De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

22 minuten leestijd

DE OPENBARE SCHOOL, Predikt de leer van Jezus (2)
Volgens het liberalisme, dat zoo graag over zichzelf spreekt als „het denkend deel der natie", terwijl de christen-belijders als „dommen en achterlijken" te boek stonden, was de Kerk op 't punt van te verdwijnen en moest het christelijk geloof plaats maken voor de moderne wetenschap, die het zoogenaamde Godswoord van den troon had gestooten.
De heer Vorsterman van Oyen vraagt:
„Is de wetenschap dan vijandig aan den godsdienst?
Dat zij verre! Zij is de zuivere bron van allen godsdienst; elke tak van wetenschap voert tot God; maar de wetenschap is eene vijandin van de tegenwoordige Kerk, om­ dat de wetenschap op waarheid gegrondvest is en de Kerk haar invloed bouwt op leugen.
De Kerk is steeds achteruitgegaan, terwijl de wetenschap is vooruitgegaan. En nu is de val van de Kerk aanstaande. Maar om zichzelf te handhaven, wil zij nu de menschen met bedrog en leugen voeden. Men spreekt de menschen van wonderen en opwekkingen, om de menschen zand in de oogen te strooien. Het volk wordt opgezweept door niets uitwerkende Zendingsfeesten en in de Evangelisatielokaaltjes worden de menschen bezig gehouden met tooverlantaarns!
De wetenschap heeft wel het kleiner deel der bevolking tot haar dienaars, maar het is toch de kern van 't volk, het beste deel. De Kerk heeft wel de numerieke meerderheid, maar gevoelt, dat zij op een uiterst gevaarlijke helling staat én zij weet, dat als de wetenschap doordringt onder het volk, zij reddeloos verloren is. Vandaar die onafgebroken pogingen om de wetenschap en de scholen, waar deze wordt onderwezen, verdacht te maken.
Is de wetenschap in strijd met de leer van Jezus?
Dat zij verre, maar zij is in strijd met de christelijke fabelleer, die de Kerk ons opdischt en die door een menschenbedriegende priesterschaar geweven is uit een samenraapsel van leugens, dat als een net de hoofden omstrikt en ongevoelig maakt voor de stem der waarheid".
„Men zendt naar alle oorden der wereld Zendelingen om de Heidenen, de Mohammedanen, de Israëlieten tot het christendom te bekeeren. Al die arbeid is tevergeefs; men mag een enkelen suffer christen maken, het denkende deel dier volken wil van geen christendom weten, dat op nóg dwazer fabelen steunt, dan zij ooit geloofd hebben. En namen zij dat christendom aan, zij zouden er niets beter mede zijn: want tusschen heidendom en 't christendom der Kerk bestaat alleen verschil in naam. Houdt al die Zendelingen thuis, en zendt in plaats daarvan mannen, die de wetenschap brengen; gij zult zien, Japan zal 't ons weldra bewijzen, de wetenschap zal den weg banen voor Jezus' zuivere zedeleer".
„De wetenschap moet onder het volk gebracht worden. Dat is de taak der school, welke tevens de leer van Jezus predikt: een christendom, verre boven alle geloofsverdeeldheid".
„Reeds is het door de ondervinding gestaafd, dat in die landen, waar de ontwikkeling het algemeenst is doorgedrongen, de misdaden voortdurend afnemen in "aantal, en dat in die landen, welke op den hoogsten trap van ontwikkeling staan, de misdaden grootendeels gepleegd worden door hen, wier ontwikkeling veel te wenschen overlaat".
„Naast die onbetwistbare waarheid staat deze, dat algemeen opgemerkt wordt, dat de ontwikkelden geen vrede meer hebben met de Kerk".
„Zou het teveel gewaagd zijn, wanneer ik durfde vaststellen, dat reeds binnen betrekkelijk korten tijd de ure zal aanbreken dat de school tevens de afgeleefde Kerk vervangt? "
„Met alle kracht zal de Kerk zich tegen den invloed der school verzetten, gebruik makende van alle oneerlijke wapens, die zij sedert eeuwen in haar tuighuis heeft bijeengebracht. Maar gelijk de waarheid, hóe ook vervolgd, steeds zegeviert over de leugen, zóó ook zal de school zegevieren over de huichelende Kerk".
