De eeuwige Voorbeschikking Gods
door HANS ENGELLAND.
IV. (Slot).
Tot op deze bereidwilligheid hebben de Reformatoren hun eigen innerlijken strijd gestreden, dat zij zwijgend Gods wil ook dan aannemen, voor Hem de knieën buigen en Hem aanbidden, als Hij hen verwerpt en verdoemt. „Hier moet het menschelijke denken halt worden geboden, en hier moet de ondoorgrondelijke majesteit Gods aangebeden worden", zegt Luther. En elders: „Het is genoeg te weten, dat er een ondoorgrondelijke wil in God is. Maar wat Hij wil, waarom en voorhoever Hij iets wil, dat mogen wij rechtstreeks niet vragen, wenschen, melden of aanroeren, dan met vrees en aanbidding”.
Deze verborgen God, die alles in allen werkt, is alzoo voor het geloof niet een overwonnen moeilijkheid, maar behoort tot het geloof. Zelfs de Christus moet Hem rechtstreeks vreezen en aanbidden.
Wij hebben van de beteekenis der eeuwige Voorbeschikking Gods voor het Christelijk leven gesproken en opgemerkt, dat wij om twee redenen daarvoor dankbaar moeten zijn: ten eerste, omdat zonder deze ons heil van onze eigen verkiezing afhangt en wij daarom nooit uit de onrust en de onzekerheid komen, of wij ons Ja tot God werkelijk gesproken hebben en dag voor dag tot onze stervensstonde kunnen vasthouden. Ten 2de. leeren wij zonder dit leerstuk niet de ware vrees voor God. Deze rechtstreeksche beteekenis van de eeuwige Voorbeschikking voor ons dagelijksch leven dwingt ons, om ook in de Christelijke leer ze die plaats te geven, waarop zij aanspraak maakt, ze uit de Babylonische ballingschap terug te voeren, waarheen onze theologie na de Reformatie ze verbannen heeft. Men heeft ze in de Luthersche theologie, wat de verkondiging in de Kerk betreft, in het geheel niet kunnen verdragen, en ze daarom uit de dogmatiek gelicht. Men zag niet meer in-, waarom zonder haar geen zekerheid mogelijk was, en men verstond niet meer het sidderen van de Reformatoren voor den verborgen God. Want God was eigenlijk niet meer verborgen, maar zuivere liefde, die alleen het heil van alle menschen wil. Maar ook daar, waar tegenwoordig de oneindige natuurlijke afstand van den mensch tot God weer tot bewustzijn gekomen is, is, men met de leer der dubbele Voorbeschikking wel voorzichtig.
Of men betrekt haar niet op onderscheidene menschen, maar op ieder mensch persoonlijk, die dan zoowel verworpen als begenadigd zou worden, en alzoo onder Gericht en Genade staan, — en men lost het leerstuk daarmede op, zooals Barth en Althaus dit gedaan hebben. Of, men behandelt haar meer als een aanhangsel der dogmatiek, eenigszins in de veronderstelling, dat zij ook feilbaar zou kunnen zijn. Zoo zegt Werner Elert in zijn „Morphologie van het Lutherdom", „dat de predestinatie slechts een hulpgedachte is", en „dat het geloof de predestinatiegedachte overwinnen moet om geloof te zijn”.
Omdat de eeuwige Voorbeschikking Gods volgens de Reformatoren voor liet leven een rechtstreeks bepaalde beteekenis heeft, neemt zij in hun leer een voorname plaats in. Zij hebben hun levenlang er aan vastgehouden ; — de afval kwam eerst bij hun leerlingen. Dat voor hen tenslotte van deze leer alles afhing, zien wij het duidelijkst in het geschrift van Luther: Van den onvrijen wil", en in de eerste dogmatiek van de Evangelische Kerk, in Melanchton's „Loei communes" van 1521. Luther noemt twee deelen van de Christelijke leer:1°. Het gaat er ons om, dat wij onderscheiden, wat de vrije wil kan, wat hij duldt, hoe zijn verhouding is tegenover Gods genade. . . . . . . . . . . .
