KERK, SCHOOL, VEREENIGING
NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK.
Beroepen :
te Arnemuiden J. van den Heuvel, cand. te Delft — te Ridderkerk (2de pred. plaats) C. van den Boogert te Zuid-Beijerland — te Hoevelaken J. Cuperus te 's-Grevelduin-Capelle — te Neerlangbroek A. Luteijn te Onstwedde — te Hoogeloon-Eersel ca. (N.-Br.), (toez.) R. van der Mast, cand. te Driebergen — te Nieuwe Pekela H. U. Talens te Sloten (Fr.) — te Tienhoven J. Hoogekamp, cand. en hulppred. te Utrecht.
Aangenomen:
naar Hellevoetsluis S. P. de Roos, cand. en hulppred. te Driebergen — naar Leeuwarden Adr. Oskamp te Enschedé.
Bedankt:
voor Oude Tonge A. de Leeuw te Willige Langerak.
GEREFORMEERDE KERKEN.
Tweetal:
te Schiebroek-Hillegersberg-Centrum : G. Hagens te Asperen en J. Kapteyn te Kralingscheveer — te Oosterbeek : P. K. Keizer te Vrijhoeve-'s-Grevelduin-Capelle en A; van de Weg te Oudewater.
Viertal:
te Amsterdam (vac. C. Lindeboom) : dr. G. C. Berkouwer te Amsterdam-Oost; P. N. Kruijswijk te Hilversum; J. C. J. Kuiper te Arnhem en dr. P. G. Kunst te Deventer.
Beroepen:
te Bierum B. Slingenberg te Echten (Fr.) — te Nieuwe Pekela (toez.) H. Y. Talens te Sloten — te Schettens-Schraard E. A. van Es te Warns.
Aangenomen:
naar Beekbergen N. J. A. van Exel te Strijen.
Bedankt:
voor Stad a/h Haringvliet K. Bokma te Waardhuizen (N.-Br.).
CHRISTELIJKE GEREFORMEERDE KERK.
Beroepen:
te Sneek W. Heerma te Aalsmeer.
Bedankt:
voor Zwaagwesteinde W. Heerma te Aalsmeer.
GEREFORMEERDE GEMEENTEN.
Bedankt:
voor Ridderkerk en Enkhuizen M. Heikoop te Utrecht.
Prof. dr. Th. L. Haitjema.
De bekende Groninger hoogleeraar prof. dr. Th. L. Haitjema, voorman van de Confessioneele richting in de Ned. Hervormde Kerk hier te lande, zal van 9—16 Juni a.s. te Michigan (N.-Amerika) vertoeven. Prof. Haitjema, die op Zondag 13 Juni a.s. te Grand Rapids in de godsdienstoefening zal voorgaan, gaat naar Amerika om alda^ar bij te wonen de vergadering van de Pan-Presbyteriaansche Alliantie, die op 23 Juni a.s. te Montreal vergadert. Prof. Haitjema zal tijdens zijn verblijf in Amerika verschillende lezingen houden. Zijn adres in Amerika zal zijn: bij dr. S. V. d. Werf, 48 F. Sth St. Holland, Michigan.
Beroepbaar.
De heer J.. van Leusden, door het provinciaal kerkbestuur van Overijssel toegelaten tot de Evangeliebediening in de Nederlandsch Herv. Kerk, stelt zich terstond beroepbaar, adres : Stationsstraat 27 te Steenwijk.