„Dan zal de jeugd samenkomen om geleid te worden bij de eerste schreden, die zij aflegt op de baan der wetenschap; en men zal niet alleen op zedelijk gebied, maar ook op stoffelijk gebied onderwezen worden, waarbij de overtuiging zal doordringen, dat kennis niet alleen macht geeft, maar tevens waarlijk godsdienstig maakt".
„Die taak is weggelegd voor de school. Zij moet het licht brengen, waar thans nog duisternis heersciht ; zij moet de maatschappij zuiveren van vele harer smetstoffen, omdat zij hare leerlingen van jongsaf de waarheid voorhoudt: God te beminnen boven alles en de naasten als zich zelven. Zij moet een dam opwerpen tegen het Communisme en het Socialisme, omdat zij van jongsaf onderwijst: eerbiedigt de wetten van den Staat, opdat ieder waarlijk vrij zij; zij moet het menschdom brengen tot Jezus, omdat zij hare leerlingen diens leer doet kennen als de volmaaktste zedeleer. Zij moet door 'het verstand den mensch voeren tot God, tot den God van Christus, die ons voorschreef het Hoogste Wezen te aanbidden in onze binnenkamer. Hem te aanbidden in geest en waarheid".
„Naarmate de school haar werkkring^ uitbreidt, zal de invloed der Kerk afnemen, de leugen plaats maken voor de waarheid, de duisternis wijken voor het licht. En is het ons al niet gegund hier op aarde den gelukkigen dag van de zegepraal der school nog te beleven, laten wij ons niettemin aangorden tot den strijd tegen domheid, bijgeloof en geestelijke heerschzucht. Laat ons, vertrouwende op onze rechten als mensch, alle krachten, alle talenten aanwenden om den bloei te bevorderen van die Openbare School, welke gij voor uwe kinderen verlangt, aan welke ik werkzaam mag zijn, opdat zij meer en meer toeneme in volmaaktheid; opdat zij meer en meer strekke tot een kweekplaats van alle maatschappelijke deugden, opdat zij ons me.
Jezus voere tot God !"
Tot zoover de brochure van den heer G. A. Vorsterman van Oyen, een type van 't ouderwetsche liberalisme, dat de wetenschap tot afgod had en het verstand des menschen de hoogste lof toezwaaide, om gruwelijk vijandig te staan tegenover den Bijbel, de geopenbaarde Waarheid Gods.
Tegenover zulke beschouwingen en leeringen schreef Da Costa zijn : „Bezwaren tegen den geest der eeuw"; en tegen de tyrannieke liberalistische geweldpolitiek hebben mannen als mr. Groen van Prinsterer, Lohman, Pierson, Kuyper en duizenden anderen gestreden, tot vermoeiens toe, maar ook tot overwinning van het kwade door het goede.

DE KERK (4)
Naar luid van Artikel 28 is het geen onverschillige zaak of men als geloovige „op zichzelf" zal blijven óf dat men zich bij de Kerk zal voegen en de gemeenschap der heiligen zal oefenen. Niemand, die onder de Waarheid leeft en dezelve liefheeft, mag op zichzelf blijven, maar is geroepen en verplicht zich aan de Kerk aan te sluiten. Hand. 2 vs. 44: „En allen, die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeen". Joh. 17 vs. 21: „Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij Vader in mij, en Ik in U, dat ook zij in ons één zijn, opdat de wereld geloove, dat Gij mij gezonden hebt". 1 Cor. 12 vs. 12 en 13: „Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en alle de leden van dat ééne lichaam vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzóó ook Christus. Want ook wij allen zijn door éénen Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, 't zij Grieken, 't zij dienstknechten, 't zij vrijen; en wij zijn allen tot éénen Geest gedrenkt".
Door een gemeenschappelijke roeping en door een gemeenschappelijk geloof behooren de geloovigen bij elkaar, vereenigd onder hun Hoofd, Jezus Christus, en staande onder de leiding des Heiligen Geestes, om zóó saam te vormen de ééne zichtbare en geordende Kerk des Heeren op deze aarde.
