HET DOOPSFORMULIER
HOOFDSTUK IV
HET VERBOND (Vervolg).
Bullinger en Calvijn.
De strijd van Calvijn met de Wederdoopers is te belangrijk om nog niet een aanhaling aan de gegevene toe te voegen. „Wie kan nu twijfelen aan de volstrekte valschheid van hetgeen zij vervolgens zeggen: dat de jonge kinderen, die eertijds werden besneden, alleen een afbeelding zijn geweest van de geestelijke kindsheid, die voortvloeit uit de wedergeboorte door het Woord Gods ? Want de apostel filosofeert zoo scherpzinnig niet (Rom. 15 vs. 8) als hij schrijft, dat Christus een dienaar der besnijdenis is om de beloften, die den vaderen gedaan waren, te vervullen, alsof hij in dezer voege sprak: dewijl het verbond, met Abraham gemaakt, op zijn zaad betrekking heeft, zoo is Christus om de belofte, eenmaal door den Vader gegeven, te vervullen en te betalen, tot het Joodsche volk gekomen tot zaligheid. Ziet gij niet, dat bij verstaat, dat ook na de opstanding van Christus de belofte des verbonds niet slechts eenspreukig, maar gelijk de woonden eigenlijk luiden, aan het vleeschelijk zaad van Abraham vervuld moesten wonden ? Hiertoe behoort ook hetgeen Petrus (Hand. 2 vers 39) den Joden verkondigt, dat hun en hun zaad door het recht des verbonds de weldaad des Evangelies toekwam en in het naastvolgende hoofdstuk (3 vs. 25) noemt hij hen kinderen, d. i. erfgenamen des verbonds". „Laat dan buiten geschil zijn, dat God den zijnen zoo goed en mild is, dat Hij om hunnentwil ook de kinderen, die zij gewinnen, tot zijn volk wil gerekend hebben”. (15)
Als Calvijn dit schrijft, weet hij heel goed, dat onder de gedoopte kinderen er gevonden worden, die straks Gode den rug zullen toekeeren, maar dit brengt hem niet tot de Doopersche stelling, dat eigenlijk alleen de uitverkorenen onder de kinderen gedoopt mogen worden. De beloften Gods zijn voor ons en onze kinderen. Die waarheid staat voor Calvijn vast. Daarom moeten wij al onze kinderen Gods beloften doen verzegelen, opdat zij weten, welk een goedertieren God de Heere hun wil zijn. Allen zijn in het verbond begrepen en hun allen moet daarom het teeken des verbonds gegeven worden. Wij mogen hier geen onderscheid maken en de belofte niet krachteloos maken door te zeggen, als zij opwassen: het teeken is eigenlijk niet voor u allen bestemd, maar voor diegenen, die uitverkoren of wedergeboren zijn alleen. Want welke troost en moedgeving tot geloof hebben wij dan te bieden, als zij antwoorden met de vraag : vader, ben ik uitverkoren of ben ik wedergeboren?
Juist hierin toont Calvijn een Schriftuurlijk theoloog te zijn, dat hij uitgaat van het geloof in Gods belofte, volgens welke God de Heere niet alleen aan de geloovigen belooft hun tot een God te zijn, maar in welke belofte Hij tevens verklaart ook de God van hun zaad te zijn. En als dan onder dat zaad ook Ismaëls en Ezau's blijken zich te bevinden, verklaart hij niet, dat God gelagen heeft en zegt evenmin, dat deze menschen ten onrechte het teeken des verbonds hebben ontvangen, maar hij spreekt dan evenals de profeten van een schending des verbonds, waardoor de vruchten des verbonds voor hen verloren gaan. Dit is niet een loochenen der verkiezing, want het is Zijn verkiezende genade, die scheiding maakt tusschen Ezau en Jacob ; nochtans past Calvijn de leer der verkiezing nimmer op zulk een wijze toe, dat hij tot de gevolgtrekking komt, dat deze menschen nimmer in het verbond begrepen waren en hun nooit de beloften Gods verzegeld zijn geworden. Door ongeloof echter hebben zij de beloften Gods veracht en verworpen.
Om dit nader te bevestigen, geven wij een eenigszins uitvoerig citaat uit cap. XV over den doop, waar de hervormer zich weder keert tegen de Wederdoopers.