Door de Provinciale Kerkbesturen der Nederl. Hervormde Kerk werden in hun laatste vergaderingen na gehouden examen toegelaten tot de Evangeliebediening in deze Kerk de navolgende candidaten in de Theologie :
E. P. J. Jebbink, Herv. Pastorie, te Holten ; W. Hop, Telgt E. 80, te Ermelo; J. A. Fricke, W. Lodewijkstraat 1113, te Leeuwarden ; E. C. Baert, Brederodestraat 18, te Arnhem; J. v. d. Heuvel, Poortlandlaan SO, te Delft; W. H. Poot te Wommels ; M. Foeken, Santpoortstraat 40, te Haarlem' ; G. Meyer Drees, Deventerweg 108, te Zutphen; J. W. Schokking, Borneostraat 26, te 's-Gravenhage; H. G. van Beusekom, Ned. Herv. Pastorie te Aarlanderveen ; mr. J. Visser, Molenweg 15, te Baarn ; J. Zandee, Hooge Rijndijk 54 te Leiden ; J. A. v. d. Meiden, Cartesiusstraat 193 te 's-Gravenhage ; H. Bartlema, Parkweg 15, Voorburg (Z.-H.) ; Jac. v. Leusden, Hervormde Pastorie Steenwijk; A. Donker, Giephoek 15, Alphen aan den Rijn ; J. Sprey, Verhulststraat 30, 's-Gravenhage; J. Veen, Koningslaan 17, Utrecht; G. J. Gijmink, Coehoornsingel 70, Zutphen ; D. v. d. Ent Braat, Leidscheweg 3'8, Voorschoten ; L. Brasser, Alidalaan 12, Huizen (N.-H.) ; B. Dagevos, Zandstraat 1, Terneufcen ; J. A. Dankbaar, Vijverlaan 39, Rotterdam-Oost.
De eerbied voor het Koningschap.
De Koning van Engeland regeert over een reusachtig Rijk. Het bestaat uit het oude Engeland en Schotland en meer dan 50 overzeesche bezittingen, saam een rijk van 600 millioen inwoners. In de Rijksconferentie hebben de vertegenwoordigers van al die bezittingen rondom, de tafel gezeten om de belangen van het reusachtig Rijk weder gezamenlijk te bespreken met de regeering van het moederland. Met groote eerbied en warme sympathie hebben allen den nieuwen Koning hun groet gebracht.
De Koning van Engeland is, naar een eeuwenoude traditie, door de hoogste kerkelijke autoriteit bij zijn kroning gezalfd. In zijn radiotoespraak tot het volk, liet hij wel uitkomen, dat hij daarin voelde, dat hij regeerde bij de gratie Gods, met erkentenis van de oppermajesteit Gods. Heeft zijn oudste broeder dat, op een gegeven oogenblik, niet vergeten, dat er een hoogere wil is, dan de wil eens menschen, gaande zijn eigen gekozen weg, die een zondige weg is ? .....
Ook in Denemarken is een Koningis-plechtigheid geweest, al was het geen kroning van een vorst. Koning Christiaan, de populaire; koning, mocht met zijn volk gedenken, dat hij 25 jaar aan de regeering is. De Socialistische voorman, Stauning, heeft het bij het jubileum uitgesproken, dat de koning onmisbaar was ! Zoó sprak de Socialistische premier.
Hoe meer de koning en de troon en de kroon gezien mag worden onder de gratie Gods, hoe beter het is. Dan gaan de oogen weer open voor den Allerhoogste, en zal er ook weer iets verstaan worden van de belijdenis van den Vader des Vaderlands: „'k Heb met den Heer der heeren, een vast verbond gemaakt", alsook van hetgeen we zoo gaarne in Nederland zingen : „Mijn schild ende betrouwen, zijt Gij, o God, mijn Heer ; op U zoo wil ik bouwen".
De Kerk in Amerika.
Een Amerikaansch rapport zegt, dat ook de Amerikaansche Christenheid, tot zelfbezinning gedreven wordt. Het leven der kerken heeft zich veel te veel laten verstrikken in het leven der maatschappij, in het wereldsch leven. De eisch moet gesteld worden, dat de Kerk moet leeren zich daaruit los te maken, om tot de wereld te komen met haar goddelijke boodschap. In den kerkelijken arbeid is een streven naar succes ; alles moet practisch nut hebben, moet tastbaar en zichtbaar zijn ; moet reclameachtig groot zij.n en moet bewonderd worden, gelijk het Amerikaansche leven dat wil. De Kerk heeft al te gemakkelijk daaraan toegegeven, 't Moesten allemaal groote, pralende kerkgebouwen worden, suggestief door grootheid en pracht. Nu zijn de schulden ondragelijk groot geworden, en komt er een zeker defaitisme, met dalende ontvangsten. Men ziet nu, dat de groote, de succesvolle, de luidruchtige Kerk heelemaal niet de geestelijk diepste en werkzaamste Kerk is.
Men is gekomen in de wereldsche sfeer en de wereldsche organisaties van clubs, loges, weldadigheidsvereenigingen, genootschappen, met allerlei faciliteiten voor de „deelnemers". Wat alles dikwijls niets te maken heeft met de gemeenschap die het Evangelie onder Christenen brengt".
