MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgrever J. H. Kok te Kampen
„'n Avond samen. Mag ik wel even verder komen ? Mensch, wat hadden jullie 't samen druk; 'k heb wel driemaal „volk" geroepen". „O, ja ? Nu, 't kon geen kwaad; je mocht ons gesprek best hooren. Maar daar staat wel een stoel”.
„Neen, dank je ; 'k heb geen tijd. Alleen kwam Ik vragen of je morgenmiddag ook een oogje op de kinderen zoudt willen houden, omdat ik dan even naar „Lucht en Veld” moet”.
„O ja, met plezier. Ze kunnen met mijn kinderen hier wel in huis komen, zoolang je weg bent”.
„Mooi, dan kan ik daar gerust over wezen. Een ongeluk ligt anders in zoo'n klein hoekje. We hebben dat vanmorgen aan buurvrouw Gelske gezien”.
„Buurvrouw Gelske ? Wat is daarmee? ” vroeg Murk.
„Heb je dat niet eens verteld, buurvrouw ? Wel, zij heeft vanmorgen het kokende waschwater over haar been gehad en toen hebben wij samen haar geholpen. Vrouw Kalma heeft haar verbonden en is naar den dokter gegaan, en ik heb in huis de heele zaak verder weer in orde gemaakt”.
„Is ’t nog al erg? ”
„Ja, het kwam aan. Branden doet pijn, en 't zal wel een paar weken duren voor zij weer loopen mag”.
„Een heel ding voor Gelske en een prachtgelegenheid voor jullie om naastenliefde te beoefenen”.
Dat was Murk weer. Niet vragen wie het gold, maar terstond gereed om te helpen. Hij moest eens weten hoe diezelfde Gelske in vereeniging met haar allerlei kwaad gerucht van hem verspreid bad of door dubbelzinnige woorden tal van vermoedens had opgewekt om. hem en vrouw Kalma in opspraak te brengen. Of zou bij dit wel weten en niettemin doen alsof het hem niet aanging ? Zou hij misschien juist des te meer lust hebben haar kwaad met goed te vergelden? Murk was nu eenmaal geheel anders dan andere menschen en vrouw Kalma begon onder zijn invloed ook al op dezelfde wijze zich te doen kennen.
„Wat hebben jullie het hier samen aardig", vervolgde Klaske, en zette zich even op de stoel, die naast de beschutting stond, terwijl zij haar oogen door bet vertrek liet gaan. Overal blonk baar de reinheid en zindelijkheid tegen, 't Koperwerk glinsterde alsof 't goud was en de meubels, die van degelijkheid getuigden, glommen alsof zij in deze gezellige omgeving vermaak schepten. Wat was het bier rustig en stil. Niet alleen doordat de kinderen naar bed waren en men slechts met z'n tweetjes aan tafel zat, maar nog veel meer, omdat alles zoo vredig aandeed. Heel anders dan bij haar, waar in 't geheel geen orde en regelmaat tusschen de meubels en de plaatsing daarvan gevonden werd. Haar woonkamer had meer van een uitdragerij, waar van alles en nog wat te krijgen was, behalve degelijkheid. Vrouw Kalma had niets overdadigs in haar woning, maar waar iets stond, daar hoorde het.
Klaske was niet de eenige, die hier onder den indruk van het echt huiselijk verkeer kwam, waardoor dit huis tot een „Tehuis" werd. Mevrouw van den directeur ondervond dit eveneens, als zij een enkele maal hier kwam, en ook den dokter was 't meermalen opgevallen, reden, waarom bij zooveel respect voor de weduwe bad. En vooral voor Murk was dit indertijd iets geweest, dat op hem geweldig indruk maakte. Juist, omdat hij in zijn jonge leven zoo weinig van een gezellig tehuis genoten had.
„Vind je dat ? " vroeg vrouw Kalma. „Och, de kinderen zijn naar bed en dan mag ik graag bij de lamp het noodige naai-en stopwerk doen”.
„En Murk dan vanzelf vertellen of iets voorlezen? ”
„Wel eens, maar lang altijd niet. Gewoonlijk is er 's avonds wel iets te schrijven of te rekenen, of zijn er boodschappen te doen, en dan komt er van bet lezen niet veel", antwoordde Murk.
„’k Wou toch, dat wij dit ook zoo hadden. Als Douwe 's avonds gegeten heeft, wil hij maar liefst aanstonds naar bed. Ik wil dan nog wel eens een poosje blijven praten, want op den dag is men bijna ook altijd alleen met de kinderen; maar hij zegt: Wat heb ik daaraan ? , en kruipt 't liefst maar spoedig achter de deuren”.
Hier kon vrouw Kalma een glimlach niet bedwingen.
„Neen, dat is niet gezellig", sprak zij. „Mijn man en ik hadden ook altijd de gewoonte nog een uurtje te blijven praten, als de arbeid was afgeloopen. Hij rookte dan zijn pijpje en las de courant, of wij spraken over de bijzonderheden van den dag, of over de kinderen, of over de belangen van de huishouding”.
„Daar behoef ik Douwe nooit mee aan te komen. Dat zijn vrouwenzaken, waar ik mij niet mee bemoei", zegt hij. „Ternauwernood geeft hij acht op de kinderen en als ik zeg, dal; ze vandaag ondeugend zijn geweest, of iets gebroken hebben, dan trekt bij zich daar niets van aan. Geen jeremiades, weert hij dan af, ik heb al genoeg aan m'n eigen moeite ; en dan loopt, hij er uit of gaat naar bed”.
„Daar kan ik wel inkomen, buurvrouw. Zoo zijn de meeste mannen, en dat komt, omdat zij gewoonlijk bun hoofd vol van allerlei andere zorgen hebben. Beter is het te trachten hen aan huis te binden, door een kopje thee of koffi voor hen gereed te hebben of op andere wijze ben eens te tracteeren. In de meeste gevallen zijn zij daar nogal gevoelig voor”.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's