MEDITATIE
HET ZENDINGSLIED
Psalm 87.
Men heeft Psalm 87 wel eens de Pinksterpsalm genoemd. Ze bezingt immers de vastheid en de heerlijkheid van Jeruzalem, waartoe alle groote en machtige volkeren zullen komen, geschreven op de rol van hare burgers.
Verkiezende liefde was de eenige grond, waarom God op dien nederigen Sionsheuvel heeft willen wonen. De dichter van den achtenzestigsten Psalm heeft de jaloerschheid geteekend van de bultige bergen van Bazan, omdat zij niet verkoren waren om het heiligdom, de woning Gods, te dragen. En 'het was toch zoo een nederige heuvel, die Sionsheuvei! En het Joodsche volk, aan hetwelk God zijn openbaring schonk, was toch ook maar een klein en nietig volk in vergelijking met de groote naties, waar het tusschen woonde.
Maar de Heere heeft alleen den grondslag van Jeruzalem op de bergen der heiligheid gelegd. Hij bleef de poorten. van dat Sion boven alle woningen van Jacob beminnen. Het werk, wat Hij in Israël was begonnen, dat heeft Hij nooit laten varen.
Als alle woningen Jacobs door des vijands voet waren vertreden, dan was Jeruzalem toch nog een toevlucht voor de bedrukten des volks.
Maar als gij, lezers, stilstaat bij de heerlijke dingen, , die van die stad Gods gesproken worden, dan gevoelt ge toch wel, dat dit alles slechts een voorbeeld is van het ware Jeruzalem, van het Zion Gods van alle eeuwen.
De vijanden van het Godsrijk hebben er vroeger niet over gedacht, dat al het wereldgebeuren eigenlijk Sion tot middelpunt had. Zoo wil men er in onze dagen nog niet van weten, dat er een volk is, hetwelk God zich van, eeuwigheid af tot Zijn volk heeft verkoren. Men smaadt dat volk. En omdat er zooveel huichelaars zijn, worden ook Gods kinderen daarmede vaak vereenzelvigd.
Het zijn niet vele edelen, niet vele wijzen of machtigen, maar meestal verachten naar de wereld, die God heeft uitverkoren. Gedurig komt die Kerk onder allerlei volkeren in de grootste verdrukking. En toch blijkt het onmogelijk om die Kerk te kunnen vernietigen. Immers Christus heeft gesproken, dat de poorten der hel zijn gemeente niet zullen overweldigen.
Als we in onze dagen rondom ons zien op den afval, op de grove Godsverzaking, dan zou men haast, wel eens beginnen te denken, dat het een verloren zaak is voor Gods Kerk.
En toch is het juist andersom. De wereld is een zinkend schip gelijk, maar de Kerk Gods staat vast op de bergen zijner heiligheid.
Laten, dat inzonderheid de jonge menschen bedenken. Ik kan het mij voorstellen, dat er van die wereld met zijn films, radiotechniek, stoom, electriciteit en vliegmachines zulk een bekoring uit, gaat op de jonge menschen, dat de Kerk daarbij in 't niet wegzinkt. Vooral, als we daarbij zien op de verdeeldheid en de versplintering, de werken des duivels. Immers het ware Sion Gods is één en zingt Pinksterpsalmen : Ai ziet, hoe goed, hoe liefelijk is het, dat zonen van hetzelfde huis als broeders samen wonen. Straks zal de heerlijkheid van het w, are Sion Gods openbaar worden, als het weer zal wezen: één kudde onder één, herder.
Wat heeft die oude dichter, geleid door Gods Geest, toch een diepe blik gehad in de schoonheid van de toekomstige gemeente van den nieuwen dag. Het moet de stoutste verwachtingen te boven gaan als daar wordt voorspeld, dat het vijandige Egypte, hier Rahab genoemd, naar een van de Nijlmonsters, en het trotsche Babel den Heere zouden kennen.
De Filistijn en de Tyriër en de verre Moor zouden binnen de muren van die Godsstad worden geboren.
Al deze volkeren, die de afgoden hadden gediend en op Sion gram waren, zouden God leeren kennen als hun Koning en elk hunner zou als ingeboren Israëliet worden herkend.
„In Christus is noch Jood noch Griek", zegt de Schrift. Maar daarmede verzet de Schrift zich ook heden diametraal tegen het Duitsche fascisme, hetwelk de leer van den rassenhaat op de spits drijft, door het oude bondsvolk te haten en het oude Germaansche ras weer te verheerlijken.
Neen van dien rassenhaat wil de Schrift niet weten. De vervulling van deze schoone profetie is op den Pinksterdag aanschouwd, toen er eenige duizenden uit allerlei volkeren toegedaan werden tot de kudde, die zalig wordt.
En de Heere gaat voort met Zijn werk. Ondanks alle tegenstand breidt Gods Koninkrijk zich uit tot aan de einden der aarde. Is er in Europa ontkerstening te constateeren, daarentegen 'beginnen de heidenen overal te vragen naar den tronk van Isaï, die als een banier zal staan in het midden der volkeren.
Welk een heerlijk Zendingslied is toch Psalm 87.
Toch willen we deze overdenking niet eindigen zonder te komen tot een persoonlijke vraag. Het is wel heerlijk om te hooren, dat er in die geestelijke stad zoovelen ook van verre, wierden geboren tot een levende hoop.
Maar de groote persoonlijke vraag blijft toch deze of wij zelf al in Sion werden geboren. Door onze natuurlijke geboorte deden we onze .intrede in een wereld vol zonde en ongerechtigheid. Alleen door waarachtige wedergeboorte en levensvernieuwing worden we burgers van dat betere geestelijke Sion.
Met deze waarheid voor oogen behoeft het u niet te verwonderen, dat Christus eens Zijn rede beëindigde met deze aangrijpende woorden: Verwondert u dan niet, dat ik tot ulieden heb gezegd : gij allen moet worden wederomgeboren.
Zal er droefenis zijn tot in alle eeuwigheid voor allen, die Sion gram blijven, daarentegen zullen allen, die leerden tusschen wieg en graf om als vijanden met , God te worden verzoend, de vreugde smaken, waarvan de dichter zong aan 't eind van zijn lied :
En de zangers, gelijk de speellieden, mitsgaders al mijne fonteinen zullen binnen u zijn.
Ermelo.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's