Het begrip van het Evangelie is in 't geding en staat op 't spel. Er zijn twee groepen : de eene wil met groote starheid aan een traditioneele opvatting van het Evangelie vasthouden, de andere wil deze opvatting al te gemakkelijk aan elke intellectueele mode aanpassen. Theologie is voor de meesten taboe, en dikwijls schijnt het alsof men de theologische problemen met een samenzwering van stilzwijgen uit de wereld wil helpen. Maar daarmede raakte de Amerikaansche gemeente ook een wereld-en levensbeschouwing kwijt. Fascisme en Communisme maken daar nu gebruik, of liever misbruik van !
Men begint nu te zien, dat het nieuwe humanisme een volslagen fiasco is. Uitgaande van den mensch en menschelijke doeleinden in 't oog houdend, is het een totale mislukking geworden, met bittere teleurstelling. De mensch, ook de ideaal-mensch, is geen hecht fundament en geeft geen bron van hoop en troost. Integendeel. „Een menschelijk evangelie is een illusie ; een religie zonder God een onmogelijkheid".
Er komt een roep om het Evangelie, om Christus, om hetgeen vastheid en hoop en blijdschap geven kan, nu en in de toekomst. Daardoor komt er ook een sterkere drang naar Christelijke éénheid. De tegenwoordige versplintering remt het werk van de Kerk en verbruikt onmetelijke krachten".
Het Evangelie van Johannes.
Prof. dr. De Vrijer schrijft in een recensie : „De heilige Johannes heeft met groote kracht de Godheid van Christus den Heer beschreven. Ofschoon hij in het Nieuwe Testament het duidelijkst spreekt, is hij toch juist het heftigst bestreden" — heeft Luther gezegd in de voorrede van zijn Duitsche N.T. van 1542. De heftige worsteling om de vele problemen, die het Evangelie van Johannes oproept, gaat door tot op dezen dag. Maar telkens ook komt over de Kerk en over de theologen een nieuwe golf van den diepsten eerbied over dit geheimzinnige boekje. Zie ik het goed, dan zal in de eerstkomende jaren een nieuwe begeerte naar het leven met Christus, verborgen in God en óók een nieuwe begeerte naar een verzinken in de Godsopenbaring door het Evangelie van Johannes in het West-Europeesche Christendom ontwaken.
Het doel van het vierde Evangelie geeft hoofdstuk 20 VS. 31 aan : „Opdat gij moogt komen tot het geloof, dat Jezus is de Christus, de Zoon Gods, en opdat gij door dat geloof leven moogt hebben in Zijnen Naam".
Prof. de Vrijer, die het nieuwe boek over het Evangelie van Johannes van Wilhelm Oehler bespreekt, zegt daarvan: „Dit nieuwste boek van Oehler, (die vroeger Zendeling is China Is geweest en nu predikant in Würtenberg) legt een volstrekten nadruk op de uitdrukking „moogt komen tot het geloof" uit 20 vers 31, welke lezing hij daar kiest, evenals in 19 vs. 35. Hij gaat uit van het doel van het Evangelie van Johannes en ziet dat doel in: het schrijven door Johannes, den zoon van Zebedeüs, door bemiddeling van een Griekschen secretaris, van een propagandageschrift, om niet-Christenen, in bet bijzonder Grieken, te winnen voor het Christelijk geloof. Anders dus als Theodor Zahn en prof. Ubbink ten onzent, die Johannes voor christenen bestemd achten ; ook anders als K. Bomhauser, die Israël als geadreseerde acht".
Prof. de Vrijer merkt verder op: „Er blijft altijd één bezwaar bij iedere verhandeling over het vierde Evangelie, n.l. dat de rijkdom én het mysterie van dit boek zóó overweldigend zijn, dat iedere uitleg slechts stamelen blijft en ieder accentueeren van één gezichtspunt (gelijk hier van het Zendingspropaganda-doel) tot een vernauwing wordt, Oehler zelf gevoelt dit en eindigt zijn werk met Zahn's woorden : „hoe weinig draagt de uitlegger van Johannes bijl tot de verkondiging van het Evangelie in de wereld, in het volle gevoel van het tekort in wat hij den lezer bood".