Nu hebben we hier op aarde te maken met verschillende verschijningsvormen van de Kerk, die in Christus één is. En men bedenke wel, dat er geen zichtbare Kerk op aarde is, die zich met uitsluiting van alle andere gemeenschappen kan noemen de Kerk. Daar is verscheidenheid en daar zal verscheidenheid blijven. En daarom ga men, afgezien van geboorte enz., te rade met Gods Woord en vrage welke Kerk beantwoordt aan hare roeping, levend uit en naar de Schriften. Wel zal de een dan „zwak" zijn en de ander „sterker", en daardoor zal de een afwijzen, wat de ander aanneemt, maar de gemeenschap der heiligen moet geoefend worden en de broederband mag geen schade lijden. Rom. 14 VS. 1—5: „Degene nu die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen. De één gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden. Die eet, verachte hem niet, die niet eer, en die niet eet, oordeele hem niet, die eet ; want God heeft hem aangenomen. Enz."
De band tusschen al Gods volk ook in verschillende kerken moet steeds gevoeld en versterkt worden en de éénheid moet bij voortduring gezocht, gesterkt, bevorderd en betracht worden. Psalm 133 worde niet vergeten: „Ai ziet, hoe goed, het lieflijk is 't, dat zonen van 't zelfde huis als broeders samen wonen".
Men is geroepen zich aan te sluiten bij hen, die door hetzelfde geloof in Christus en door dezelfde belijdenis aan elkander verbonden zijn, omdat men bij elkander hoort, gelijk men ook eeuwig met elkander hoopt te leven in heerlijkheid. Efeze 4 vs. 3—6: „U benaarstigende te behouden de eenigheid des Geestes door den band des vredes. Eén lichaam is het en één Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot ééne hope uwer roeping ; één Heere, één geloof, éen doop, éen God en Vader van allen, die daar is boven allen en door allen en in u allen. Enz." 2 Petrus 1 VS. 1 : „Simon Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan degenen die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid onzes Gods en Zaligmakers Jezus Christus".
In de practijk liggen hier allerlei moeilijkheden. Maar des te meer moet in het geloof en in de liefde worden vastgehouden, dat we bij elkander behooren, op grond van éénheid in roeping en hope, van éénheid in geloof en belijdenis, van éénheid in Christus, onzen Heere. En de bede van Christus, dat zij allen één zijn, moet ook onze bede zijn en blijven. Juist als het moeilijk, ja, schier onmogelijk is, moet het gebed vermeerderen, want het moet tenslotte van den Heere komen. Die gebeden wil zijn. En liefde tot en behoefte aan elkander om Christus' wil, gepaard gaande met uitzuivering van al het onreine en wegruiming van alle hinderpalen voor een Gode welbehagelijke samenwoning, zal zeker het meest bevorderlijk zijn tot een eerlijke, hartelijke en duurzame vereeniging. Gods volk mag voorzeker wel hartelijk treuren over de breuke tusschen de dochteren Sions ! „De vrede zij en blijv' in u ; nooit moet haar nijd of twist verkloeken ; om 's HEEREN huis, in u gebouwd, daar onze God Zijn woning houdt, zal ik het goede voor u zoeken." (Ps. 122 VS. 3).
Of er dan in anderen niet groote gebreken kunnen zijn, zoodat de liefde kan verkoelen en de gemeenschap gebroken? Van het eerste begin is er in de Kerk veel geweest, dat gebrekkig, verkeerd, zondig was. Maar steeds dringen de Apostelen aan op de oefening van de gemeenschap der heiligen. De vele en onderscheidene vaten moeten gereinigd worden en moeten in één huis dienst doen. 2 Tim. 2 VS. 19—21. Om de vele tekortkomingen en verkeerdheden moge niemand die geloovig is, achterwege blijven om zich aan te sluiten. De verkeerden moeten wijken en de geloovigen zijn de wettige huisgenooten in Gods huis. De Kerk is de draagster der Waarheid en de 'levende tempel Gods en Zijne woonstede op aarde, daar is onze plaats en aan de onderwijzing van het Woord en de tucht, gegrond op Gods Woord, moet een ieder zich gewillig leeren onderwerpen. Daar is de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst Gods, en de beloftenissen (Rom. 9 VS. 4) en daar klinkt het woord van den Apostel : „En Dezelve (n.l. Christus) heeft gegeven sommigen tot Apostelen, en sommigen tot Profeten, en sommigen tot Evangelisten en sommigen tot herders en leeraars, tot de volmaking der heiligen tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus, totdat wij allen zullen komen tot de eenigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus". Efeze 4 vs. 11—13: „En dat gij ook u aan de zoodanigen onderwerpt, en aan een iegelijk die medewerkt en arbeidt". 1 Cor. 16 VS. 16. „Zijt uwen voorgangeren gehoorzaam en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uwe zielen, als die rekenschap geven zullen: opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende ; want dat is u niet nuttig". Hebr. 13 vs. 17.
