KERK, SCHOOL, VEREENIGING
NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK.
Beroepen ; .
te Oude Tonge T. H. Oostenbrug te Gouderak — te Wezep C. B. Holland te Putten.
Aangenomen :
naar Ridderkerk (2e pred. plaats) C. v. d. Boogert te Zuid-Beijerland.
Bedankt :
voor Assen J. Eikema te Schagen — voor Tienhoven J. Hoogekamp, cand. en hulppred. te Utrecht — voor Neerlangbroek A. Luteyn te Onstwedde — voor Kamerik C. B. Holland te Putten — voor Arnemuiden cand. J. v. d. Heuvel te Delft.
GEREFORMEERDE KERKEN,
Tweetal :
te Voorburg (2de pred. plaats) J. C. J. Kuiper te Arnhem en P. K. Keizer te Vrijhoeve—'s-Grevelduin Capelle.
Beroepen :
te Sprang cand. B. A. van Lummel te Willemstad.
Aangenomen :
naar Bierum B. Slingenberg te Echten (Fr.) — naar Sprang cand. B. A. van Lummel te Willemstad.
Bedankt :
voor Schiebroek—Hillegersberg-Centrum G. Hagens te Asperen — voor Schettens—Schraard E. A. van Es te Warns.
GEREFORMEERDE GEMEENTEN.
Tweetal :
te Meliskerke B. van Neerbos te. Vlaardingen en A. Verhagen te Middelburg.
Bedankt :
voor Bruinisse J. Vreugdenhil te Kampen.
Afscheid, bevestiging en intrede.
Oldebroek.
Na een vacature van ruim 8 jaar werd Zondag j.l. de 2e predikantsplaats in de Ned. Herv. Kerk alhier door de intrede van ds. B. G. C. Steenbeek van Bennekom vervuld.
De bevestiger ds. P. J. Steenbeek van Oudewater bepaalde zijn gehoor bij Zach. 12 vers 6. Na de bevestiging werd den nieuwen herder en leeraar staande toegezongen Ps. 134 vers 3.
Bij zijn intrede zeide ds. Steenbeek in zijn voorafspraak niet meer gedacht te hebben nog eens van standplaats te zullen verwisselen. Tot driemaal toe was door de gemeente^ van Oldebroek een beroep op hem uitgebracht en hij had gemeend ditmaal niet te mogen bedanken. Oldebroek is thans zijn negende — en naar hij hoopt — zijn laatste standplaats. De inhoud van zijn prediking zou steeds weer neerkomen op den inhoud van den tekst voor dezen middag .l. Joh. 3 : 14 en 15 : „En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzoo moet de Zoon des menschen verhoogd worden ; opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe." Naar aanleiding van dit Schriftgedeelte wilde spreker zijn gehoor bepalen bij Ie. hoe die zaligheid door God is uitgewerkt en 2e. hoe die zaligheid ons deel moet worden. Na het beëindigen van deze predikatie werd gezongen Ps. 74 : 20. Onder dit zingen kwam de pastor loei — ds. J. Lekkerkerker die sedert eenige weken lijdende is aan ischias en dientengevolge den dienst niet geheel kon bijwonen, binnen.
De nieuwe herder en leeraar richtte zich hierna in een toespraak
achtereenvolgens tot zijn broer ds. P. J. Steenbeek van Oudewater, die hem thans voor de zesde maal bevestigde, tot ds. J. Lekkerkerker als mede-ambtsbroeder in deze gemeente, tot het college van Kerkeraad en Kerkvoogden, tot den weled. achtb. heer Burgemeester van Oldebroek en leden van het Gemeentebestuur dier gemeente, tot koster, voorzanger en organiste, tot de hoofden en onderwijzend personeel der Chr. Scholen. Voorts zegde spreker, voorzoover het hem mogelijk was, zijn medewerking toe aan de verschillende plaatselijke christelijke vereenigingen, terwijl hij besloot met een woord van dank voor de tegenwoordigheid van enkele vrienden uit de gemeente Bennekom.
Na de slotzang werd ds. Steenbeek allereerst toegesproken door den Burgemeester der gem. Oldebroek, den weled. achtb. heer A. Bakker, die wees op het nauwe contact in een gemeente als Oldebroek tusschen de burgerlijke en kerkelijke gemeenschap. Ds. Lekkerkerker sprak een woord van 'welkom namens kerkeraad en gemeente. Hij hoopte op een vriendschappelijke samenwerking en zegde zijnerzijds zijn volle medewerking toe. Op zijn verzoek werd den nieuwen herder en leeraar nog toegezongen Ps. 121 : 4, waarna ds. Steenbeek beide sprekers hartelijk dankte en den zegen uitsprak.
