De Catechismus van Calvijn.
III.
Zondag 8.
Onze Zaligmaker is ontvangen van den Heiligen Geest en niet naar de wijze der andere menschen, want, daar de menschelijke natuur van zichzelf verdorven was, was hel noodzakelijk dat de kraciht van den Heiligen Geest tusschenbeide kwam om onzen Zaligmaker tegen alle verderf te beschermen en Hem met heiligheid te vervullen. En zoo is het dus bewezen, dat Degene, die de anderen moet heiligen, van alle smet vrij is, en dat Hij van de moederschoot af in oorspronkelijke reinheid aan God is gewijd, om niet onderworpen te zijn aan het algemeen verderf van het menschelijk geslacht.
Waarom gaat de Apostolische Geloofsbelijdenis dadelijk van de geboorte over tot Zijn dood, met overslaan van de geheele geschiedenis van Zijn leven?
Omdat hier slechts gesproken wordt van wat eigenlijk het wezen van onze verlossing is.
En waarom wordt er nu niet eenvoudig, gezegd, dat Jezus Christus is gestorven, maar wordt er bijgevoegd, dat Jezus heeft geleden onder Pontius Pitatus?
Dat is om deze twee oorzaken : ten eerste om ons van de zekerheid der geschiedenis te overtuigen, maar óok om aan te duiden, dat Zijn dood een vonnis en veroordeeling inhoudt.
Wat dat laatste betreft, moeten wij bedenken, dat Jezus Christus gestorven is, om de straf te ondergaan, waartoe wij gehouden waren en om er ons daardoor van te bevrijden. En omdat wij dus voor de rechtbank van God als boosdoeners schuldig waren, heeft de Heere Jezus, om ons te vertegenwoordigen, willen verschijnen voor de rechtbank van een aardschen rechter en willen veroordeeld worden uit zijn mond, om óns vrij te spreken voor den troon van den hemelschen Rechter.
Hierbij is op te merken, dat Pilatus den Heiland verklaarde onschuldig te zijn ; zoodat hij Hem wel veroordeeld heeft, maar niet alsof Hij dit waard was. En zoo is Hij „door het getuigenis van den rechter gerechtvaardigd, om te doen zien, dat Hij niet voor Zijn eigen schuld, maar voor de onze lijdt. En niettemin is Hij plechtig bij uitspraak van denzelfden rechter veroordeeld om aan te geven, dat de Heere waarlijk onze Borg is. Die het oordeel voor ons heeft gedragen om óns ervan te bevrijden".
„Inderdaad, zoo is het, want indien onze Heere zondaar was, zou Hij niet in staat zijn den dood voor anderen te ondergaan; en toch moest Hij, opdat het oordeel onze bevrijding zou worden, onder de misdadigers gerekend worden.
Zoo moet men het verstaan".
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's