Zoo moet dan de eenigheid des geloofs en der liefde betracht worden en de geloovigen zijn geroepen, hunne gaven en krachten, hun van den Heere geschonken, te besteden ten dienste van elkander. In Christus hebben wij ons te openbaren als elkanders leden (Rom. 12 VS. 5. „Een iegelijk gelijk hij gave ontvangen heeft, alzóó bediene hij dezelve aan den ander, als goede uitdeelers der menigerlei genade Gods". 1 Petr. 4 vs. 10.
Hoort, hoe de Apostel vermaant: „Maar ik bid u, broeders! door den naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt en dat onder u geene scheuringen zijn, maar dat gij samengevoegd zijt in één zelfden zin en in één zelfde gevoelen". 1 Cor. 1 vers 10.
En hierbij vermaant de Heiland om getrouw te zijn in de beleving van onze geloofsovertuiging, ook al zouden de menschen ons daarom met geweld bedreigen. „En Ik zeg u, mijne vrienden: vreest niet voor degenen, die het lichaam kunnen dooden en daarna niet meer kunnen doen. Maar Ik zal u toonen, wien gij vreezen zult; vreest Dien, die, nadat Hij gedood heeft, ook macht heeft, in de hel te werpen. Ja, Ik zeg u, vreest Dien!" Luc. 12 VS. 4, 5. „Zijt getrouw tot den dood en Ik zal u geven de kroon des levens". Openb. 3 vers 11.
(Wordt voortgezet.)

HET CLASSICALE MENU
Woensdag 30 Juni is het weer de jaarlijksche Classicale Vergadering ; dan vallen de stemmingen voor de Classicale Besturen — en hier en daar, naar rooster, de verkiezing van leden voor de Provinciale Kerkbesturen •— die in de meeste Classicale Vergaderingen wel een kalm verloop zullen hebben. Het consigne is gewoonlijk: „laat zitten wat zit" — maar zoo hier en daar kunnen de kerkelijke wateren toch wel eens even ietwat „beroerd" worden. Er zijn altijd zoo'n paar Classes, waar het „spant", omdat het gevaar dreigt, dat de Classis kan „om" gaan ; soms zelfs dat een Provincie kan „om" gaan ; wat dan weer de grootste invloed kan hebben op de samenstelling van de Synode. Als Friesland „om" gaat, of als Drenthe „om" gaat, zooals jaren geleden Noord-Brabant en Limburg „om" ging, en zooals soms in Noord-Holland de orthodoxe Classes een meerderheid kunnen vormen — dan is dat natuurlijk voor de afvaardiging naar de Synode van groot belang. We zullen maar rustig afwachten, ter plaatse zal men wel actief zijn, zoowel van de ééne zijde als van den anderen kant. En het aantal vacatures doet het 'm dan soms. Let maar eens op!
De Classicale tafel wordt dus klaar gemaakt voor Woensdag 30 Juni. En natuurlijk gaan alle predikanten, met alle ouderlingen (die aan de beurt zijn) ter vergadering! Dat is onze kerkelijke plicht. En ieder spreke en stemme naar z'n beste weten. Voor eerlijke middelen en eerlijke argumenten behoeven we ons nooit te schamen. Alle bombasterij en allerlei aanstellerij moeten we maar thuis laten. Maar een verstandig woord en kloek getuigenis is daar op z'n plaats. Bij alles ijverende voor het waarachtig heil van onze Hervormde Kerk, die we lief hebben; voor welke liefde we ons niet schamen.