Het was voor de Hervormde gemeente van Oldebroek een blijde dag. Zij het voor beide predikanten de inzet van een gezegend samenwerken.
Naar wij vernemen zal ds. Lekkerkerker voor verder herstel eenigen tijd buiten de gemeente vertoeven.
Confessioneele Vereeniging.
De Confessioneele Vereeniging vergaderde den 9en en den 10en Juni te Lage Vuursche op de Ernst Sillemhoeve onder voorzitterschap van ds. A. B. te Winkel, Ned. Hervormd predikant te 's-Gravenhage. Na afdoening van de huishoudelijke aangelegenheden sprak in de middagvergadering ds. J. Douwes van 's-Hertogenbosch over „De reorganisatievoorstellen".
Referaat ds. J. Douwes.
De nieuwe reorganisatievoorstellen, aldus referent, die binnenkort door de Synodale Commissie zullen worden ingediend bij de Synode en uiteraard nog niet zijn gepubliceerd, maar die niet anders zullen zijn dan de uitwerking van het gevonden „accoord" tusschen de vereenigingen „Kerkherstel" en „Kerkopbouw", zijn t'e beschouwen als de exponent van het „Rapport-l929" en het „Rapport-Kerkopbouw", verkregen door de samenspreking der beide vereenigingen. Aangezien de beide rapporten vele bouwstoffen bevatten en het volgen van de gevoerde discussie naar aanleiding van die rapporten noodzakelijk is voor het verstaan der nieuwe voorstellen, wordt een overzicht gegeven van de reorganisatiepogingen der laatste jaren beginnende bij het jaar 1929.
1. Het Rapport 1929. Het ontwerp voor een Algemeen Reglement, in dit rapport aangeboden, bedoelde de „verwereldlijking" en „verburgerlijking der kerk" uit te zuiveren en tevens het presbyteriaal karakter der kerk te herstellen. Hoewel door de voorstanders der reorganisatie met nadruk is betoogd, dat men eerst over deze punten moet zijn uitgesproken, vóór men vruchtbaar over de leertucht kan spreken, was toch. de leertucht het punt, waarop het rapport hoofdzakelijk werd aangevallen en ten slotte strandde.
2. Toen in 1932 een voorstel-Niemeyeres tot vreedzaam samenwonen der richtingen door een overgroote meerderheid in de kerk ongunstig werd ontvangen, bleek dat een oplossing in deze richting niet gezocht kon worden.
3. Een nieuw ontwerp, thans van de Vereeniging Kerkopbouw, verschenen in 1933, erkende het presbyteriaal-synodaal karakter der kerk en tevens de leertucht als onmisbaar element in een Christus-belijdende Kerk. Ook dit rapport werd echter verworpen, o.a. omdat van de zijde van Kerkherstel een krachtig „neen" gesproken was. Dit neen gold hoofdzakelijk : het invoeren van een geloofsformule in den aanhef van het reglement; het instituut der „huisgemeenten, waarin men 't voorstel 1930—l932 in anderen vorm zag terugkeeren ; het uitschakelen der classicale vergaderingen in zaken, de leertucht betreffende, waarin men een aantasten van het presbyteriaal beginsel zag ; het invoeren van kerkvisitator en moderator 'waarin men Tiet gevaar van episcopale overheersching zag.
4. Na de verwerping van dit voorstel in 1036 volgen de bekende besprekingen tusschen Kerkherstel en Kerkopbouw, eindigende in het bekende „accoord", dat in 1936 aan de Synode kon orden aangeboden. Over dit accoord wordt uitvoerig gesproken en aangetoond: hoe Kerkopbouw de artikelen 1 en , 2 uit het ontwerp Kerkopbouw heeft laten vallen ; hetgeen Kerkopbouw daarin heeft willen zeggen, is ondergebracht in Artikel 9 van 't rapport-1929 op een wijze, waardoor alle schijn vermeden wordt alsof hier van en poging, de belijdenis opnieuw te willen formuleeren, sprake is ; het instituut der huisgemeenten is vervallen en daarvoor in de plaats de taak der inwendige zending aan de kerkeraden opgedragen, terwijl in een aantal overgangsbepalingen de bestaande verhoudingen dermate worden geregeld, dat eenerzijds het bestaan van autonome groepen in de kerk, die het karakter der kerk als zoodanig aantasten, en anderzijds de tyrannie van partij-kerkeraden, onmogelijk worden gemaakt, terwijl tevens een nauwere aansluiting bij de Gereformeerde belijdenis en herstel van de eenheid der Christelijke gemeente uitkomt; voorts ontvangen kerkvisitator en moderator een bemiddelende taak ; Kerkherstel! heeft hiertegen in dezen vorm geen bezwaren meer, wanneer de ouderlingen tot deze functies geroepen kunnen worden ; ook de classicale vergaderingen in de nieuwe voorstellen hebben een rechtsprekende taak, waar het geschillen over de belijdenis betreft.