Want, als ik niet weet, wat, in hoever en hoeveel ik tegenover God kan en doe, dan zal mij op dezelfde wijze onzeker en onbekend zijn, wat, inhoever en hoeveel God in mij vermag en doet, Wij moeten alzoo een heel zekere onderscheiding hebben tusschen Gods vermogen en ons vermogen, tusschen Gods werk en ons werk, als wij vroom willen leven. Zoo ziet gij, dat deze vraag het eene deel is van de totale Christelijk leer, waarin de zelfkennis en de kennis en de eere Gods begrepen is, en op het spel staat. Maar met deze vraag stelt Luther zich nog niet tevreden. Zij bevredigt hem nog niet, om de tegenstelling tusschen Wet en Evangelie, tusschen menschelijke vrijheid en Gods genade zoo ondubbelzinnig en helder te toonen, dat Gods genade beschut wordt tegen de greep des menschen, als Hij over hem beschikt, — en dat Christus onwankelbare zekerheid ontvangt en toch de vrees, het sidderen en beven voor het verborgen eeuwige Raadsbesluit Gods leert. Daarom zegt Luther:2°. Het andere deel der gansche Christelijke leer is het zekere antwoord op de vraag of God iets veranderlij ks vooruitweet, — en of wij alles uit noodwendigheid doen, — alzoo: f Gods wil zich naar de houding van den mensch verandert, dan wel of God alles in allen naar Zijn eeuwigen on verander lij ken wil werkt. Deze vraag is voor Luther van zoo oneindig belang, dat hij zegt : „Het gaat er daarom voor de Christenen in de eerste plaats om, om op het punt van zijn redding te weten, dat God niet iets veranderlijks vooruitweet, maar dat Hij zelf alles met een onveranderlijken, eeuwigen, onfeilbaren wil vooruit ontwerpt, wil en doet". Het Christelijke geloof zou rechtstreeks worden uitgebluscht, de verheerlijking Gods en van het Evangelie gaan volkomen ten gronde, als daarvan wordt afgeweken.
Luther gelooft alzoo, dat de Christelijke leer aan de beide eischen van het Christelijk leven: de geloofszekerheid en de godsvrucht, eerst dan beantwoordt, als haar begin en einde de leer van de eeuwige Voorbeschikking Gods is. Hij gelooft, dat de opzet van de Christelijke dogmatiek slechts dan op een vasten grond rust, wanneer haar grondslag de eeuwige uitverkiezing Gods is, de beschikking Gods, en niet de beschikking des menschen. Wij moeten die dogmatiek daarom zoo inrichten, dat wij in al haar vragen dit, den ganschen bouw dragende fundament, tot bewustzijn brengen, n.l. in de vragen over de kennis Gods, over de Heilige Schrift, over de kennis der zonden, over de Wet en het Evangelie, over den Christus, over de rechtvaardigmaking, over het geloof, over de Kerk en over de Sacramenten, en over de laatste dingen.
In alle vragen moet ons de ergernis duidelijk gemaakt worden, welke ons natuurlijk gevoel neemt aan dezen grondslag van ons eeuwig lot en aan ons dagelijksch leven. Daarmede ontvangt de Christelijke dogmatiek de plicht, er voor te zorgen, dat het beginsel van de eeuwige verkiezing Gods tot in haar laatste getuigenis, we zouden haast zeggen, tot in haar vingertoppen natrilt. Zij moet — met Melanchton's woorden — „in alle deelen onzer leer inwerken". Daarom leeren wij een dogmatiek, die vertwijfeling leert en opstand tegen God.
* III. Als deze uitkomst recht van bestaan heeft: dat de eeuwige Voorbeschikking Gods zoowel voor het Christelijke leven als voor de Christelijke leer de beteekenis van grondslag heeft, zonder welke beide, het Christelijke leven en de Christelijke leer, in den afgrond verzinken van onzekerheid en menschelijke hoogmoed, dan heeft ook de kerkelijke verkondiging in prediking en zielszorg de plicht, de gemeente dit fundament aan te wijzen. Zij heeft niet meer het recht haar het Evangelie uitsluitend in den gebruikelijken vorm van de Goddelijke aanbieding en de menschelijke aanname te prediken: God biedt haar Zijn liefde. Zijn vergeving. Zijn Heiligen Geest in Christus aan, maar het is de zaak der gemeente, Zijn geschenk niet terug te wijzen, doch aan te nemen. Zoo gewiselijk deze vorm der prediking ook in den Bijbel staat, en zoo noodzakelijk en recht zij ook is, zoo zekerlijk is zij valsch en een afbreuk van Gods majesteit, zoodra zij het uitsluitende thema is, in welke wij den menschen de blijde boodschap brengen. Zij randt dan Gods verborgenheid aan, bestrijdt den Schepper het vrije beschikkingsrecht over Zijn scheping en rooft het ontdekte geweten de zekerheid, niet bij zich zelf, doch bij God te zijn.