Men wil — dat is het eerste Voorstel, waarover we advies geven moeten — vrouwelijke diakenen. Niet, dat men dan overal vrouwen zal moeten kiezen als diaken. Men blijft vrij om het plaatselijk niet te doen. Maar men wil de mogelijkheid scheppen, door wijziging van art. 17 al. 1 van het Algem. Regl. (en wijziging van art. 3 Regl. voor de Kerkeraden). Omdat het in wezen een wijziging van het Algemeen Reglement betreft, zal het eventueel wel een zware gang zijn als dit Voorstel (stel, dat het wordt aangenomen en vastgesteld door de Synode) aan de eindstreep bij de Prov. Kerkbesturen komt. Dan zal het wel kelderen. Maar dat neemt niet weg, dat we nu advies moeten geven. En dan adviseeren wij tot een besliste afwijzing. Ten eerste vinden we het een vervelend „drijven" van de ethischen en de vrijzinnigen. Die zulke echte vervelende „drijvers" soms kunnen zijn. Dat zeggen we niet, om den farizeër te spelen. Maar omdat het helaas! een waarheid is dat, als de ethischen iets hebben daar ze nog al wijs mee zijn, dan moet dat tijdig en ontijdig gepropageerd worden èn dan zóó, alsof er alle heil en toekomst van afhangt. Waarom werpt men nu ineens en juist nu een dergelijk Voorstel in het kerkelijk kamp, om de vrouw ambtsdraagster te maken? Zijn we niet bezig heel de kerkelijke huishouding op de helling te nemen, en waarom juist nu een dergelijk hobby-voorstel? Want neen, laat men nu niet met verontwaardiging ons aanzien, alsof wij de gaven en de krachten van de vrouw niet weten te waardeeren. Want voor het bezoeken van zieken en armen, van degenen die bijzondere nooden en behoeften hebben, heelt de „bezoek-zuster" groote, zéér groote gaven van God ontvangen; echte vrouwelijke gaven, die zoo heerlijk gebruikt kunnen worden; waarbij de man dikwijls in de vrouw z'n meerdere (ja zeker, in dat opzicht z'n meerdere heeft te erkennen) omdat zij andere oogen heeft, met een anderen kijk op de huishouding, de ziekenkamer, de wieg, de keuken, enz. enz., dan een man (dat is Gods gave!). Maar dat heeft niets, niets te maken met het ambt in kerkdijken zin. Waarom wil men dat nu „drijven", dat de vrouw in den Kerkeraad moet komen, in de Kerkeraadsbank moet zitten, moet collecteeren, enz. enz. Dat is niet, wat God voor de vrouw heeft weggelegd. Laten we het mooie nu niet verknoeien door onze eigen wijsheid en eigenzinnigheid. Laten we met elkaar een beslist legen doen hooren. Uit eerbied en uit waardeering voor de, vrouw en erkennende, dat Gods scheppingsordinantie ook in deze zoo wijs en zoo goed en zoo heerlijk is.
Bederft het mooie niet, wie ge ook zijt. Gebruikt het, zooals God het wil en misbruikt het niet. Wij stemmen TEGEN.
Voorstel II. Hierbij komen de kleine Gemeenten weer in de vervelende positie om over iets mee te moeten stemmen, waarmee ze niets, maar dan ook niets te maken hebben. Want men wil voor de groote Gemeenten een verplichtend wijk-stelsel. Iets, wat er al lang is, vrijwillig plaatselijk en goed geregeld, wil men nu in de Reglementen vastleggen, voor Gemeenten met vijf of meer predikantsplaatsen.
Men wil daarbij aan den Kerkeraad opdragen de wijk-verdeeling, de benoeming van wijk-ouderlingen en wijk-diakenen, terwijl 't Ministerie van predikanten den wijk-predikant aanwijst. (Zie de Handelingen der Synode van 1936, blz. 275, 276 enz.)
Op zich zelf genomen, hebben we niets tegen dit voorstel, vooral nu de aanwijzing van den predikant blijft aan het Ministerie van predikanten. (Men heeft dat wel eens anders voorgesteld, enkele jaren terug). Maar juist nu we in een tijd verkeeren, dat heel de kerkelijke huishouding op de helling komt, vinden we het onverstandig, dat men met een Voorstel als dit komt, daarbij doende alsof het in een stad alles „koek en ei" is, en de Kerkeraad maar zeggen kan, dat het met „de Wijk" zoó en zoó moet geschieden, waarbij men zelfs de allures gaat aannemen, alsof het werk van een predikant beperkt is en beperkt moet blijven tot z'n Wijk. Dan zou in Zwolle de Kerkeraad zeggen: die en die wijk is voor den orthodoxen predikant en verder handen thuis! Of in Leeuwarden! Men begrijpt toch zeker wel, dat er niets van terecht komt in dat opzicht?