5. De critiek op de voorstellen is fel van den kant van „Het Gereformeerde Weekblad". O.a. is gezegd, dat deze voorstellen de belijdenis tot een antiquiteit maken, wat niet alleen geestelijk, maar ook staatkundig de noodlottigste gevolgen zal hebben. Referent wil deze critiek weerleggen met de nieuwe voorstellen zelf, maar acht den toon van „Het Gereformeerd Weekblad"' van dien aard, dat discussie vrijwel onmogelijk is. Belangrijker is, wat op het oogenblik gaande is onder de vrijzinnig-Hervormden. Met waardeering voor den ernst der ontwerpers, acht hij echter den geest hunner voorstellen dermate „humanistisch", dat hij deze poging lijnrecht tegengesteld ziet aan de gezamenlijke voorstellen van Kerkopbouw en Kerkherstel.
Schoolopheffing goedgekeurd.
Voor eenigen tijd heeft de Gemeenteraad van Beesd (in de Betuwe) besloten, de Openbare School aldaar op te heffen. Belanghebbende ouders hebben geadresseerd, maar dit hielp niet. De kinderen konden nu of overgaan naar de Bijzondere School, of in naburige buurtschappen de Openbare School bezoeken. Ged. Staten hebben het besluit tot opheffing goedgekeurd.
Naar het Zendingsfeest.
Naar we vernemen, zullen onderscheidene afdeelingen van de Ned. Chr. Reisvereeniging, o.a. 's-Gravenhage, excursies uitschrijven voor bezoek aan het Nationaal Zendingsfeest op Woensdag 7 Juli te Middachten. Informaties verstrekt het bureau dezer Vereeniging, Weteringkade 22a, te Den Haag.
Lohman.
In „De Bazuin" van 28 Mei 1937 wijdde prof. dr. K. Dijk een artikel aan jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman, die 29 Mei 1837 geboren werd. Uit dit artikel wordt hier de volgende boeiende passage overgenomen:
»Het was mij als jong predikant in Den Haag een bijzondere eer, dat ik zoo nu en dan eens zoowel met Lohman als met Kuyper mocht praten, en de eerste disputeerde graag over de kenmerkende Gereformeerde leerstukken. Ik herinner me nog als den dag van gisteren, dat ik in den, winter van 1917—'18, toen we aan alles en vooral aan brandstof gebrek hadden, bij Lohman kwam in zijn woning in de Trompstraat, en ik den 80-jarige op zijn studeerkamer vond, werkende in de kou, wel warm gekleed en toegedekt, maar zonder dat het haardvuur in gezelligen gloed oplaaide. Hij vroeg mij, of ik wel tegen de kou kon, en verzekerde mij, dat deze ontbering hem geenerlei schade deed, waarop hij een gesprek begon over het verschil tusschen Vinet en Schleiermiacher, en hiermee in verband over het onderscheid tusschen de Ethische en Gereformeerde Schriftbeschouwing, welk onderhoud anderhalf uur duurde. Ik ben toen getroffen geworden door zijn uitgebreide kennis en scherpen blik en werd ten slotte getroost door de warme liefde, waarmee hij sprak over de dagen van '86 en over het goed recht der doleerende kerken. Doch het meest vertroostend was, wanneer hij in de Oosterkerk aan den Disch des Heeren aanzat en met Kuyper aan één tafel den dood des Heeren verkondigde; ik weet nog, hoe mij dit op 13 October 1917 voor het eerst trof, zoo sterk, dat toen ik ze aan één en denzelfden disch zag, met Idenburg en Colijn en Heemskerk, ik niet kon nalaten aan het eind van deze tafel te doen zingen: Ai ziet, hoe goed, hoe lieflijk is 't, dat zonen van 't zelfde huis als broeders samenwonen.
