De Catechismus van Calvijn.
II.
Zondag 4.
Waarom wordt er aan toegevoegd, dat God is de Schepper van den hemel en van de aarde? Het antwoord luidt: „Onze geest is niet in staat Zijn Wezen te doorgronden. Maar God heeft Zich aan ons geopenbaard door Zijn werken en hierin moeten wij Hem nu ook zoeken. En dan is de wereld ons als een spiegel, waarin wij Hem kunnen aanschouwen, zoodanig als voor ons noodzakelijk is Hem te kennen.
Onder hemel en aarde hebben we dan, behalve die twee, óók de andere schepselen te verstaan; want in die twee woorden zijn alle schepselen, die tot hemel en aarde behooren, begrepen.
God is echter niet alleen Schepper van alle dingen, Hij is ook Degene, Die alle dingen onderhoudt en regeert. Hij heeft niet het bestuur gegeven aan alle dingen, om ze daarna prijs te geven en er geen zorg meer voor te hebben. Liever moet er door worden verstaan, dat, zooals de wereld in den beginne door Hem is gemaakt. Hij haar ook nu in denzelfden staat onderhoudt, zoodat de hemel, de aarde en alle schepselen in hun wezen slechts bestaan door Zijn kracht.
Bovendien volgt uit het feit, dat God aldus alle dingen in Zijn hand houdt, dat Hij er het bestuur over heeft en er de Meester van is.
Omdat Hij de Schepper van den hemel en van de aarde is, is Hij het derhalve, die door Zijn goedheid, kracht en wijsheid, de gansche orde der natuur bestuurt, die regen en droogte, hagel, storm en helder weer, vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid, gezondheid en ziekten zendt, en Die, in èèn woord, alle dingen onder Zijn bevel heeft om er Zich van te bedienen naar Zijn welbehagen.
De vraag moet hierbij gedaan worden, of de duivelen en de goddelooze menschen ook niet aan Zijn gezag onderworpen zijn? Waarop het antwoord luidt: „Hoewel God hen niet leidt door Zijn Heiligen Geest, laat Hij niet af hen te beteugelen, zoodat zij niets kunnen uitrichten, dan in zooverre Hij het hun toelaat; en zelfs dwingt Hij hen Zijn wil uit te voeren, ofschoon dit dan tegen hun eigen bedoeling en plan ingaat".
Wat nut hebben we hiervan, nu we dit mogen weten?
Dit, dat het een groote ellende zou zijn, als de duivelen en de goddeloozen de macht hadden iets te doen in strijd met den wil van God. Wij zouden nooit rust kunnen hebben, als wij van hun kant in voortdurend gevaar verkeerden. Maar nu wij weten, dat God hen beteugelt, zoodat zij niets kunnen dan bij Zijn toelating, geeft dit ons rust en verblijdt het ons, omdat God belooft onze Beschermer te zijn en ons te verdedigen.
Zondag 5.
Het tweede gedeelte van de Apostolische Belijdenis is: „En in Jezus Christus, Zijn Zoon"; wat in hoofdzaak ons leert, dat de Zoon van God onze Zaligmaker is en het leert ons door wat middel God ons van den dood heeft bevrijd en ons het heil en de zaligheid heeft verworven.
De naam Jezus beteekent Zaligmaker, welke naam de engel Gabriel Hem, op bevel van God heeft gegeven. En dat deze naam door den engel genoemd is, beteekent veel meer, dan dat de menschen Hem zoo zouden hebben genoemd, omdat we nu weten, dat de Heere Zelf wil, dat onze Heere met dien naam van Zaligmaker wordt genoemd, wat Hij nu ook in waarheid is.
De naam Christus beteekent Gezalfde; en die titel verklaart Zijn ambt nog beter. Het wil zeggen, dat Jezus, de Zaligmaker, door den hemelschen Vader is gezalfd, om zoo door Hem te worden aangesteld als Koning, Priester en Profeet.
We weten dat, omdat de zalving, volgens de Heilige Schrift, moet dienen voor deze drie zaken, die Hem ook verscheidene malen worden toegekend.
Christus is niet met een zichtbare olie gezalfd, zooals men dat vroeger met de koningen, priesters en profeten deed; maar Hij is gezalfd met Je genadegaven des Heiligen Geestes, die de inhoud zijn van de uitwendige zalving, die in den ouden tijd plaats had.
Het Koningschap van Christus is geestelijk en bestaat in het Woord en den Geest van God, die gerechtigheid en het leven mededeelen.
Het Priesterschap van Jezus Christus is het ambt en de plicht zich voor God te stellen, om Zijn genade en gunst te verkrijgen en om Zijn toorn te doen bedaren, door Hem een offer te brengen, dat Hem welbehaaglijk is.
Christus is Profeet, omdat Hij bij Zijn komst in de wereld de gezondene en de souvereine gezant van God Zijn Vader is, om Zijn wil volkomen aan de menschen bekend te maken en om van alle profetieën en openbaringen het einde te zijn.