Op hetgeen zij ons verder vragen, t.w.: Welk geloof toch bij ons eenige jaren lang op onzen doop gevolgd is, — opdat zij daaruit mochten besluiten, dat onze doop (de kinderdoop n. 1., W.) geen waarde heeft, dikwijls hij ons niet wordt geheiligd dan door het woord der belofte, door het geloof aangenomen (deze woorden laten bij vernieuwing zien, dat volgens Calvijn bet ongeloof het woord der belofte en den doop krachteloos maakt) — antwoorden wij dus : dat wij wel in onze blinddheid en ongeloovigheid langen tijd de belofte, die ons in den doop gegeven was, niet gehouden hebben, maar dat niettemin de belofte zelf, als van God zijnde, altijd vast, bondig en waar is gebleven. Schoon alle menschen leugenachtig en trouweloos 'worden, zoo houdt nochtans God niet op waarachtig te zijn ; schoon allen verloren gingen, zoo blijft evenwel Christus de zaligheid. Wij bekennen dus, dat de doop ons vóór dien tijd geen haar heeft gebaat, toen de in den doop ons voorgestelde belofte, zonder welke de doop niets is, veracht lag. Doch nu, nadat wij ons door de genade Gods zijn begonnen te bekeeren, beschuldigen wij ons wegens onze blindheid en hardheid des harten, daar wij ons ten opzichte van eene zoo groote goedheid zoo lang ondankbaar hebben gedragen. Voorts gelooven wij, dat de belofte zelf niet is verdwenen, maar denken veeleer bij ons zelf dus : God belooft door den doop vergeving der zanden en Hij zal ongetwijfeld de beloofde vergeving allen, die gelooven, schenken. Die belofte was ons in den doop voorgesteld; laat ons dan dezelve in het geloof omhelzen. Zij is ons wel langen tijd vanwege ons ongeloof begraven geweest; maar laat ons haar nu door het geloof aannemen. Als daarom de Heere het Joodsche volk tot bekeering noodigt, gebiedt Hij degenen, die, gelijk wij gezegd hebben, door een goddelooze en heiligschennende hand besneden, in dezelfde boosheid verward, een tijdlang geleefd hebben, niets aangaande een tweede besnijdenis, maar dringt alleen aan op een bekeering des harten. Want schoon het verbond door hen geschonden was (hier heeft men wederom het bewijs, dat Calvijn het genadeverbond niet conditioneel maakt, maar wel erkent, dat het door een ongeloovig en onboetvaardig leven geschonden wordt) bleef nochtans het teeken des verbonds uit kracht van de instelling des Heeren altijd vast en onveranderlijk. Zoo worden zij dan alleen onder voorwaarde van bekeering in het verbond hersteld, hetwelk God eenmaal met hen in de besnijdenis gemaakt had; welke besnijdenis zij nochtans, door de hand van een bondbreukigen priester ontvangen hebbende, wederom zooveel in hen was, hadden verontreinigd en wier kracht zij hadden vernietigd”.
In zekeren zin hebben wij in deze paragraaf heel de doopsbeschouwing van Calvijn kont samengevat. De doop is hem een verzegeling van Gods beloften. Deze beloften des heils zijn waarachtig, wijl God waarachtig is, en zij blijven waarachtig, ook al zou niemand ze gelooven. Door ongeloof beticht men echter geen nut uit deze beloften en evenmin dan uit den doop, maar mag een mensch zich door Gods genade daarvan bekeeren, dan liggen daar nog altijd dezelfde beloften, die hij eertijds veracht heeft, en de doop, eertijds verworpen in haar kracht, verzegelt nog altijd diezelfde beloften en de boetvaardige wordt opgewekt, alsnog die beloften geloovig aan te nemen en in de verzegeling daarvan zich te verheugen tot versterking van zijn geloof.
Duidelijk blijkt bovendien uit alles, dat de ontrouwen wel in het verbond begrepen zijn, al genieten zij door hun ongeloof de vruchten des verbonds niet. Want hoe kan men een verbond schenden, verbreken, bondbreukig zijn, als men nooit in het verbond geweest is ? En hoe zou ons in den doop de belofte des verbonds verzegeld kunnen worden, als wij buiten het verbond ons bevonden?
Wij willen nu nog een citaat uit Calvijns Inistitutie laten volgen, omdat dit citaat eigenlijk geheel samenvat, waar het ons in het stuk des verbonds om te doen is. Want het gaat in deze dingen niet om theololgische bespiegelingen, die alleen voor de studeerkamer bestemd zijn, maar om het brood des levens voor Gods Kerk; het gaat om de beloften des heils in Christus Jezus, waarin alleen ons behoud gelegen is en om de vrijmoedige toegang des geloofs tot deze beloften. De verbondsbeschouwing, zooals die in de achttiende eeuw de leiding kreeg en die onder ons sterk nawerkt en in de Gereformeerde Gemeenten officieel geijkt is geworden, heeft de toegang tot het verbond en zijn beloften voor iemand, die niet dan zondaar is, afgesneden en heeft voor dezen toegang een genadebewijs, in den mensch afgedrukt, geëischt. Men kan dan vrij ruim te werk gaan of zeer enig, maar de mensch moet in elk geval in zich zelf iets vinden of ondervinden, op grond waarvan hij besluiten mag, dat hij tot het verbond behoort en dat de beloften des verbonds hem toekomen. De kracht en de blijdschap des geloofs beide gaan hier verloren. Dit standpunt lijkt op dat der wederdoopers als twee droppelen waters op elkander.