Waarom neemt men heel de kerkelijke situatie niet eerst eens onder de aandacht? Intusschen bestaat al lang, al heel lang, wat men nu in de Reglementen wil vastleggen — wat absoluut niet noodig is, en vooral nu niet moest worden voorgesteld.
Overigens laat het ons koud, of het aangenomen wordt of niet.
Voorstel III is geboren uit de kerkelijke procedure van ds. Hoogendijk, die, nadat hij vertrokken was, z'n oude gemeente Elst — Utrecht — een proces aan deed, omdat men hem daar niet had uitbetaald, wat men hem schuldig was. Men zei: e hebben het niet. En de dominé zei: an moet je zien, dat je het ergens los krijgt, want het komt mij toe; zoo noodig, moet je de pastorie maar verkoopen. Uit die misère — een stukje van de schande der Kerk, eenerzijds èn anderzijds — is geboren dit Voorstel, dat een predikant wil verhinderen het voeren van een geding voor den burgerlijken rechter". Het Provinciaal Kerkbestuur zal eerst moeten oordeelen en toestemming geven. En vóór het Provinc. Kerkbestuur machtiging geeft aan den predikant (of Kerkeraad of Ring!) kan het eischen, dat de dominé (of Kerkeraad of Ring) „zich een beslissing verwerft van de hieronder te noemen arbitrage-commissie". Er zullen dan vier arbitrage-commissies moeten komen voor : 1. Friesland, Groningen en Drenthe; 2. Overijssel en Gelderland; 3. N.en Zuid-Holland en Utrecht, en 4. Zeeland, N.-Brabant en Limburg. Hier wordt dan voor 't eerst „het Hoofdbestuur der Vereeniging van Kerkvoogdijen" ingeschakeld. Want die arbitrage-commissies zullen bestaan uit vijf leden, die gekozen worden door de Algem. Synode, op voordracht van de Prov. Kerkbesturen van het ressort (drie leden), van het Algem. College van Toezicht (één lid) en van het Hoofdbestuur der Vereeniging van Kerkvoogdijen (één lid).
Die arbitrage-commissie zal dan moeten beslissen of de predikant (of de Ring) tegenover de Kerkvoogdij een procedure zal beginnen en als de arbitrage-commissie geen toestemming geeft, zou de dominé (of de Ring), ook niet voor eigen risico, een rechtsgeding kunnen en mogen openen bij den burgerlijken rechter.
Dat lijkt ons — hoe treurig de zaak zelve is, zie ook 1 Cor. 6 vs. 1—8 — niet juist. Want hier zou een burgerlijk recht aan den predikant (of de Ring) ontnomen worden. En dat kan en dat mag niet. Vooral niet, nu men deze zaak bij „Opzicht en tucht" onderbrengen wil. Wil men een arbitrage-commissie instellen — goed! Maar verder kan en mag men niet gaan. Preventief kan men op deze wijze goed werk doen, maar verder kan en mag men niet gaan. Kerkelijk kan men dit middel in 't leven roepen, maar verder kan men niet gaan. Wil iemand voor eigen risico ('t zij de predikant of de Ring) zich tot den burgerlijken rechter wenden, dat. kan men niet verhinderen. Ook al geldt 1 Cor. 6 VS. 1—8. Waarbij we de opmerking willen maken, dat voor de Hervormde Kerk nog méér uit den Bijbel van beteekenis is, dan 1 Cor. 6 VS. 1—8. We zouden wel graag willen, dat men in alles zooveel eerbied voor de Heilige Schrift had, dan nu ineens voor 1 Cor. 6 VS. 1—8!
Wij zijn van oordeel, dat men bij deze wetswijziging moet gaan tot het beginsel van arbitrage, maar verder niet.
