend).
Nu was de toekomst voor de Kerk verzekerd. Deze voorwaartswerkende energie (inspiratio) hoefde nu slechts in de komende eeuwen nader gesystematiseerd te worden in het biecht-en boetesysteem. Het vraagteeken was opgelost, ontwikkeling mogelijk gemaakt!
Intusschen moeten we niet denken, dat Tertullianus dit uit luchthartigheid zoo voorstelde. We kunnen niet anders dan bewondering hebben voor deze ernstige, nobele figuur. Het ging bij hem niet om spitsvondige vragen. Integendeel, hoezeer het hem ernst was met de bizondere goddelijke waarde van de Geestesdoop, blijkt wel hieruit, dat hij persoonlijk nog vermaande om het ontvangen van dit heilig sacrament zoolang mogelijk uit te stellen, opdat het niet zou verontreinigd worden. Hij heeft niet vooruitgezien de verwereldlijking, waar de Kerk in zou vervallen, juist door zijn onderscheiding. Immers, later werd het vooral deze inspiratio, die de Kerk aan zichzelf hield, waardoor zij haar macht uitbreidde. Geestbezit in den vorm van vergeving van gedane zonde bleef het kenmerkende van de Roomsche doop, maar het Geestbezit, dat van komende zonden moest reinigen, kon toch onmogelijk veilig zijn bij den zondaar zelf. Dat werd nu de schat van de heilige Kerk. Maar nu spreekt het ook vanzelf, dat de gedoopte deze Kerk nooit kon verlaten. Immers, die Kerk had nog wat geestelijk kapitaal voor hem in bewaring, dat hem in tijd van nood zou toegereikt worden. Zoo werd de stelling geboren: „buiten de Kerk geen heil", die later Augustinus nader zou ontwikkelen in zijn „Stad Gods”.
Nogmaals, geen valsche profeet wilde Tertullianus zijn. Wie bijvoorbeeld zijn warm pleidooi: „Ter verdediging van de Christenen" gelezen heeft, gaat van hem, houden. Hier klopt diep hartstochtelijk leven, hier spreekt overtuiging en blijdschap tegelijk. Maar Tertullianus is niet de eerste oprechte Christen geweest, en helaas ook niet de laatste, die desondanks de Kerk des Heeren niet dichter bij haar Herder heeft gebracht. Laten we zacht zijn in ons oordeel; hij was kind van zijn tijd, kind van de Grieksche geest en het was Gods tijd nog niet dat nu al de mannen zouden opstaan, die zouden voortbouwen, daar waar Paulus geëindigd had.
Zoo moeten we ook niet onder alles wat de oude Kerk heeft beleefd en beleden, zetten: „verkeerd, dwaling!”
Gode zij dank, we weten het beter; daar was leven in vele opzichten! Doch wel mogen wij bij het licht, dat de Heere zelf ontstoken heeft, leering trekken uit de historie, opdat wij, meenende te staan, niet wederom vallen.
Eindigen we dan nu met een korte Slotbeschouwing.
Het ging dus om de interpretatie van de Pinksterdoop. Deze doop is Geestesdoop; wat is anders de beteekenis van Pinksteren?
Door vele protestanten wordt dit ontkend, dat de Pinksterdoop Geestesdoop is, doch wij vragen: „met welk recht? " Geeft het Pinksterverhaal, geeft de Bijbel ons daartoe het recht? Of is het, dat we bang zijn dat anders ons de wapenen zullen ontbreken om het verkeerde in de oude Kerk te bestrijden.
De verkeerde consequenties, die het Westersche denken aan de Geestesdoop heeft verbonden, maakt de feiten nog niet anders zooals die in het Nieuwe Testament voor ons liggen.
Dit is de fout van de oude Kerk, dat ze het leven van de Geestesdoop niet hebben gezien in den Geest van Christus, maar zelfstandig hebben gemaakt. Doch vele protestanten in onze dagen staan op het punt om nu het kind met het badwater weg te gooien en van Pinksteren niets anders te maken' dan een symbolisch gebeuren. Maar begrijpen we dan niet dat zóó ook alle grond ontnomen wordt aan wat wij zoo bovenmatig roemen, de rechtvaardiging door het geloof? : Deze rechtvaardiging wordt dan niets anders dan een humanistisch immanent ideaal van moralistische tint. Neen, levensnoodzakelijk is het voor het Protestantisme om het Pinkstergebeuren voor ernst te nemen, wil de genade Gods nog genade zijn, doch we moeten dit anders voor ernst nemen dan de oude Kerk.
Deze deed het letterlijk, zooals wij zagen, maar Grieksch letterlijk, d. i. heidensch, om zoo uit te loopen in een sacramentalisme, waar van de vrije gunst Gods niets meer overbleef. Dit is het noodlottig gevolg, wan­ neer eschatologische waarden geseculariseerd worden.
Hoe voor de hand liggend deze weg wel is, is zelfs bij Paulus te zien, die ook bijna op dezen weg een schrede gewaagd had. Maar hem weerhield de zuivere leiding des Geestes, ook zoo klaar uitgestald in het Joodsche denken van Petrus en Jacobus, alleen dat bij Paulus nog meer dan bij deze laatsten het eschatologische van den Pinksterdoop tot zijn recht komt. Dit zuiver eschatologische is het onuitsprekelijke in Paulus' brieven, waardoor zijn leer van de rechtvaardiging door het geloof nooit wordt alleen een zedelijk ideaal en evenmin zedelijk indifferent blijft. Dit zuivere eschatologische bleef voor hem gespaard, omdat deze rechtvaardiging door het geloof rustte in het verbond Gods.
Wordt de band tusschen deze beide verbroken en één van deze twee eenzijdig naar voren geschoven, dan stokt' het leven en komt het systeem. Alle twee geeft de Kerkgeschiedenis te zien.
Doch worden beiden tegelijk verstaan, dan is daar leven, nieuw leven uit God, waarbij toch nooit de mensch God wordt. Zoo was het in de dagen der hervorming toen Paulus ontdekt werd en Petrus en Johannes, of liever, laten we 't anders zeggen, toen de Pinkstergeest de aarde doorwaaide.
Van humanistische kant wordt vaak de Hervorming voorgesteld als de bewustwording van het Grieksche denken. Niets is minder waar. In Luther en Calvijn ontmoeten we een bewust worden, , n.l. van het bedrog van het Grieksche denken.
„Kom, scheppende Geest!" klonk de smartkreet van zondaarsharten, staande op het puin van hetgeen eens het gebouw hunner rust was.
„Toen werden zij allen vervuld van den Heiligen Geest en begonnen te spreken met andere talen, zooals de Geest hun gaf uit te spreken”.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Geestesdoop in de oudste Christengemeente

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's