Preeken.
In Algem. Weekblad schrijft ds. J. Petri; „Als men zoo ongeveer twintig jaar aan bet preeken is, begint men er niet aan te wennen, doch telkens wordt het brengen van het Woord weer tot probleem", „'t Gewone preeken is eigenlijk wel uit den tijd, de prediker moet spreken". „Onlangs hoorde ik een van de bekende theologen van ons land, die ook een gevierd spreker is, en ik ontdekte dat het geheim van zijn spreken is: vertellen. Hij vertelde den Bijbel, geheel vertaald in het woord en het beeld, van onzen tijd. Is het heerlijkste van den Bijbel niet, de prachtige wijze van verhalen. En is de epische vertelling met goddelijken achtergrond niet één en al prediking". „Het Woord Gods moet gebracht als 't onmiddellijk sprekende. De mensch wil de sprekende onmiddellijkheid". „De profeten moeten weer gaan spreken en de Heiland moet weer het vleesch geworden Woord zijn, en hoe kan dat beter dan door over ben en van Hem te vertellen en al vertellende hen zelf aan het Woord te laten".
„Het Woord mag niet alleen liturgisch worden bediend, want dat is wereldvlucht uit het heden. Liturgie moet als stijl groeien, doch eén profeet doet en zegt de dingen nooit „mooi". De Bijbel moet tot landschap worden, tot landstreek, tot het buitenland, dat wij gaan bereizen. Het grenst vlak aan , ons levensland. Doch wij moeten de douane passeeren. Wij moeten alle commentaren en dogmatieken en handleidingen opgeven aan de grens. En dan gaan wij leven en. zien. Wij gaan beroemde plaatsen opzoeken, doch telkens staan wij in het avontuur. We gaan niet langs de autowegen en heirbanen, ook niet met de D-treinen in 't opgetogen gezelschap van de Christelijke reisvereéniging".
Luther heeft gezegd: „de Schrift is de kribbe, waarin Christus neergelegd is", en leerde, dat alles in de Schrift, enkel omdat het in de Schrift staat, gelijkelijk geïnspireerd is door den Heiligen Geest. We moeten in den Bijbel op reis gaan en het ligt nooit in 'n vlak. Landschappen, bergen, velden en dorpen, wisselen zich af en wij hooren overal in verschillende talen spreken. En dan gaan wij vertellen, vertalende de taal der Schrift in onze eigen taal. Zóó vertellen, dat de menschen er bij zijn. Dan is de preektoon wèg en vergeet men ook den geweldigen spreker.
„De gewone beroemde volkspredikers zijn dikwijls theatrale effectjagers, die op een bombastische wijze toasten op het Heilige en die de gemeenten verwilderen tot een kerkpublieie. De goede prediker moet leeren vertellen". De spreker moet leeren zwijgen, omdat hij zooveel te vertellen heeft. En dan is God aan 't woord.
„Onze tijd heeft geen tijd meer om zich in de kerk te zitten vervelen of om zich alleen liturgisch te laten toedekken".
Het verval van de Openbare School.
De Openbare School heeft na 1920 nog kunnen teren op „oud kapitaal". Nu wordt het verval en de achteruitgang meer en meer openbaar. In 1902 had Amsterdam, op ongeveer 695.000 inwoners, ongeveer 300 Openbare Scholen, met 61.556 leerlingen. Nu de bevolking is' toegenomen tot 783.000 menschen, zijn er nog 189 Openbare Scholen met 45.021 kinderen. De vermindering van het aantal scholen zegt .nog niet alles, want door concentratie zijn er scholen saamgevoegd ; maar 't aantal kinderen geeft de naakte werkelijkheid: het aantal inwoners neemt toe en het. aantal leerlingen van de Openbare School neemt sterk af.
Een flink man.
'Het is een typisch, verschijnsel in onzen tijd — lezen we in „Hier en Daar" (Alg. Weekblad) — dat men zijn gezag meent te kunnen ontleenen aan felle critiek op anderen en op allerlei verschijnselen. Veel eenvoudige menschen, trouwens ook veel ontwikkelden, raken daar zeer van onder den indruk en verslijten dan spreker of auteur voor een „flinke" m.an, die durft te zeggen, waar het op staat. Maar het blijft bij het negatieve, bij afbraak, en het positieve, het opbouwen komt niet. Tallooze publicisten en sprekers doen ten onzent practisch niet anders dan neersabelen.