Laat men in art. 79 van het Regl. voor Kerkelijk Opzicht en tucht b.v. formuleeren: „In alle andere gevallen geeft de Alg. Syn. Commissie in overweging, dat men zich een beslissing verwerft van de hieronder te noemen arbitrage-commissie" (Art. 79 4de alinea).
Liever nog zouden wij deze heele zaak willen laten „zitten", omdat, zooals we boven reeds zeiden, deze Reglementswijziging door de Kerkvoogden aanhangig is gemaakt, omdat een predikant de Kerkvoogden van Eist heeft aangeklaagd. Maar was deze zaak, in betrekking tot de Kerkvoogden, heelemaal in orde en lag de schuld alléén bij den dominé?
’t Schijnt een soort „wraakneming” aan ’t adres van de dominé's, die de Kerkvoogden niet mogen aanklagen in ’t openbaar.
Nu is het ons veel, héél veel waard, dat het tusschen dominé en Kerkvoogden goed gaat. En we willen zelfs beginnen met te zeggen, dat er veel dominé's zijn wier schuld het is, als het niet goed gaat. Maar — het moet ons eerlijk van 't hart — het kan óók wel eens aan de Kerkvoogden liggen.
Wij vinden, dat men deze zaak van de agenda af voeren moest. Het geval Eist is gelukkig nog maar het éénige geval geweest. Zand er over! En nu verder geen samengestelde regelingen in de Reglementen voor Kerkelijk Opzicht en tucht. Zijn er nog niet dingen, die veel, maar dan ook véél belangrijker en véél urgenter zijn voor „opzicht en tucht" in de Kerk?
Ds. de Bruijn, van Driebergen, die consulent geweest is (of was) van Elst en lid van de Synode is, zei bij de behandeling van deze zaak in de volle vergadering: „De gemeente is zeer arm, maar de kerkvoogden doen niets. Zij hebben zich verzet tegen een vergadering van Gemeenteleden en weigerden een samenspreking met den predikant, die gedaan heeft wat hij kon".
Ds. Van Reeuwijk, van Amsterdam, zei: Waarom moet één lid van de arbitrage-Commissie benoemd worden door de Vereeniging van Kerkvoogdijen en b. v. niet door den Ring ; nu zullen er twee komen van de zijde van Kerkvoogden (Algem. College van Toezicht en Hoofdbestuur Vereeniging van Kerk­ voogdijen) ; „waarom niet één van de Kerkvoogden en één van den Ring? Met den vicepresident (ds. Bokma) acht hij het meer dan brutaal, het geval Eist nog door dit Voorstel te willen sanctioneeren". (Zie Synodale Handelingen, blz. 287).
Prof. de Vrijer vroeg, of er voldoende aanleiding is om deze zaak aan de orde te stellen. Hem is alleen het geval-Elst bekend. Is dit ééne geval, waarbij de predikant in 't gelijk gesteld is, nu voldoende aanleiding ? (blz. 286).
De President der Synode zei, dat hij ook persoonlijk met de zaak-Elst in aanraking is geweest. Hij heeft met den predikant gesproken. Hij heeft den indruk, dat de predikant slecht is behandeld. Ook de heer Bartels had dienzelfden indruk", (blz. 288).
Er blijken dus wel twee kanten aan deze zaak te zijn geweest. Men mag zeker niet alles den dominé verwijten.
Maar misschien dat de arbitrage-Commissie als rem zou kunnen dienen.
Als men Voorstel III in die richting zou willen wijzigen, dan is het ons goed. Want de Kerk moet zooveel mogelijk haar eigen zaken afhandelen. Maar dan moet men het Voorstel veranderen ; anders gaat het niet.
Voorstel IV bedoelt voortaan alle emeriti de bevoegdheid tot het lidmaatschap van de Algem. Weduwen-en Weezenbeurs te geven. Deze wijziging houdt verband met het feit, dat meer dan eens een predikant van 65jarigen leeftijd, ook zonder dat hij 40 dienstjaren heeft, emeritus wordt. Men wil zulke emeriti óók in het genot stellen van een toelage uit dit Fonds.
Het komt ons voor, dat dit Voorstel kan worden aangenomen.
Men ziet: zoo héél veel belangrijks is er niet aan de orde. Maar toch genoeg om er onze volle aandacht aan te schenken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's