KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE OPENBARE SCHOOL
Predikt de leer van Jezus (1)
Toen we nog eens allerlei brochures nalazen uit de dagen .van jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman, uit den tijd dus toen de schoolstrijd zoo fel gevoerd werd, kwamen ons ook in handen een drietal redevoeringen, uitgesproken door G. A. Vorsterman van Oyen. De eerste draagt tot titel : „De Clericale partij en zijn nadeelen voor den Staat"; de tweede: „De Kerk, de vijandin van het Christendom", en de derde : „De Openbare School predikt de leer van Jezus".
Wanneer men die titels leest, weet men wel „hoe laat het is". Op de meest laatdunkende wijze wordt gesproken over het Christendom, de Kerk en de Christelijke School, en het grofste modernisme is nog niet mooi genoeg; het grofste ongeloof wordt hemelhoog geprezen.
We willen uit die derde brochure een en ander hier overnemen, alleen om door deze dingen, die met recht „uit de oude doos" zijn, nog eens te laten voelen, hoe fel vijandig men indertijd stond tegenover het positieve Christendom.
„Toen Europa na de beroeringen der kruistochten eenigszins tot herademing kwam, toen handel en nijverheid alom — en in de Nederlanden niet het minst — begonnen te bloeien, ontstond naast de Kerk de School". Aldus de heer Vorsterman van Oyen.
„Lang in handen der geestelijkheid, werd zij geheel ondergeschikt gemaakt aan de belangen der Kerk ; — maar langzamerhand ontkwam ze weer aan die invloed. Na de inneming van Constantinopel door de Turken, verspreidden zich tal van geleerden over de overige landen en uit de School werd de hervorming geboren. De godsdienst, die eeuwen en eeuwen achteruitgegaan was, werd weder om op de hoogte der wetenschap gebracht".
„Kerk en School wandelden als trouwe zusters weder hand aan hand. De Kerk, al* oudere zuster, oefende toezicht uit over de jongere ; maar deze, vooruitstrevender dan hare oudere, ontwies langzamerhand aan dat toezicht en schudde het eindelijk geheel af".
„De oorzaak daarvan is zeer gemakkelijk te vinden.
Het zuivere Christendom en elke poging om tot dat zuivere Ohristendom terug te keeren, is een terugkeer tot de vrijheid. Maar wil de Kerk Kerk blijven, dan mag zij geene vrijheid toelaten ; zij moet het Christendom beperken binnen hare ijzeren dogma's; zij moet allen vooruitgang onmiddellijk beletten, omdat de meeste harer dogma's gegrondvest zijn op uitspraken, die tegen de natuur en de wetenschap indruischen.
De zucht naar zelfbehoud dwingt de Kerk haar toevlucht te nemen tot de leugen. Zóó is 't ook met de Protestantsche Kerk in Nederland gegaan".
De moderne heer Vorster man van Oyen, die al die fraaiïgheid ons voor zoete koek verkoopt, gaat dan op de volgende manier verder :
„In 1618 en 1619 werden aan de Kerk te Dordrecht de duimschroeven aangelegd. Er werd een model vastgesteld, waarvan ter zaligwording niet mocht worden afgeweken. „In dat model" (en hoort nu de snoevende godslasterlijke taal, waarbij onze Voortrekkers in de vorige eeuw moesten leven!) „heeft men drie goden tot één God saamgesmolten; een woedenden God tot kalmte gebracht door 't slachten van zijn eigen zoon; verder eene maagdelijke moeder, een heiligen geest in de gedaante van een duif, en meer van die bovennatuurlijke dingen aangenomen, welke eerlang tegen de wetenschap moesten strijden, even zeker als de draaiende aarde het geloof in gevaar bracht".
„Wel hield de inquisitie der Calvinistische dominé's de zaak, zoolang als zij de baas bleven, in evenwicht; en tal van bewijzen zijn er tot ons gekomen, hoe zij met hunne Kerkeraden de tirannen der gemeente waren. Maar Christendom is vrijheid, en het Protestantisme, hoe ook gekneld, kon zijn oorsprong nooit verloochenen".
