HET DOOPSFORMULIER
.
Hoofdstuk IV
Het Verbond (vervolg).
Het inwendig en uitwendig verbond.
Wanneer de geloovigen op grond van Gods belofte gelooven, dat God van den hemel ook de God van hun zaad wil zijn en de Kerk krachtens dit geloof in Gods belofte ook de kinderen der geloovigen het teeken en zegel van Gods verbond schenkt, blijft niettemin het feit, dat telkens in overeenstemming met de Schrift blijkt, dat niet allen in de voetstappen des geloofs van vader Abraham wandelen. Hierdoor wordt het geloof geheel en al op Gods belofte geworpen. Wie van de werkelijkheid en de feiten uitgaat, kan niet gelooven, maar moet twijfelen, of God de Heere wel de God Van Zijn zaad wil zijn ; hij zal eerst bij zijn kinderen kenmerkten van godsvrucht en verkiezende genade moeten zien, voordat hij gelooven kan, dat zij des Heeren zijn. Wie echter niet van de werkelijkheid uitgaat, maar van Gods beloften en daarop geloovig vertrouwt, kan met Calvijn gelooven, dat God de Heere zoo goed voor de Zijnen is dat Hij look de kinderen, die zij gewinnen, tot Zijn volk wil gerekend hebben.
Deze strijd echter tusschen Gods belofte en wat de oogen aanschouwen, met welken strijd het geloof altijd te doen hoeft, heeft al spoedig in de Kerk tot zulke moeilijkheden aanleiding gegeven, dat men getracht heeft dezen strijd te vermijden. Men had behoefte aan een sluitend systeem, waarbij tegemoet gekomen werd aan de logische redeneeringen van het verstand; het nochtans des geloofs, dat voor het redeneerend verstand een struikelblok is, werd daardoor verwiidérd en de weg werd effen en glad.
Wij komen hierop ander terrein dan dat, waarop de hervormers zich bevonden in hun strijd met de wederdoopers. Deze laatsten hebben er meermalen den nadruk op gelegd, dat ten gevolge van den kinderdoop velen het teeken des doops ontvingen, die later bleken geen ware bondgenooten te zijn. Maar terecht werd daarop geantwoord — in de Hongaarsche geloofsbelijdenis is dat stuk ook behandeld — dat ook wanneer men de volwassenen alleen hoopt op grond van belijdenis des geloofs, veten het teeken des doops ontvangen, die later geen ware geloovigen blijken te zijn. De Kerk heeft eenvoudig te handelen naar het bevel van God en het oordeel en de uitkomst aan God over te laten.
De moeilijkheden, waarvoor men later kwam te staan, hangen meer samen met een verkeerde toepassing van de leer der Verkieizing; wij zouden ook kunnen zeggen, dat de leer der verkiezing meer en meer een zaak werd van beschouwing en bespiegeling in plaats van een voorwerp des geloofs te zijn, met het gevolg, dat men de belofte aan Abraham en de geloovigen gegeven ten opzichte van hun zaad eenigermate in strijd achtte te komen met de leer der verkiezing. Toen heeft men gemeend zulk een uitleg aan deze belofte te. moeten geven, dat de troost, die de hervormers daarin gevonden hadden, feitelijk daaruit werd weggenomen. Tot het standpunt van de anabaptisten, door de hervormers zoo fel bestreden, is men toen overgegaan door te erkennen, dat deze belofte Gods alleen den uitverkoren kinderen geldt.
Was men toen consequent geweest, dan had men de conclusie getrokken, dat men alleen hun het zegel des doops mocht geven, die eenigerlmate de kenmerken van hun verkiezing vertoonden ; met andere woorden, dan had men den kinderdoop verworpen en erkend, dat men met den doop moest wachten, totdat van deze kenteekenen der verkiezing iets gezien werd. Maar zulk een openbaar overgaan naar het doopersche standpunt was niet mogelijk. Daarmede zou men de hervormers en hun werk geheel verloochend hebben. Dus zocht men naar een theologische constructie, waardoor de kinderdoop behouden kon blijven, al was het dan ook met zulk een wijziging van zijn zin en beteekenis, dat deze vrijwel geheel verloren ging. Deze constructie vond men in de leer van het intern en extern verbond.
Wat men onder deze leer verstond kunnen wij het beste weergeven met de woorden van Trigland, die met Gomarus een van de voornaamste verdedigers van de leer der twee verbonden is geweest.
„Want het verbond Gods is of absoluut of conditioneel. Het absolute verbond is datgene, in hetwelk God belooft en verklaart in de harten zijner bondgenooten teweeg te zullen brengen, dat zij nakomen en presteeren de voorwaarden in; het conditioneele verbond vereischt. Het conditioneele is (het verbond), waarin Hij de condïtiën voorstelt en daarop voortreffelijke beloften doet, maar echter niet belooft in de harten der bondgenooten te werken, dat zij die condition presteeren zullen. Het eerste wordt genaamd het innerlijke verbond, omdat uit kracht van hetzelve , de Heilige Geest doordringt tot in de harten van de bondgenooten van dat verbond ; maar het andere het uiterlijke verbond, omdat het de conditiën alleen uiterlijk voorstelt zonder inwendig in de harten der bondgenooten te werken. Het eerste is ten eenenmale goddelijk, maar het tweede is eenigsizins menschelijk. Want hoewel dit verbond ook goddelijk is ten aanzien van de beloofde goederen en van de beloften, waarmede die worden voorgesteld, nochtans ten aanzien van de manier van voorstellen is het menschelijk, omdat God met het voordragen van het verbond op een menschelijke wijze omtrent den mensch handelt; maar het eerste is ten eenermale goddelijk, want God verlicht op een goddelijke wijze der bondgenooten harten inwendig, vernieuwt, verandert en wederbaart ze en maakt ze (zoo gewillig en bekwaam voor het goddelijk goed, dat zij de conditiën in het conditioneele verbond voorgesteld gewillig en vlijtig nakomen." (Trigland. Kerkelijke Geschiedenissen, pag. 248 en 249. Uitgaaf Leiden 1650.)