Onze Minister-President vormt een prachtige uitzondering; men zal hem maar zelden hooren afbreken. »
Wij zeggen : houdt hem in eere !
Een nieuwe wereld.
„De nieuwe wereld", zoo lezen we in Timotheüs, „is de wereld van vergeving van zonden. Niet een wereld die wij willen maken door veranderde menschen. Maar een wereld, die ieder mensch persoonlijk ingaat, als hij, met boete en berouw tot God komt en gelooft dat er bij God vergeving is.
Vergeving niet alleen van een enkele misdaad, van hardheid of hoogheid, maar vergeving van alle, alle onze zonden. En dat op grond van de verzoening, door Jezus Christus aangebracht. Want er is één God, maar daar is ook één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus, Die Zich gegeven heeft tot een rantsoen voor allen.
Wat is er vaak veel menschenwerk ook in betrekking tot de bekeering !
Inspanning om een nieuw leven te leiden met 't einddoel: vergeving. Maar dit is niet de weg Gods. Als er waar berouw is, begint onze weg met vergeving, volle vergeving, om van daaruit tot een nieuw bestaan te komen.
Dat is de nieuwe wereld door de vergeving van de zonden, door de liefde Gods, door het Kruis; de wereld van onvoorwaardelijke vergiffenis van al onze zonden en ongerechtigheden om Christus' wil.
Ds. John R. Mott.
In de Amerïkaansche bladen vinden we van de hand van den president van den Internationalen Zendingsraad, dr. Joh. R. Mott, te New-York, het volgende :
„Wel nooit te voren hebben de deuren voor den Christelijken Zendingsarbeid zoo wijd on zoo vriendelijk opengestaan als heden ten dage. Nog nooit trad zulk een menigte van onopgeloste beslissende vragen in het licht als in onze dagen. Maar — wij weten niet hoe lang de deuren open staan. De dingen ontwikkelen zich met een geweldige snelheid. Als iemand mij vragen zou, welke naar mijn meening de landen zijn, van welke men het allerminst zou kunnen denken, dat ze bezig zijn geheel te veranderen, zou ik China, Korea, Perzië en Turkije noemen. In een deel dezer gebieden (b.v. China) zoekt de bolsjewistische godloozenbeweging met alle macht vasten voet te winnen. Wij gaan buitengewoon gevaarlijke tijden tegemoet, of beter gezegd, wij worden ze tegemoet gevoerd«.
Geen crematie.
De Heilige Synode der Grieksch-Orthodoxe Kerk heeft naar het voorbeeld van het patriarchaat te Alexandrië, een verbod van lijkverbranding voor orthodoxe christenen uitgevaardigd.
Christelijk Gereformeerde Kerk.
De Generale Synode der Chr. Gereformeerde Kerk wordt dit jaar in Juli te Hilversum gehouden. Er komen o.a. aan de orde : de toestand der Zending, de emeriteering van de predikanten, de hoogleeraarsvacature aan de Theologische School te Apeldoorn en het rapport over de beantwoording van de vraag der Gereformeerde Kerken naar kerkelijke eenheid.
Nieuw Testament in Italië.
Naar aanleiding van het bericht, dat MussoIini aan de scholen van Italië het lezen van het Nieuwe Testament heeft opgedragen, deelt „De Maasbode" mede, dat de St. Hieronymusvereeniging in Italië reeds bijna een halve eeuw voor de verspreiding van het Evangelie aldaar ijvert en de Italiaansche uitgave van het Nieuwe Testament van 1919 toen reeds de 118e uitgave was In deze uitgave vindt men een aanbeveling van Paus Pius X uit 1907, waarin de Paus zegt dat de verspreiding van het Evangelie hem zeer ter harte gaat.
Opgravingen in Egypte.
Bij opgravingen te Sakkara in Egypte heeft men de volledige, in goeden staat verkeerende grafkamer van den vizier Hamaka ontdekt, die onder den pharao Den van van de eerste dynastie omstreeks 3000 voor Christus leefde. De bovenbouw boven de eigenlijke grafkamer telt niet minder dan 43 vertrekken.