„De school" — aldus de heer Vorsterman van Oyen, die alles zoo precies wist — „de school ging vooruit, ook al door de twisten van de theologen. De wetenschap maakte groote vorderingen. Handel en nijverheid bloeiden en maakten de beoefening van wis-en natuurkunde onmisbaar. Ook kwam de scheikunde. Er hadden ingrijpende ontdekkingen plaats op 't gebied der sterrenkunde. De Kerk leed nederlaag op nederlaag. De wetenschap maakte reuzen vorderingen. De groote gebeurtenissen van de Fransche republiek en van het Napoleontische Keizerrijk hadden blijkbaar den menschelijken geest wakker geschud. Stoom en electriciteit, telegraaf en telefoon, deden hun intree. En de Kerk verlangt nu maar, dat we de wetenschap loochenen en eiken vooruitgang bestrijden ! Waarom? Omdat degenen, die zij tot hare dienaars heeft gekozen of ontvangen, bevreesd zijn, dat hunne macht zal gebroken worden, zoodra hun stelsel als een fabel zal verworpen worden — omdat zij duidelijk inzien, dat hun stelsel den ontwikkelden niet bevredigt, enz.
Wat deed de Kerk om zich te handhaven?
Zij sprak een banvloek uit over de wetenschap.
„De wetenschap verwijdert ons van God en voert tot Christus haat" — zoo klonk het van alle zijden, zoo tierde de afgematte Kerk, omdat zij, traag en uitgeput, de wetenschap niet meer volgen kon. Men vreesde, dat de menigte minder eerbied zou gaan betoonen voor 't zoogenaamde Godswoord, enz."
Bij zulke snorkende woorden van het „denkend deel der natie" — zooals het Liberalisme zich zoo gaarne noemde — hebben de christen-Staatslieden van de vorige eeuw nu moeten leven! Daartegen hebben ze den strijd om de beginselen naar Gods Woord moeten aanbinden. En bij zulke domme, verwaande argumenten, hebben zij moeten worstelen om het behoud van, de christelijke grondslagen van ons volksleven, om de vrijheid van de consciëntie en de vrijheid van den godsdienst, ook om de vrijheid van onderwijs, bijzonder om het recht der ouders, dat zij hunne kinderen zouden mogen en kunnen laten onderwijzen op een School met den Bijbel.
Wat een zware, afmattende strijd is dat geweest, waarbij evenwel de Heere aan de voortrekkers genade en eere heeft willen geven, om als overwinnaars uit den strijd te voorschijn te komen.
Over het slot van die snoevende brochure van den heer Vorsterman van Oyen schrijven we de volgende week nog een artikel.
(Slot volgt).
DE KERK (3)
Over artikel 27 en 28 van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis hebben we een en ander gezegd.
Art. 27 zegt:1. Dat er eene éénige algemeene of catolieke, universalistische. Kerk is, welke een vergadering der ware geloovigen is, al hunne zaligheid verwachtende in Christus Jezus, gewasschen door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest.
2. Deze Kerk heeft bestaan van het begin der wereld en zal er zijn tot het einde toe, daar Christus een eeuwig Koning is. Die niet zonder onderdanen zijn kan.
3. Zij wordt van God bewaard tegen het woeden der geheele wereld; al is zij soms klein en al schijnt zij vernietigd te zijn, evenals in de dagen van Achab, toch blijft zij bestaan, door den Heere Zelf bewaard.
4. Deze Kerk is niet gebonden aan één land, aan één volk, aan één plaats, maar zij is verspreid over de geheele wereld; nochtans samengevoegd en vereenigd met hart en wil in éénzelfden Geest, door de kracht des geloofs.
De onzichtbare Kerk is één en algemeen. Deze ecclesia is uit de wereld geroepen door God en wordt tot een gemeente saamgebracht, als een vergadering des volks, door den Heere Zelf toegebracht.
