VRAGEN BUS
Vraag : Hoe komt het dat de Roomschen het Sabbathsgebod het 3de gebod
noemen en wij altijd spreken van het 4de gebod ?
Antwoord : Dat zitzaóó : de Roomschen en de Lutherschen (Luther volgde daarin Rome, zooals Luther veel meer van Rome overnam dan Calvijn) rekenen het 1ste en het 2de gebod voor slechts één gebod. Ze lezen deze (bij ons) twee geboden dus achter elkaar, alsof het één stuk, één geheel is. En wat hij ons dan het 3de gebod is, wordt bij hen het 2de, en wat bij ons het 4de (Sabbaths)gebod is, noemen zij het derde. Toch hebben ze dan tenslotte weer 10 geboden, omdat zij het laatste of lOde gebod (van de begeerte) splitsen en in tweeën lezen; het lOde gebod bij ons, is dan bij hen het 9de èn het 10de; welke splitsing, volgens ons, geheel zonder grond is.
Volgens de Roomsche (en Luthersche) opvatting heeft God, de Heere, op Sinaï geen afzonderlijk gebod gegeven tegen den beeldendienst; maar alleen een gebod tegen de afgoderij. Bij wijze van aanhangsel wordt dan in dat zelfde gebod, dat handelt over de zonde van de afgoderij, ook nog iets gezegd over den beeldendienst.
De Gereformeerden hebben daarmee nooit genoegen kunnen nemen. Want het gaat hier over twee verschillende zonden, in twee verschillende geboden : 1. gij zult geen afgoden dienen ; 2. gij zult van den éénen waren God geen afbeeldingen maken : afgoderij èn daarnaast beeldendienst, als twee verschillende zonden, waartegen in twee verschillende geboden gewaarschuwd wordt.
De afgodendienaar stelt inplaats van of naast den éénen waren God andere goden, andere voorwerpen van aanbidding.
De beeldendienaar wil juist den waren God vereeren (denk b.v. aan de zonde van Aaron en het volk bij de oprichting van een gouden kalf bij Sinaï), maar meent dit te kunnen en te mogen doen onder de gedaante van een beeld.
Twee verschillende zonden dus — die weliswaar heel dikwijls kunnen samengaan, b.v. waar afgoden gediend worden onder de gedaante van beelden. Dan hebben we afgodendienst en beeldendienst tegelijk.
Maar op zichzelf zijn het toch twee verschillende zonden.
En daarom moeten we ook het 1ste gebod (tegen de afgoderij) en het 2de gebod (tegen den beeldendienst) niet bij elkaar voegen, maar afzonderlijk houden.
Laat ons dit voorbeeld nog noemen: aanstonds na de scheuring van het rijk van Israël, in de 10 stammen in 't Noorden en de 2 stammen rondom Jeruzalem, begint in de Noordelijke stammen, onder Jerobeam den Eerste, den zoon van Nebat — niet de afgoderij, met het vereeren van andere goden, want de ééne ware God is ook daar God, maar begint de beeldendienst (kalverdienst) om zoo, op zondige wijze den God van Israël te eeren en te dienen. Pas 60 jaar later, in de dagen van Achab en Izebel, begint de Baalsdienst. Dan worden andere goden naast en in de plaats van Jehova gediend (afgoderij).
De strijd van Elia b.v. gaat niet tegen de beeldendienst, maar tegen de afgoderij; welke afgoderij bestreden wordt, ook wel eens uitgeroeid, maar helaas ! ook weer terug komt en blijft tot op de dagen van de Ballingschap.
Door de beeldendienst in te voeren is de weg gebaand voor de Baalsdienst, voor de vereering van andere goden, voor de zonde van de afgoderij.
En toen Jehu, die straks het huis van Achab uitroeit, een einde maakte aan den Baalsdienst (afgoderij), de gouden kalveren liet bestaan (beeldendienst), was hij gelijk aan een man, die wel zijn vijand het huis uitdrijft, maar verzuimt de deur achter hem te sluiten !
De beeldendienst was en is geen dienen van God naar Zijn Woord, geen dienen van den Heere in geest en waarheid. Het was en is een vleeschelijke dienst, waarbij men zich overgeeft aan allerlei, waarin geen vrede en zaligheid kan liggen (Rome).
Er prijkt dan wel een etiket op, met de woorden Gods-dienst, maar het is niet het dienen van God, m.aar het dienen van eigen maaksel.
Als Hosea over deze zonde des volks spreekt, zegt hij, dat het volk dan niet meer „des Heeren" zich openbaart en dat de Heere dan niet meer „hun God" wil zijn. „Gijlieden zijt niet Mijn volk — zoo ; zal Ik ook de uwe niet zijn". Israël wordt dan (onder het gewone beeld van het huwelijk) voorgesteld als de vrouw, die de verbondsbetrekking verbroken heeft en de kinderen Israels zijn dan de kinderen van de overspelige vrouw, die van God verstooten is. En nu moet men niet twisten .met God en Hem de schuld geven. Neen, zegt de Heere : „twist niet tegen Mij, maar twist tegen uw moeder". Want het is haar schuld. Zij heeft opgehouden de vrouw des Heeren te zijn en nu wil Hij, Jehova, niet langer haar Man zijn — tenzij zij zich leert bekeeren tot den Heere, waartoe Hij haar lokt en leidt en leert, ook al gaat het dan, om der zonde wil, door diepe wegen.
Alle eigenwillige, vleeschelijke godsdienst is voor Gods aangezicht verwerpelijk. Het schendt Zijn Woord en Zijn Wet, Zijn heiligheid en hoogheid. Het brengt dood en verderf, omdat men verlaat de levensbron, om te drinken de wateren des doods.
Het 1ste en 3de gebod blijven wij dus onderscheiden en geven er acht op, dat ze ten nauwste met elkaar verbonden zijn, doelende op tweeërlei zonde, die vlak naast elkaar liggen : afgoderij en beeldendienst (eigenwillige godsdienst).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's