Tweede Kerk te Velp.
Kerkvoogden en notabelen der Ned. Hervormde Gemeente te Velp hebben in hun laatst gehouden vergadering met algemeene stemmen besloten een stuk grond te koopen, liggend in hef noordelijk deel der gemeente, teneinde daar mettertijd een tweede kerk te bouwen. Bij de voortdurende uitbreiding der gemeente wordt dit noodig, daar het bestaande kerkgebouw zich aan de zuidelijke grens bevindt.
De strijd tegen het Kruis. Een rede van Stalin.
Wij ontvangen den volgenden tekst van een der jongste redevoeringen van Stalin, den Russischen dictator, over het godsdienstvraagstuk in Rusland.
Wij beschouwen den godsdienst als een der grootste vijanden van het communisme en de Sovjet-macht. De strijd moet daarom ook verder met de grootste energie worden gevoerd Wij wenschen geen compromis met de godsdienstige wereld, want de godsdienstige doeleinden en de onze zijn tot in den diepsten grond verschillend Naar gelang van de tijdsomstandigheden veranderen wij onze taktiek in den strijd tegen de kerk. In den loop van bijna 20 jaar is de strijd tegen de religie onder aanwending van alle gevoelsmiddelen gevoerd. Deze periode is afgesloten. In het nu beginnende tijdperk zal er een geestelijke strijd tegen den godsdienst worden gevoerd. Deze strijd eischt nog grootere inspanning. Vóór alles zijn noodig een groot aantal goed geschoolde en ontwikkelde agitators. Wanneer deze tweede periode is geëindigd, treedt het derde of laatste stadium in, waarbij de religie slechts als een historische herinnering in de Sovjet-Unie zal gevonden worden. Dat is het strijddoel voor de partij, voor de godloozen, voor de jong-communisten en voor de Sovjet-regeering".
De uitroeiing van het Christendom.
In het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur lezen we : »Op een partij-conferentie in Hannover, die onlangs gehouden werd, verklaarde Herr Manfred von Ribbentrop, dat alle pogingen om het Christendom voor Duitschland aannemelijk te maken, uitgeloopen zijn op een mislukking.
Onze vaders en moeders moeten hun kinderen ver van de Kerk houden. Zij, die toestaan dat hun kinderen aangenomen worden, zetten hen tot meineed' aan. De Kerk leert, dat het werk de straf is voor de zonde. De Staat leert door den arbeidsdienst, dat werken één van de mooiste dingen is in het leven. Deze houding tegenover den arbeid vormt de diepste kloof tusschen Christendom en Germanendom ; ook de houding tegenover de vrouw en het eergevoel vormen evenzooveel scheidsmuuren. Hauer zei eens tegen me :,,Er zullen altijd Christenen in Duitschland blijven". Ik antwoordde : „Nog drie jaar zeker, over dertig jaar misschien en over driehonderd jaar zeker niet meer". Duitschland is voor ons het Heilige Land. Onze Kerk is het Duitsche volk. Wij gelooven in de onsterfelijkheid van de ziel, in de eeuwige liefde. Wij gelooven in God, in strijd, en in werk. Hij, , die voor Duitschland vecht, wordt eeuwig behouden".
Dat hier een geheel foutieve voorstelling gegeven wordt van de verhouding van het Christendom tot den arbeid, is nog het ergste niet. Het.meest treft in dit citaat de verwaten toon, waarmede de mensch den hemel aanrandt. God houdt, ook in Duitschland, Zijn Kerk in stand, hoe ook de hel moog woeden.
Over de dialectische theologie van Karl Barth en de opvoeding.
