MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming- uitgever J. H. Kok te Kampen
„Je praat er goed over; als je maar eens in mijn schuitje zat", kwam Klaske, eenigszins geraakt.
„'k Heb toch ook in zoo'n schuitje gezeten, en als God mijn man niet weggenomen had, zou ik nóg in hetzelfde geval verkeeren. Maar altijd is 't mijn streven geweest, het huis zóó in te richten, dat mijn man zich daar op zijn plaats gevoelde. Daarom was hij nergens liever dan thuis, maar vandaar ook de vreeselijke omkeering, toen ik plotseling alléén overbleef. Geen mensch weet wat dit voor mij geweest is en hoe groot mijn heimwee was, vooral die eerste weken en maanden, toen ik geheel alléén mijn weg had te gaan”.
Opnieuw kwamen bij de weduwe de beelden uit het verleden voor den geest. Met haar zakdoek droogde zij' hare tranen. Ja, dat waren zware tijden geweest, niet enkel om het geldelijk verlies, maar nog veel meer wegens dat vreeselijke heimwee, dat haar had verteerd in het gemis van haar man.
Klaske werd er stil onder, 't Speet haar deze snaar te hebben aangeroerd. Doch hoe kon zij weten, dat buurvrouw nog over haar man dacht, die al lang dood was. Gelske en zij hadden een heel ander beeld van vrouw Kalma gemaakt, Waarbij de dooden waren uitgeschakeld. Thans bleek, dat zij zich vergist had en de eens geslagen wonde nog niet was geheeld, — wellicht nooit weer heelen zou.
In het oog van Klaske kwam iets van meelijden. Ja, het beteekende wel wat voor een vrouw, met drie onverzorgde nog jonge kinderen achter te blijven, om zich dan met dezen geheel alleen een weg door het leven te banen. Dan moest zij stil en dankbaar zijn voor het bezit van Douwe, die in elk geval zijn best deed, om het brood voor het gezin te verdienen.
Buurvrouw gebruikte daar het woord „God". Deze had haar man weggenomen, zei ze. Vroeger sprak zij nimmer zoo. Klaske meende, dat hij longontsteking had gehad of de Spaansche griep en daaraan gestorven was, en dat had men algemeen gezegd. Nu zei buurvrouw, dat God hem weggenomen had. Zij kon daar niet bij, maar 't was wel een bewijs, dat onder den invloed van Murk hier veel veranderde.
„Gelukkig, dat je Murk in huis gekregen hebt en het zoo goed gaat", zei Klaske na eenigen tijd, zoowel uit medelijden, om iets te zéggen, alsook om te hooren, hoe buurvrouw daar zélf over dacht, „'t Is in elk geval veel gezelliger voor je en het brengt ook nog wat in de beurs", voegde zij er aan toe.
Vrouw Kalma begreep echter dadelijk waar zij heen wilde. Zij moest voorzichtig met haar woorden zijn, omdat morgen of overmorgen heel de straat deze zou weten, om er wellicht een uitlegging aan te geven, welke zij allerminst bedoelde.
„’k Heb in mijn beproevingstijd geleerd, dat geen ding by geval geschiedt en God het is, die alles in ons leven bestuurt. Hij geeft kracht naar kruis en zal in de toekomst ook alles wèl maken, al weten wij niet langs welke wegen Hij ons voeren wil, " sprak zij.
Nu wist Klaske nog niets ; alleen, dat buurvrouw bezig was, om knap vroom te worden en een taal begon te spreken, waar zij niets van begreep. En dan, dat buurvrouw geloofde, dat God zich bijzonder met haar bemoeide ; precies alsof Hij haar kende. Hoe kwam zij daaraan ? En vanwaar wist zij dat ?
„Murk zal je hier anders den langsten tijd haast wel gehad hebben, " kwam, zij weer. „Hoe zoo ? " vroeg deze onnoozel, wel begrijpend haar bedoeling.
„O, ik dacht zoo, dat je een volgend jaar Mei met Pleuntje ging trouwen. Een beste meld hoor, met een paar flinke handen aan d'r lijf. En zuinig, dat zij is ? Naar 'k hoor, moet zij gister een nieuwe jurk gedragen hebben, omdat zij naar de kerk ging, maar anders zou ik den tijd niet weten te noemen, waarop Pleun iets nieuws heeft gekocht, 'k Wed, dat zij een aardig potje heeft.”
„Van dat laatste is mij heelemaal niets bekend en wat dat eerste betreft, ook daarover is door ons in het geheel nog niet gesproken. Wanneer het evenwel zoover tusschen ons eens komen mocht, dan spreekt het van zelf, dat je méé een van de eersten bent, die dit te weten komt, " was het antwoord van Murk, met iets in zijn blik, zoodat zij niet wist wat van zijn woorden te moeten denken. Toch liet zij zich nog niet ontmoedigen.
„Jullie bent anders beiden niet zoo jong meer", hernam ze. „De meeste menschen trouwen véél te jong. Zélf ben ik ook zoo dwaas geweest. Men meent dan, dat het met trouwen „in de bus" zal zijn, maar o neen, dan komt het pas. De bruiloft en de bloemetjes zijn mooi en cadeautjes krijgen van de familie en kennissen is leuk werk, maar dan gaat de deur van bekommernis open”.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's