Deze leer van de twee verbonden — dat volgt uit het verband van Trigland — diende van de remonstrantsche leer van het verbond des te beter te kunnen weerleggen (maar heeft een element in de verbondsleer ingehaald, dat men bij de hervormers tevergeefs zal zoeken en waardoor de verbondsleer ten doode gedoemd was, omdat zij thans alle beteekenis voor het leven des geloofs verloor.
De leer van de twee verbonden is door tal van theologen uit de zeventiende en achttiende eeuw aangehangen en onder ons volk verbreid. Zij wordt nog de ondergrond van de doopsbeschouwing, die in in onze gemeenten tegenkomt, ook al is men zich er niet altijd van bewust, dat deze beschouwing met de leer van het interne en externe verbond samenhangt. De doop heeft daardoor zijn heiligheid en zijn beteekenis ingeboet; zijn heiligheid, want niemand maakt bezwaar om zijn kind te laten doopen, terwijl men wel bezwaar heeft om ten avondmaal te gaan; de doop is immers voor iedereen maar het avondmaal is alleen voor de discipelen des Heeren ; ook zijn beteekenis, want niemand denkt er over, dat de doop een plaats zou kunnen hebben in de bekeering en het leven des geloofs; de doop is niet dan een uiterlijke ceremonie geworden, waaruit blijkt, dat men geen heiden is.
Een dergelijke beschouwing moet noodzakelijk uit de leer van de twee verbonden volgen. Immers het inwendige verbond, waarin God alles geeft, ook het geloof en de bekeering, strekt zich alleen uit tot de uitverkorenen. Dat men tot dit verbond behoort, kan men alleen weten, wanneer God de Heere het geloof en de bekeering in onze harten gewerkt heeft of althans zoodanige kenmerken van genade bij ons gevonden worden, dat men daaruit besluiten mag tot zijn verkiezing van eeuwigheid. Men volgt hier juist de omgekeerde weg, die de hervormers bewandelden. Men komt hier niet door de geloovige omhelzing van de beloften des verbonds tot kennis van zijn verkiezing, maar omgekeerd komt men eerst door de kenmerken tot kennis van zijn verkiezing en besluit daaruit tot zijn deelgenootschap aan het verbond der genade en tot zijn eigendom aan de beloften des verbonds.
Het uitwendige of conditioneele verbond heeft eigenlijk alleen beteekenis voor het vormen van een uitwendige Kerk maar niet voor het leven des geloofs. Want in dit verbond belooft God wel de vergeving der zonden en alle genade in Christus Jezus, maar enkel op voorwaarde van geloof en bekeering. Eerst dient men hier tot geloof en bekeering te zijn gekomen, voordat men troost uit Gods beloften kan ontvangen. Hier kan dus enkel sprake wezen van een aanbod van genade, maar een aanbod dat weinig zeggend is, omdat het den mensch onder de voorwaarde legt van zijn kant voor het geloof en de bekeering te zorgen.
Was nu ons volk remonstrants opgevoed, dan zou zulk een aanbod krachtens de voorwaarden, die het eischt, geprikkeld hebben tot inspanning van alle zedelijke kracht en zou deze leer tot een godsdienstig en deugdzaam leven geleid hebben, waarin het eigen werk meer de grond van hope en vertrouwen uitmaakte dan de belofte Gods.
Ons volk is echter niet remonstrants opgevoed en dientengevolge is aan deze leer die lijdelijkheid te danken, waarin onze gemeenten verzonken liggen. Immers men kan zich zelf niet bekeeren en zich zelf niet tot geloof brengen, Aan de conditiën van het uitwendige verbond kan men zelf niet voldoen. Daarom kan men uit de beloften van dat verbond geen troost betrekken, wijze alleen zijn voor diegenen, in wie de conditie van geloof , en bekeering een plaats heeft. Maar aan het inwendige verbond met zijn beloften heeft men evenmin iets, want dit verbond is alleen aangegaan met de uitverkorenen. Hier .wordt wel alles uit genade gegeven, ook het geloof en de bekeerling, maar zoolang men die genadegave van geloof en bekeering niet heeft ontvangen, heeft men geen eigendom aan de beloften des verbonds, heeft men niet het minste bewijs, dat men tot de uitverkorenen en bondelingen behoort. Wie zonder deze kenmerken der genade en der verkiezing aan deze beloften zich zou willen vastklemmen, steelt de genade in plaats van ze te ontvangen.
Is het wonder, dat het volk in dezen weg zijn doop verloren heeft ? en dat de doop voor de meesten tot een betrekkelijk onbeteekenende plechtigheid vernederd is ? De beschuldiging, die Calvijn de wederdoopers voor de voeten heeft geworpen, dat zij door den kinderdoop weg te nemen de beloften Gods aan de geloovigen ontnamen, moet helaas ook gericht worden tot velen van hen, die bedoelden Calvijn te volgen; zij hebben wel niet den kinderdoop weggenomen, maar zij hebben met hun leer van het uitwendig verbond aan den doop zijn beteekenis ontnomen en daarmede ook den weg tot de beloften Gods afgesneden. De vrucht van deze leer is een godsdienstig leven zonder licht en troost met een lijdelijk verwachten van bizondere openbaringen Gods. En omdat men lijdelijk deze openbaringen verwacht, blijft men met groote gerustheid in den dienst der zonde leven.
O. a.d. IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's