Hoewel nu de ware geloovigen alleen slechts in waarheid behooren tot de Kerk van Christus (1 Petrus 2 vs. 9, 10: „Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden desgenen, die u uit de duisternis geroepen heeft
tot Zijn wonderbaar licht, gij die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt ; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden") zoo worden evenwel tot de zichtbare Kerk, die zich op bepaalde plaatsen en in bepaalde tijden openbaart als samenlevende vergadering, rondom een belijdenis, rondom het Woord en de Sacramenten, rondom het ambt en onder een bepaalde Kerkorde, medegerekend zij, die uit leden der Kerk geboren zijn en belijdenis des geloofs hebben afgelegd, geen ergernis verwekkend door afwijking van de leer of door een onbehoorlijk leven; nochtans niet wedergeboren zijnde. Lukas 13 vs. 26—28: „Alsdan zult gij beginnen te zeggen: wij hebben in Uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en gij hebt in onze straten geleerd. En Hij zal zeggen: Ik zeg u. Ik ken u niet, vanwaar gij zijt; wijkt van mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid". 1 Joh. 2 VS. 19: „Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zoo zouden zij met ons gebleven zijn, maar dit is geschied, opdat ze zouden openbaar worden, dat ze niet allen uit ons zijn".
Dat is ook geenszins te ontgaan. (Matth. 13 VS. 24—30: Gelijkenis van den zaaier).
Een Kerk van enkel reinen is hier op aarde onbereikbaar, gelijk uit de geschiedenis herhaaldelijk is gebleken. Het is niet al Israël, dat Israël genaamd wordt. Met het groene en levende hout is er ook veel dor en dood hout. Dat is altijd zoo geweest, dat zal ook altijd zoo blijven.
Al de geloovigen maken te samen één lichaam uit, waarvan Christus het Hoofd is, één kudde onder éen Herder; de éene bruid van den hemelschen Bruidegom.
Die Kerk is in haar Hoofd Jezus Christus heilig; Gode toegewijd en van de aarde afgezonderd; geroepen en verkoren; geheiligd in Christus, Die haar éénmaal zal voorstellen aan den Vader. Col. 2 vs. 10: „En gij zijt in Hem volmaakt, die het Hoofd is van alle overheid en macht". Efeze 1 vs. 4 : „Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde". (Efeze 5 vs. 26, 27).
De ware geloovigen worden noch door eeuwen, noch door plaatsen, noch door standen of rangen, noch door rassen of volkeren van elkander gescheiden — en is noch Jood, noch Griek in Christus — en zóó is de Kerk des Heeren catholiek of algemeen, door hetzelfde gemeenschappelijk geloof aan Christus en aan elkander in liefde verbonden. Col. 3 vs. 11 : „waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid. Barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije, maar Christus is alles en in allen". (Ef. 2 VS. 11—22; Hand. 2 vs. 44, 45; 4 vs. 32; Ef. 6 vs. 5—9).
En dan komt artikel 28 om te handelen over , , de verplichting om zich bij de ware Kerk te voegen en te houden".
Dit artikel behelst:1. Dat niemand behoort zich op zich zelven te houden (individualistische afzonderlijkheid en eenzaamheid wordt hier veroordeeld), maar dat allen schuldig zijn en als roeping hebben, zich bij de Kerk, de gemeenschap, te voegen, onderhoudende alzoo de éénigheid derzelve. 2. Dat ieder zich heeft te onderwerpen aan de onderwijzing en tucht der Kerk, den hals buigende en gehoorzaamheid betoonende onder het juk van Christus. 3. Dat ieder van Godswege geroepen is den opbouw der broederen te dienen en daartoe mee te werken, ieder naar de gave, die God een iegelijk verleent. 4. Voorts dat het ambt is van alle geloovigen en hun heilige plicht, volgens het bevel van God, zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn en zich hebben te voegen tot deze vergadering, al ware het, dat alle machten daar tegenover stonden en dat de zwaarste straffen daarop gedreigd waren.
(Wordt voortgezet).
VASTHOUDEN! VOLHARDEN!
In den Kerkstrijd heeft mr. Groen van Prinsterer altijd vooraan gestaan. Bekend is zijn strijd tegen het Modernisme en de Groninger School en bekend zijn zijn adressen aan de Synode, om aan te dringen op handhaving der leer, waarbij hij de Synodale Besturenorganisatie aanviel. Wij herinneren aan zijn polemiek in verband met de woorden „geest en hoofdzaak" en „wezen en hoofdzaak van de belijdenis" ; welke polemiek aanleiding vond in de verklaring van de Synode van 1841, waarin werd verzekerd : „Het tegenwoordig Formulier van onderteekening - vergenoegt zich niet met de aankleving van deze of gene waarheid, daarin vervat, maar wil in het algemeen de leer, die in dezelve voorkomt, gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Hervormde Kerk, door den leeraar dier Kerk aangenomen hebben".