Op het Schoolcongres, te Utrecht gehouden, heeft prof. dr. W. J. Aalders van Groningen gesproken over: De dialectische theologie en hare beteekenis voor de Christelijke opvoeding". Hij zei o.a. : Onder dialectische theologie verstaat men de theologie van Barth en zijn naaste vrienden. Zij heet dialectisch, omdat zij gekenmerkt wordt door den zin voor tegenspraak en tegenstrijdigheid, bepaaldelijk die tusschen God eenerzijds en mensch en wereld anderzijds. Volgens Barth zijn God en wereld streng gescheiden. Er is alleen Gods werk en voor psychologie en paedagogiek en ethiek enz. is bij ons menschen geen plaats, althans niet in christelijken zin. Want „christelijk" is een praedicaat dat wij gebruiken en voor andere woorden zetten als christelijke-politiek, christelijke-ethiek, enz., maar we mogen dat niet gebruiken voor iets dat aardsch of menschelijk is. Een specifiek christelijke paedagogiek heeft volgens de dialectische theologie van Barth geen zin ; evenmin de bijzondere christelijke school. Barth zegt dan ook, dat de school niets met de Kerk te maken heeft en dat zij een zaak van de Staat is. Hetzelfde geldt voor de opvoeding in het gezin. De afstand tusschen God en mensch wil Barth op den voorgrond hebben en houden. Deze theologie vergeet, dat de mensch zijn eigen leven en levenswetten geschonken zijn door God, eveneens de middelen, die daartoe dienen. Het is een kwestie van Godsopenbaring. Wanneer we dat verwerpen, komen we tot een paedagogiek, die naar den mensch is, met verwaarloozing van Gods Woord: dan komen we tot een natuurlijke en redelijke opvoedingsleer. Er is wel degelijk plaats voor een christelijke paedagogiek, welke den mensch, het kind, beschouwt en behandelt naar de beginselen van het Evangelie. God als Schepper verricht bepaalde dingen uitsluitend Zelf; maar Hij heeft ook aan den mensch, die naar Zijn beeld geschapen is, ten opzichte van zichzelf én zijn naaste, .wat te doen gegeven, ook in organisch verband met school en huis. Zoo heeft ook de menschelijke opvoeding in school en huis naar Gods wil haar rechtmatige plaats, om als middel te dienen ter verwerkelijking van de bedoelingen Gods.
De wereld roept om het Evangelie.
. »Wel nooit te voren hebben de deuren voor den christelijken Zendingsarbeid zóó wijd en zóó vriendelijk opengestaan als heden ten dage. Nog nooit trad zulk een menigte van onopgeloste beslissende vragen in het licht, als in onze dagen. Maar — wij weten niet, hoe lang de deuren apen staan. De dingen ontwikkelen zich met een geweldige snelheid. Als iemand mij vragen zou, welke naar mijn meening de landen zijn, van welke men het allerminst zou kunnen denken, dat ze bezig zijn geheel te veranderen, zou ik China, Korea, Perzië en Turkije noemen. In een deel dezer gebieden (b.v. China) zoekt de bolsjewistische godloozenbeweging met alle macht vasten voet te winnen. Wij gaan buitengewoon gevaarlijke tijden tegemoet, of beter gezegd, wij worden ze tegemoet gevoerd«. (John Mott).
De tegenwoordige jeugd. In welke omstandigheden ze opgroeit.
Dr. J. W. Marmelstein zegt in het orgaan van de Leeraren bij het Chr. M. O., in een bespreking van het geschrift van dr. A. de Vletter : ,,Hand in eigen Boezem" 'O.a. het volgende :
„Niemand kan er wat aan doen, maar in welke absurde omstandigheden groeit de tegenwoordige jeugd op! Een jongetje van zes jaar ziet bij zijn grootvader 'n nummer van een onzer groote dagbladen met op de foto-pagina het verongelukte sportvliegtuig.
— Wat is dat, grootvader ? — Een verongelukt vliegtuig, m'n jongen. — Hoeveel dooien, grootvader ? — Vier, jongen. — Dat is niet veel, hé, grootvader.
Zulk een conversatie , spreekt boekdeelen". In een gegalvaniseerde atmosfeer groeien, of we willen of niet, onze kinderen op.
Dacht u, waarde lezer, dat het voor een kind hetzelfde zou zijn, of hij opgroeit bij ouderwetsche prentenboeken, of bij de cineac ?
Dacht u, dat jonge menschen, die in de cineac de gansche wereld aan hun oogen voorbij hebben zien gaan, hun belangstelling nog kunnen geven aan hun aardrijkskunde-boek. Hoe dierbaar waren mij de simpele prentjes uit mijn oude Ten Have. Maar de tegenwoordige jeugd vindt de illustraties in hun boeken alleen maar goed om er uit verveling op te knoeien onder de les of thuis. Een van m'n Fransche kennissen zei me eens : „Nous avons une civilisation honteuse", en ik gevoel dat wij in ons hart het allen daarmee eens zijn.
