WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT
ONZE BELIJDENIS — GEEN VLAG OP EEN MODDERSCHUIT
Dr. P. Boendermaker heeft een nieuwe vertaling van de Augsburgsche of Luthersche Belijdenis gegeven, met toelichting. In de Inleiding lezen we een beschouwing en waardeering van de Belijdenis, die we hier overnemen:
»Wanneer wij met elkander willen nadenken over de „Belijdenis", dan moet voorop gesteld worden, dat het hier niet gaat om een historische onderzoekingstocht door de velden der Kerkgeschiedenis. Een Belijdenis, die geen andere dan geschiedkundige beteekenis zou hebben, is een dood ding. Indien wij dan ook bij het overdenken van de beteekenis van onze Belijdenis ons uitsluitend zouden bepalen bij de feiten van het ontstaan, de twisten over de vaststelling en den groei van den definitieven vorm, die op een bepaalden datum tot stand kwam, dan kam dit interessant zijn, maar dn hooge mate onvolledig.
Wijl hebben noodig een Belijdenis, die leeft in het heden. Indien de Belijdenis alleen maar een museumstuk is, dat bij bijzondere gelegenheden ontrold, wordt voor de bewonderende massa en verder een vergeten bestaan leidt te midden van andere historische merkwaardigheden, dan beteekent zij nog maar zoo heel weinig. Het kan momenten van ontroering geven, er kan iets van bewondering wakker worden over de groote krachten, die in het verleden gewerkt hebben, maar de nuchtere werkelijkheid is, dat men zich toch ook niet kan onttrekken aan den indruk van groezeligheid, mufheid en verfomfaaidheid.
Een Belijdenis mag een vlag zijn, die met zekeren trots ontrold wordt, in geen geval een vlag, die een lading van velerlei afwijkende meeningen dekt of die een halfgezonken modderschuit nog een ietwat martiaal karakter moet geven.
Ik houd het beeld van de vlag even vast, want inderdaad ligt hier een groot terrein van gemeenschappelijke gedachten. Men behoeft waarlijk geen doorgefourneerd chauvinist te zijn om ontroerd te worden door het zien van de vlag van het eigen land, wanneer men op vreemden bodem zich bevindt, evengoed als het hooren van het Wilhelmus bij welke gelegenheden een eigenaardige gewaarwording 'in den mensch wekt.
Nu kan men wel daarom lachen en zich boven deze massa-suggestie verheven achten, een feit is toch, dat bijna niemand zich daaraan kan onttrekken. Ik spreek nu niet over de consequenties van deze gevoelens, die een wonderlijke vorm aannemen bij voetbalwedstrijden en Olympische Spelen. In den zuiversten en eenvoudigsten vorm wekt de vlag het gevoel van saamhoorigheid, een bijeen behooren door natuurlijke en historische banden, zooals wij in de dagen van het huwelijk van Prinses Juliana op bijzondere wijze hebben ervaren.
Zóó is het nu ook met de Belijdenis van een kerkelijke gemeenschap. Van oude tijden af is de Belijdenis een teeken van samenbinding geweest, een herkenningsteeken, aanduidend, dat men bij elkander behoort, niet op natuurlijke of alleen-historische gronden, maar in geestelijk-zeedelijke gebondenheid aan de hoogere Macht, waarvan men het bestaan in gemeenschappelijke aanbidding erkent”.
„Een Belijdenis is dus het bezit van een gemeenschap. Daarom schrijven wij ook het woord met een hoofdletter, om het te onderscheiden van een persoonlijke belijdenis, die van een volstrekt ander karakter is«.
GODSDIENSTVRIJHEID.
Er is een brochure verschenen: Godsdienstvrijheid, welk boekje is samengesteld door de Deputaten der Staatkundig Gereformeerde Partij, ds. G. H. Kersten, ds. P. Zandt en Ir. C. N. van Dis. Er wordt in betoogd, dat er geen godsdienstvrijheid mag zijn.
Prof. J. J. van der Schuit, docent aan de Theologische School der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland, schrijft daarover in De Wekker en zegt:
»Deze brochure is gericht aan het adres van prof. dr. H. Visscher, die hier college ontvangt, in wat Voetius en Smytegeld over godsdienstvrijheid hebben gezegd.
Ik waardeer de poging van deze brochure, gelijk ik ieder waardeeren wil, die zijn meening tracht te fundeeren.
Alleen is het geheel wat arm aan Schriftuurlijlk materiaal, en ook kwam mij vreemd voor, dat Groen van Prinsterer, die ik wat betreft het vraagstuk van godsdienst vrijheid nog wel durf te plaatsen naast de mannen, die in deze brochure worden genoemd, wordt gepasseerd.
Onze vaderen redeneerden uit het begrip van een Staatskerk. Hier ligt de kracht en tegelijk de zwakheid van het betoog.
Ik raad elk, die in dit vraagstuk belang stelt, naast deze brochure te lezen het geschrift van Groen van Prinsterer : „Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan 't Staatsrecht getoetst”.
Het kan dienen als evenwicht.
Laat men toch terugkeeren op de Antirevolutionaire paden, waarop mr. Groen van Prinsterer ons voorging.
Het gaat om gezag en vrijheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's