De bedoeling was blijkbaar, om te verklaren (tot geruststelling) dat allen, die leeraar der Kerk waren, ook de leer der Kerk moesten „aankleven", zij 't niet woordelijk, dan toch wat de geest en de hoofdzaak en het wezen van de belijdenis der Kerk aangaat. De Synode verklaarde, dat geenszins bedoeld was, dat men volstaan kon met „deze of gene waarheid", zonder meer, neen, het ging om „de leer, die in de belijdenis der Kerk voorkomt; welke belijdenis der Hervormde Kerk in haar aard en geest, naar haar wezen en hoofdzaak, moest worden vastgehouden, bewaard en onderschreven.
De Modernen en vooral de Groningers of de „Evangelischen" (zoo genoemd, omdat zij met het echte Evangelie kwamen, terwijl de orthodoxie een vervalscht Evangelie voorstond !), hebben met die woorden „geest en hoofdzaak", „aard en wezen" gespeeld. Zij deden het voorkomen, alsof zij dezelfde woorden gebruiken konden als de orthodoxie en de belijdenis, maar intusschen gaven zij aan de woorden een heel anderen inhoud. Zij spraken van een Drieëenig God, maar bedoelden héél iets anders dan de 'belijdenis. Zij spraken van Jezus als den eeniggeboren Zoon van God en gebruikten ook wel de woorden „godheid van Christus", maar zij loochenden de Godheid van Christus en bedoelden meer de goddelijke verhevenheid van. Jezus. Zij spraken van „verzoening", maar bedoelden heel iets anders dan de verzoening door het bloed van Christus, door voldoening, zooals de Heilige Schrift en de belijdenis leeren. Zij spraken heel anders over den Bijbel. Enz. Maar toch wilden ze volhouden, dat zij de echte belijdenis hadden en de waarheid voorstonden en daarom ook echt in de Hervormde Kerk thuis hoorden!
Aan mr. Groen van Prinsterer en zijn medestrijders (D. van Hogendorp, M. B. H. W. Gevers, A. Capadose, P. J. Elout, J. A. Singendonck, C. M van der Kemp en anderen) verweten mannen als Rutgers van der Loeff, Hofstede de Groot e. a. (vooral in het tijdschrift „Waarheid in Liefde", maar ook in brochures, academische toespraken enz.) dat zij zoo „vasthoudend" waren, maar, dat zij vasthielden aan eigen oordeel en eigen inzicht. En prof. Hofstede de Groot zei in een academische toespraak : „Wij zijn het, die de leer der Hervormde Kerk handhaven ; terwijl zij, die ons beschuldigen, zelve het zijn, die de leer der Hervormde Kerk, wat haar wezen en hare hoofdzaak aangaat, hebben verlaten en nu ook nog anderen lasteren en smaden" (blz. 24, 30).
Mannen als Groen, zoo zei men, waren achterlijk in de wetenschap en hielden vast „aan persoonlijke inzichten en meeningen", waarin ze verward zaten. Deze mannen moesten meer bedenken, dat ze „feilbaar" waren en moesten voelen, dat „de vastheid des geloofs" nog iets anders was dan „vasthoudendheid aan persoonlijke inzichten en meeningen".
Daarop antwoordde Groen: „Men moet het gevoel van feilbaarheid, dat voorzeker tegen het gedurig feilen het beste behoedmiddel is, niet uitstrekken tot het gebied des geloofs. Men moet ten aanzien van het onwrikbaar voorwerp des geloofs niet spreken van illusie en zelfbedrog". En dan haalt Groen een voorbeeld aan van Luther.