Wie kan daar wat aan doen ? Niemand heeft er individueel schuld aan. Misschien is het beter, te zeggen dat wij er allen schuld aan hebben".
De spellingstrijd in de 4e eeuw voor Christus
Er is niets nieuws onder de zon : Aristophanes in zijn tijd — die lag tusschen 452 en 388 v. Chr. — zat ook al met het geval. Hij schreef een spel ,,De Wolken", waaarin Socrates en de sofisten belachelijk gemaakt werden. „Valcoogh" is zoo vriendelijk ons geheugen bij te springen en citeert een passage, waarin Socrates een boerenpummel onder het mes neemt inzake het woord geslacht:
Sokrates
Maar 't is een eisch van goede educatie, dat men van alles eerst 't geslacht zal leeren — naar uitgang en naar soort te definieeren. Want noem eens een'ge mannelijke dieren.
Strepsiades
Ja, t moest wel geit zijn, als ik dat niet wist; bijvoorbeeld: rammen, bokken, hengsten, stieren.
Sokrates
Stop, ziet ge wel, hoe schroomlijk ge u vergist. Baar ziet ge een hengst aan voor een mann'lijk beest, Maar wat een dwaling 't altijd is geweest. Navorsching: vond, en heb daar vrede meê, dat al wat in zijn uitgang heeft st. Als gunst en kunst en winst en — enzoovoort, geheel tot 't vrouwelijk geslacht behoort. Zoo blijkt, dat naar zijn uitgang hengst gewis vrouw'lijk moet zijn en 't daarom ook is.
„Geestelijke stroomingen in China".
Zendeling J. P.Leynse, die 16 jaar in China werkzaam is geweest, heeft in de Geref. Kerk (H.V.) te Amsterdam-Zuid gesproken over China en de geestelijke stroomingen.
Spr. schetste in den aanvang van zijn rede de onmetelijkheid van het groote China-rijk, waar de bevolking grootendeels in primitieve middeleeuwsche toestanden verkeert, maar hetwelk toch een eigen cultuur bezit van isolatie, waarvoor China 40 jaar geleden nog een oorlog heeft ontketend, die zich ook tegen Kerk en Zending keerde.
Sedert is China meer onder Westerschen invloed gekomen, vooral van Schopenhauer, Kant en Marx. Thans gaat in China een renaissance door het land en keert de slinger weer terug. De afgoden zijn gevallen, de jeugd staat op den voorgrond en nu staat God gereed, zegt spr., om China te gebruiken voor de komst van Zijn Koninkrijk. Daarvoor gebruikt Hij de stroomingen die zich nu daar laten gelden.
In de eerste plaats wijst spr. op de Japansche invasie, die een deel van China verwoest en waardoor vele Chineezen hun toevlucht zoeken bij het Woord des Heeren.
Verder is gekomen het communisme, dat zijn duizenden zendelingen met lectuur tot in vergeten oorden zendt. Spr. heeft gezien de verwoestingen, door de communistische legers aangericht, maar God gebruikt ook het communisme voor de komst van Zijn Koninkrijk.
Dan is daar het militairisme, dat de schrik der bevolking is ; verder de vloek van het opium.
Spr. heeft om zich heen gevormd 156 evangelisatiegroepen, die ook de zonde van het opiumgebruik bekampen, waarvan spr. gezegende resultaten mededeelde.
Er is bij het Chineesche volk vertwijfeling en mede daardoor bij velen een zoeken van het Evangelie. Spr. doet mededeelingen over de methode waarmede de door spr. .bedoelde evangelisatiegroepen arbeiden.
De stormen, die over China gaan, doen de menschen naar het Evangelie vragen. Het communisme heeft veel meer zendelingen dan wij, en daarom zijn in China arbeiders voor Christus noodig, om een plaats in te nemen in den wijngaard des Heeren in dit grootste land der wereld.
In de 16 jaren, die spr. in China heeft vertoefd, hebben de Christenen in Nederland het goed gehad, maar te weinig hebben zij gedacht aan hetgeen God in China doet. En spr. besluit daarom, met een opwekking om den Evangeliearbeid in China met gebed en persoonlijke toewijding te steunen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's