De gemeente heeft er het recht op, de gansche Bijbelsche boodschap te hooren. Van de eene zijde gezien, is God ons duidelijk geteekend. Hij gaat in Christus door de wereld, en biedt aan alle menschen Zijn liefde aan, vraagt allen om hun Ja en bidt om hun geloof. Hij daalt zoó ver neer, dat Hij zich met ons op gelijke hoogte stelt, dat Hij voor zich de mogelijkheid uitsluit. Zijne Genade tevergeefs aan te bieden, door ons afgewezen te worden, zooals men een mensch de deur wijst. Hij weent en treurt, zooals Luther zegt, in Christus over Jeruzalem, dat niet van Hem weten wil. Hij strekt Zijn hand uit naar een wederstrevend volk. Hij toornt, als Israël Hem verlaat, en heeft berouw over Zijn toorn, als het tot Hem terugkeert. Het is eigen schuld, als de mensch verloren gaat. Zijn eeuwig lot rust in zijn eigen hand.
Hij beschikt vrij over zich zelf en is voor zijne beslissing eeuwig verantwoordelijk. De mensch, zegt Luther, zal de verborgenheid Gods niet aanroeren en doorvorschen, daar God een ontoegankelijk licht bewoont, maar de mensch zal zich bezig houden met het vleeschgeworden Woord, of, zooals Paulus zegt, met den gekruisigden Christus, in Wien alle schatten der wijsheid en des verstands zijn, maar verborgen; door Hem heeft de mensch overvloedig, dat hij weten en niet weten mag. De Christus zegt ook: „Ik heb gewild, en gij hebt niet gewild". Het vleeschgeworden Woord is daartoe gezonden, dat Hij zou willen, spreken, handelen, lijden, en aan allen aanbieden, wat tot de zaligheid noodig is. Met recht wordt alzoo gezegd: Als God den dood niet wil, is het dan onzen wil toe te rekenen, dat wij verloren gaan? Met recht, zeg ik, als men van den geopenbaarden God spreekt, want Hij wil, dat alle menschen gered worden, daar Hij door het Woord des heils tot allen komt. En het is de schuld van onzen wil, als hij Hem niet aanneemt, zooals ook Matth. 23 zegt: „Hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, en gij hebt niet gewild”.
Maar van de andere zijde gezien, werkt God alles in allen. Niet de mensch beschikt over zijn eeuwig lot, maar uiteindelijk geschiedt dit door God. Reeds eer wij geboren waren, heeft God over ons beschikt. Van eeuwigheid af heeft Hij Jakob liefgehad en Ezau gehaat. God zelf staat met Zijn eeuwig plan achter de afwijzing van Jezus door Jeruzalem. God acht de menschen niet als een vrije persoonlijkheid, maar als een klomp leem, een zaak, een onpersoonlijkheid, met wien Hij handelt zooals het Hem belieft. Dat is de verborgen, ondoorgrondelijke God, die van eeuwigheid af over ons beschikt heeft.
Daarom gaat Luther voort: Maar waarom die Majesteit deze fouten van onzen wil niet opheft, maar in alle menschen anders maakt, zoodat de mensch ze niet in zijn macht heeft, of waarom God den mensch deze fouten aanrekent, nu hij er toch niet vrij van worden kan, dat moogt gij niet vragen, en wanneer gij veel vraagt, zult gij toch geen antwoord krijgen, zooals Paulus in Romeinen 11 zegt: Wie zijt gij dan, dat gij met God richten wilt? Beide zijden in het Goddelijk Wezen vat Luther in één zin samen: De geopenbaarde Vleeschgeworden God weent, klaagt en treurt over het verderf der goddeloozen, ofschoon de wil der Goddelijke Majesteit met opzet eenigen verlaat en verwerpt, waarmee zij verloren gaan. En wij mogen niet vragen, waarom Hij zoo handelt, maar moeten den God aanbidden, die zulks kan en wil.