„Luther" — zoo zegt Groen —„die het geloofsvertrouwen in practijk heeft gebracht, schrijft er van: „In Godsdienstzaken behoort men te kunnen zeggen: „ik weet, dat wat ik leer, Gods raad en waarheid is ; al hetgeen daartegen is, is uit den duivel ; met dit geloof alleen wordt in den strijd begonnen en volhard. Als men die zekerheid niet heeft, is het niet geraden met den duivel te redeneeren. Om zalig te worden, moet gij van de waarheid van Gods Woord zóó overtuigd zijn, dat, wanneer ook alle menschen en Engelen anders spraken, gij alleen zoudt kunnen volharden en zeggen: toch weet ik, dat Gods Woord waarheid is". (Luther's Werke, in einer Auswahl. Hamburg 1826, III, 12).
Vasthouden! Volharden!
En als men Groen voorhield, dat de orthodoxen niet zoo twistgierig moesten zijn, en dat zij meer moesten denken aan de bekende woorden van den profeet: „Hij zal niet twisten, noch roepen, noch daar zal iemand zijne stem op de straten hooren" — dan antwoordt Groen (aan prof. Bohman): „Wij betwijfelen of deze aanhaling hier zou worden goedgekeurd door Hem, die ook door den mond Zijner Profeten gezegd heeft : „Wanneer de wachter het zwaard ziet komen en blaast niet met de bazuin, zoodat het volk niet is gewaarschuwd, en het zwaard komt en neemt een ziel uit hen weg, die is wel in zijne ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van de hand des wachters eischen". (Ezechiël 33 VS. 6).
[Men zie : „Aan de Hervormde Gemeente in Nederland", blz. 69. Leiden. S. en J. Luchtmans. 1843. (Gedateerd 31 Jan. 1843, en onderteekend door D. van Hogendorp, M. B. H. W. Gevers, A. Capadose, G. Groen van Prinsterer, P. J. Elout, J. A. Singendonck, C. M. van der Kemp)].
IETWAT WAT VREEMD
In de bladen lazen we, dat de heer J. Kars, vroeger godsdienstonderwijzer te Brandwijk, tijdens de vacature als hulpprediker wonend in de pastorie, daarna als voorganger der Evangelisatie te Keeten, gemeente Capelle a. d. IJssel, door het Bestuur ontslagen is, omdat blijkbaar daar alles niet precies in orde is met dien voorganger — terwijl we dadelijk daarop lazen, dat er weer op een ander plekje bij Capelle, blijkbaar onder de gemeente Nieuwerkerk a.d. IJssel, een Evangelisatiepost gesticht is, waar de heer Kars dan maar weer voorganger wordt, om daar te preeken en te werken als ja, in welke kwaliteit? Als Evangelist (maar wie beslist daar over? ), als voorganger van een soort vrije gemeente, om straks te annonceeren, dat de heer Kars tot dominé is gepromoveerd, zooals tegenwoordig aan de orde van den dag is, vooral onder de rook van Rotterdam en in de buurt van „de polder" ?
Wij begrijpen er niets van. Als de zaken van den heer Kars in orde zijn, dan zou hij zich waarlijk niet bij dit ontslag zoo maar neerleggen. En als ze niet in orde zijn (waren ze in Brandwijk in orde? ), dan gaat het toch niet aan, om maar weer een nieuwe „Evangelisatie" met een „Voorganger" te stichten!
Bovendien begrijpen we er heelemaal niets meer van, omdat de heer Kars ook al geprobeerd heeft, om in de gemeente van ds. Van der Valk in het gebouw „De Hoop" binnen te dringen. En wat nog meer licht werpt op het vreemde geval, is het feit, dat de heer Kars nog heel kort geleden schriftelijk en mondeling, officieel aanvrage heeft gedaan bij de Christelijk Gereformeerde Kerk van Rotterdam-Centrum, om tot die Kerk te mogen worden toegelaten, om dan die Kerk op eenigerlei wijze te mogen dienen. De Heere had Zijn licht doen opgaan, om te laten zien, dat dat de weg was en in dien weg wilde hij zich gaarne „geven". Maar men heeft dat aanbod en die gift niet willen accepteeren. Men gunde zulke buitenkansjes blijkbaar graag aan een ander!
En nu vlak daarbovenop het ontslag. En direct maar weer een nieuwe Evangelisatiepost! Van de Hervormde Kerk?