Ziehier het citaat (XVI 32) „Ik acht, dat ieder verstandige nu duidelijk ontwaren zal, hoe moedwillig zij, die twisten en geschillen over den kinderdoop opwerpen, de Kerk van Christus beroeren. Maar ook is het der moeite waard op te merken, waarop satan met deze zoo groote sluwheid het toelegt, namelijk opdat hij de bizondere vrucht des vertrouwens en der geestelijke blijdschap, die hieruit te erlangen is, ons ontrukken en de eer der goddelijke goedheid ook in diezelfde maat verminderen zou. Want hoe aangenaam is het voor de godvruchtige zielen niet slechts door het Woord, maar ook door het gezicht der oogen te worden verzekerd, dat zij zooveel genade verkrijgen bij den hemelschen Vader, dat Hij ook voor hun nakomelingschap borg draagt. Want wij kunnen hier zien, dat Hij ten onzen opzichte den persoon van een zeer zorgdragenden vader aanneemt, die zelfs na ons verscheiden de zorg voor ons niet aflegt, maar de behoeften van onze kinderen verzorgt en daarin voorziet. Moeten wij hier niet naar het voorbeeld van David van ganscher harte ons tot dankzegging verheffen, opdat zijn naam voor zulk een bewijs van goedertierenheid geheiligd worde ? Dit, juist dit beoogt de satan, wanneer hij zoo geweldig op den kinderdoop aanvalt, opdat namelijk na het wegnemen van deze getuigenis der genade Gods, daardoor de belofte zelf, die door dezelve ons voor oogen gesteld wordt, ten laatste van lieverlede verdwijnen mocht.
Waaruit niet slechts een goddelooze ondankbaarheid jegens de barmhartigheid Gods, maar ook een zekere traagheid om de kinderen tot godsvrucht op te leiden, zou geboren worden. Want wij worden niet weinig door dezen prikkel aangezet om hen in de ernstige vreeze Gods en de onderhouding der wet op te voeden bij de overweginig, dat zij door Hem, terstond van hun geboorte af, voor Zijn kinderen zijn gehouden en gerekend geworden. Laat ons daarom — indien wij de weldadigheid Gods niet boosaardig willen verdonkeren — onze kinderen Hem toewijden, aan wie Hij een plaats verleent onder Zijn vrienden en huisgenooten, dat is onder de leden der Kerk”.
Indien Calvijn in onze dagen geleefd had, zou hij zeker door die lichte lieden, die zich zelf voor zwaar uitgeven, van wege deze woorden voor een remonstrant en geloofssnoever gescholden zijn. Want deze menschen, die wel niet den kinderdoop maar de beteekenis en die kracht van dezen verwerpen, verdonkeren boosaardig de weldaldigheid Gods en verminderen de eer der goddelijke Goedheid. Daarom is er bij hen ook een traagheid om hunne kinderen tot godsvrucht op te leiden; want daar zij de weldadigheid Gods verdonkeren, moeten zij tot de wet hun toevlucht nemen om de kinderen tot bekeerinig te vermanen, vergetende alzoo, dat de wet toorn wekt, maar de goedertierenheid Gods tot bekeering leidt.
Wanneer wij onze kinderen enkel kunnen zien als verdoemelingen en met meer met Calvijn kunnen en durven en willen gelooven, dat zij door God voor Zijn kinderen zijn gehouden en gerekend, wanneer wij met ons doopformulier niet meer belijden, dat zij zonder hun weten in Adam verloren zijn, maar evenzoo (zonder hun weten) in Christus weer tot genade zijn aangenomen, zoo zijn we verloren en is er in de toekomst voor de gereformeerde richting geen verwachting meer, want de bittere vrucht van dit alles is, dat het komende geslacht onder het gebruik van vrome termen verzinkt in een valsche lijdelijkheid, in ongeloof en onboetvaardigheid, in een wereldsche onverschilligheid, die het ten slotte aan den dienst van God geheel den rug zal toekeeren.
O. a. d. IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's