Weliswaar is er in deze opvatting van het Goddelijk handelen een tegenstrijdigheid. Maar hier komt alles op het juiste inzicht aan. God is een verborgen God, en wij mogen Zijn willen nu niet brengen onder de ééne, algemeene, ongebroken formule: God is liefde. De verklaring volgens Barth: ieder mensch staat onder Gods toorn en genade, is met die ééne, ongebroken formule nog in overeenstemming. Als achter den toornenden God het Ja staat voor ieder mensch van den liefhebbenden God, als het over het eeuwige lot van ieder mensch beschikkende wezen Gods Zijne genade is, dan is God niet meer verborgen. Dan is Zijn Wezen, onder ééne formule gebracht, daarmede geheel doorschouwd. Maar het geloof heeft volgens het reformatorisch begrip der eeuwige Voorbeschikking Gods niet het recht, in deze algemeenheid van Gods liefde achter Zijn toorn te spreken.
Er is slechts een enkel middel om den Christen dezen blik op God, om deze beschouwing, onmogelijk te maken. De vorm, die onze onmacht voor God alleen tot uitdrukking kan brengen, is de logische tegenstrijdigheid, de paradox. Wij kunnen in den tijd slechts in zulk een tegenstrijdigheid over de eeuwigheid spreken. Wij mogen slechts in een logisch gebroken vorm, een vorm, die de logica steeds weder loslaat, over God spreken. Door deze daad, die als door en door logische functie van ons verstand de grens van ons denken aantoont, buigen wij ons en zwijgen voor Gods verborgenheid. Daaruit volgt voor onze vraag:1. God daalt zoover neder, dat Hij met ons menschen op gelijke hoogte komt, om ons roept, om ons Ja bidt, en de mogelijkheid daar stelt, dat Hij ons Zijne vergevende genade aanbiedt, maar door ons wordt afgewezen. God roept ons in de vrije beschikking, legt ons eeuwig lot in onze hand en stelt ons voor onze beslissing eeuwig verantwoordelijk. God acht ons als vrije persoonlijkheid. Dat is de geopenbaarde God, de God der liefde, der algemeene roeping (belofte): od heeft allen onder de zonde besloten, en daarmede erbarmt Hij zich over allen. 2. Dezelfde God heeft van eeuwigheid af, over ieder van ons besloten, zooals over Jakob en Ezau, nog eer wij geboren waren, en goed of kwaad konden denken, " willen en doen, nog eer wij ons vóór of tegen God konden onderscheiden. De gedachte, dat wij Ja en Neen lot God kunnen zeggen, is reeds zooveel als een stellingnemen tegen Hem, want Hij kent geen neutraliteit. Daarom is de „vrije beschikking" een opstand tegen Hem. Deze, vrij over ons beschikkende God, is de verborgen God, de God van de bijzondere roeping (belofte) : „Zoo ontfermt Hij zich, wien Hij wil, en verstokt, wien Hij wil”.
Zonder deze alles in allen werkenden God, die van eeuwigheid alle dingen heeft voorbeschikt, is er geen werkelijk sidderende vrees en angst, en anderzijds geen rust voor het verschrikte geweten, doch slechts zenuwachtige onrust.
Daarom mag de verkondiging van Kerk en Zending onder geen omstandigheden, zooals dit tot hiertoe meestal geschied is, deze tweede zijde van Gods Wezen en van onze verhouding tegenover God buiten bespreking laten, schrappen, en daardoor een levensnoodzakelijkheid aan een gedacht bezwaar opofferen. Anders ontzinkt ons de bodem onder de voeten, en rukken wij dit kleinood uit onze prediking. Anders verkorten, ja verstoren wij de blijde boodschap des Bijbels. Anders beleven, leeren en verkondigen wij de twijfel en opstandigheid.
Derhalve moet de eeuwige Voorbeschikking Gods uit innerlijke noodzakelijkheid het Christelijke leven, de Christelijke leer en de Christelijke verkondiging zoo . doordringen, als het sap der boomen vanuit de wortel tot in de uiterste takken stijgt. De Christelijke gemeente heeft er het recht op, het Evangelie ook in dezen vorm te hooren, en de plicht, de logische tegenstrijdigheid te dulden en te bevestigen. Onze prediking mag niet in de eene vorm verstijven, maar moet in de beide vormen spreken en van de eene vorm in de andere overgaan, en dit telkens weer, om ons zoo van God te spreken, als de Bijbel het doet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's