Zondag 6.
Wat voordeel hebben wij nu van deze dingen? En het antwoord luidt: Alles strekt hier tot ons voordeel; want Jezus Christus heeft al deze gaven ontvangen, opdat wij ze uit Zijn volheid zouden ontvangen en er in mogen deelen.
Deze dingen moeten noodzakelijk uitvoeriger besproken worden, zegt Calvijn, en hij doet dat aldus : „Jezus Christus heeft den Heiligen Geest ontvangen met al Zijn genadegaven in een algeheele volmaaktheid, om ze óns te geven en ze uit te deelen aan ieder onzer naar de mate en het aandeel, zooals God weet, dat het goed voor ons is. En aldus putten wij uit Hem, als uit een vruchtbare bron, alles wat wij aan geestelijke goederen bezitten".
Om het nut en de beteekenis van het Koningschap van Jezus Christus te beseffen, zegt Calvijn: „Nadat wij door Hem in ons geweten zijn bevrijd en met Zijn geestelijke rijkdommen zijn vervuld om in gerechtigheid •en heiligheid te leven, ontleenen wij aan het Koningschap van Christus de kracht om den duivel, de zonde, het vleesch en de wereld, die de vijanden van onze zielen zijn, te overwinnen".
En waartoe dient dan Zijn Priesterschap? „Ten eerste, voorzoover Hij onze Middelaar is, om ons met God Zijn Vader te verzoenen. Vervolgens hebben wij ook door middel van Hem hierdoor toegang om ons voor God te stellen en om ons met alles, wat van ons uitgaat, Hem als offer op te dragen ; waarin wij deelgenooten van Zijn priesterschap zijn".
Wat zullen wij zeggen van Zijn Profetisch ambt? „Omdat het ambt van profeet aan den Heere Jezus is gegeven, opdat Hij de Meester en Leeraar der Zijnen zou zijn, is Zijn doel ons in de ware kennis van den Vader en Zijn waarheid in te leiden, opdat wij in het Huis Gods leerlingen zouden zijn".
Zoo zijn de drie ambten van Christus door God aan, Zijn Zoon gegeven, opdat Zijn geloovigen er de kracht en de vrucht van zouden ervaren en er in zouden deelen.
Zondag 7.
Hoe komt het nu, dat Jezus Christus de eenige Zoon van God genoemd wordt in de Apostolische Geloofsbelijdenis, daar God ons allen Zijn kinderen noemt?
Dat vindt z'n oorzaak en verklaring hierin, dat, als wij kinderen Gods zijn, wij dat niet van nature, maar alleen door aanneming en door genade zijn, voorzoover als God ons als dezulken wil aanzien. Maar met den Heere Jezus staat dat anders. Deze, die uit het Wezen van Zijn Vader is gegenereerd en die van éénzelfde Wezen met Hem is, wordt terecht Zijn éénige Zoon genoemd. Want Hij alleen is het van nature.
Aan Jezus Christus alléén komt dus deze eere toe en Hem behoort zij van nature; terwijl zij ons uit genade wordt medegedeeld, in zooverre als wij Zijn leden zijn. Daarom wordt, met het oog op deze mededeeling, elders gezegd, dat Jezus Christus de eerstgeborene is onder vele broederen.
Hoe is Hij onze Heere?
Hij is door den Vader gesteld, opdat Hij ons onder Zijn bestuur zou hebben ; om het Koninkrijk en de heerlijkheid' Gods in den hemel en op de aarde te doen komen ; en om hét Hoofd der engelen en der geloovigen te zijn.
Wat volgt er dan verder ?
Er wordt gehandeld over de wijze, waarop de Zoon door den Vader is gezalfd om onze Zaligmaker te zijn, te weten door ons menschelijk vleesch aan te nemen en te vervullen, wat voor onze verlossing noodig was.
Wat moeten wij dan verstaan onder deze twee gezegden: „ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria"?
Dat Hij is geformeerd in de schoot van de maagd Maria en uit haar eigen wezen, om het ware zaad Davids te zijn, zooals het was voorzegd ; en desniettemin, dat dit is geschied door de wonderlijke werking van den Heiligen Geest, zonder dat de mensch er deel aan had.
Moest Hij dus ons eigen vleesch aannemen ?
Ja ; omdat de ongehoorzaamheid, die de mensch tegen God had begaan, in de menschelijke natuur moest worden hersteld, en Jezus Christus anders onze Middelaar, die ons moest verzoenen met God Zijn Vader, niet kon worden.
Hij moest dus mensch worden om de last van Zaligmaker te vervullen, alsof Hij in onze eigen persoon die een last gedragen had. Wamt wij moeten in Hem terug ontvangen alles wat ons in onszelf ontbreekt ; wat op geen andere wijze kan geschieden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's