Zijn zulke ondernemingen nu louter en alleen om iemand aan z'n broodje te helpen? Moet al dat gescharrel nu om een mensch gaan, wiens gangen zeer wonderlijk zijn, opdat hij aan de kost kan komen? En dan onder de schijn, dat het gaat om het Koninkrijk Gods?
We voelen zelf wel, dat de Overheid zulke dingen niet kan verhinderen. Wie een kerkje wil stichten, heeft de volle vrijheid. En we voelen ook wel, dat de Hervormde Kerk er ook niets aan kan doen. Want als men Hervormd wil zijn, dan gebruikt men de Hervormde Kerk, maar als dal wal lastig of gevaarlijk is, dan is er gemakkelijk ergens anders een onderdak te vinden. Maar een gemeente die het treft, zit maar weer met de misère!
„Ietwat vreemd" is en blijft het ; om maar geen ander woord te gebruiken.
En het doet een eigenaardig licht vallen op een zeker soort van menschen, op een aantal Evangelisaties of Kerkjes, die hier en daar als paddestoelen uit den grond verrijzen.
Menschen zonder eenige bevoegdheid, en menschen, die een twijfelachtige bevoegdheid hebben, scharrelen maar wat, dan hier en dan daar — en het ideaal is om dominé te worden natuurlijk, wat de zaak van de Kerk en van den godsdienst dikwijls neertrekt en lol schande maakt.
Kon er toch aan al dat gescharrel eens een einde komen en konden er eens een heele partij van clubjes en kringetjes en kerkjes worden opgeruimd!
DE NIEUWE KERKELIJKE HOOGLEERAAR.
Neen, wij kunnen het u nu nog niet zeggen, wie dat worden zal. Het drietal is wel bekend, maar de benoeming door de Synode moet nog plaats vinden. Dus nog een weinig geduld! Maar gedachtig aan wat er rondom de vorige benoeming geschreven is, kunnen wij ons wel vinden in wat we lazen in „Hervormd Zondagsblad", weekblad voor Friesland. We nemen het hier verder zonder commentaar over:
Door de Commissie van voordracht tot benoeming van kerkelijke (hoogleeraren, die Donderdag 27 en Vrijdag 28 Mei vergaderd is geweest, is hel volgend alphabetisch gesteld drietal opgemaakt, waaruit de Algemeene Synode in haar buitengewone vergadering op 24 Juni 1937 een hoogleeraar in de Godgeleerdheid vanwege de Ned. Hervormde Kerk aan de Rijksuniversiteit te Groningen zal hebben te benoemen:
Dr. G. P. van Itterzon, pred. te Den Haag;
Dr. H. Miskotte, pred. te Haarlem;
Dr. J. H. Semmelink, pred. te Almen.
Bovenstaande mededeeling in 't „Weekblad" der Ned. Hervormde Kerk, ziet er niet kwaad uit. Dr. Miskotte wordt nu voor de tweede maal voorgedragen. De beide anderen voor het eerst. De predikant van Almen is misschien in de predikantenwereld minder bekend dan zijn Haagsche collega, doch in de theologische wereld lang geen onbekende. Dr. Van Itterzon verkreeg als predikant en als theoloog reeds een gevestigden naam.
Het lijkt ons voor prof. Haitjema ditmaal als een geluk, dat hij in Amerika zit en op 24 Juni de Synode niet van zijn prae-advies kan dienen. Een keus uit deze drie, alle behoorende tot zijn naaste kerkelijke en theologische verwanten, zou moeilijk voor hem kunnen zijn.
Wij hebben natuurlijk niets te zeggen, kunnen alleen maar een wensch uitspreken, en dan zouden wij naast den Barthiaanschen prof. dr. Haitjema, die de Barththeologie heel best alleen aan kan, gaarne den Haagschen theoloog Van Itterzon zien gesteld op den vacanten katheder van nu wijlen prof. Van Veldhuizen. Het voordeel daarvan zou zijn, dat de Groninger studenten niet eenzijdig werden opgevoed, wijl dr. Miskotte als theologische evenknie van prof. Haitjema bekend staat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's