Kerkelijke huwelijksbevestiging,
In het „Friesch Kerkblad" van 6 Juni 1937 schrijft ds. H. Veldkamp :
»Dat de huwelijksbevestiging een kerkelijke acte is, wordt almeer verzwakt. Eerst, door in de week te gaan trouwen, zoodat bijna niemand komt, althans de gemeente niet. In de tweede plaats door 't tot een domineeszaakje te maken. Wat geen kerkeraad anders ook iemand toestaat, gunt hij den huwenden : zij mogen bepalen, welke dominee dien dag zal „optreden", hetzij zwager, neef of broer".
In de uitdrukking „kerkelijke huwelijksbevestiging" is het woord „kerkelijk" wel wat aan het verbleeken.
Gereformeerde en Chr. Gereformeerde Kerk.
In de Geref. Kerkbode van Eindhoven is weer een lichtpuntje te zien. Er was bij den kerkeraad der Geref. Kerk aldaar het verzoek ingekomen van den kerkeraad der Chr. Geref. Gemeente ter plaatse een deputatie te willen zenden bij de plechtige ingebruikneming van het nieuwe kerkgebouw dier gemeente. Na discussie en stemming besloot de kerkeraad der Geref. Kerk aan het verzoek te voldoen en vaardigde hij ds. G. Zeyl en ouderling J. Bekkering naar de plechtigheid af.
Nederlandsch Bijbelgenootschap.
De bijbelomzet van het Ned. Bijbelgenootschap bedroeg over 1936 88638 exemplaren tegen het vorige jaar 959519 exemplaren. In Indië werden in l936 9520 exemplaren tegen het vorige jaar 21734 stuks verkocht. Opvallend is, dat de omzet in Ned.-Indië zoo geweldig zonk. De oorzaak is hiervan het minder goed functioneeren der agentuur. Naar men uit de bladen reeds vernomen heeft, is een reorganisatie tot stand gekomen, waarbij o.a. een enge samenwerking tusschen het Britsch-en Buitenlandsch Bijbelgenootschap en het Ned. Bijbelgenootschap is bereikt, welke reorganisatie de bijbelverspreiding in Indië ongetwijfeld weer krachtig vooruit zal doen gaan. Reeds gaven de eerste maanden van 1937 een belangrijke stijging te zien.
Dezer dagen vertrekt dr. H. C. Rutgers, secretaris van 't Ned. Bijbelgenootschap, naar Indië, teneinde de met het Londensche Bijbelgenootschap getroffen afspraken in Indië te bespreken en verdere regelingen te treffen.
Het aantal leden en begunstigers steeg van 25950 in 1935 tot 27745 in 1936. Voorts werden 72 nieuwe afdeelingen in de laatste twee jaren gesticht.
Vorderingen in 1936.
In het Juni-nummer van het maandbericht is opgenomen het jaarverslag 1936 van het Ned. Bijbelgenootschap. Daarin lezen wij, dat de nieuwe vertaling van het Nieuwe Testament thans in haar geheel in drukproef bij de drukkerij Meinema te Delft is. Daar de commissie echter gezamenlijk de geheele vertaling nog eens in de proef wil doorzien, zal het nog wel eenigen tijd duren, voordat zij verschijnen kan. Voor de vertaling van het Oude Testament is de werkwijze veranderd, zoodat het tempo versneld kon worden.
Wat de verkoop betreft, werden in 1936 in het binnenland opgeleverd 49.169 bijbels (vorig jaar S0.26O); 366 Oude Testamenten (vorig jaar 402), 18.786 Nieuwe Testamenten (vorig jaar 25.232) en 20.327 Evangelies en andere gedeelten (vorig jaar 21; 907). Totaal 88.638 (vorig jaar 95.999).
Hiervan werden geleverd aan de afdeelingen 44.250 exemplaren.
De actie voor het uitbreiden van het aantal afdeelingen (door ds. Boeke) heeft 1980 31, in 119136 41 nieuwe afdeelingen opgeleverd. Er zijn er nu 329.
Het ledental is nu 27.745 en sedert 1934 met 3048 gestegen. In 1936 zijn in 30 gemeenten bijbeltentoonstellingen gehouden.
De oplaag van de bijbelrooster is opgevoerd van 25O00 tot 30OOO.
Herdenking Statenvertaling.
Door het Ned. Bijbelgenootschap werd bericht ontvangen van de Belgische, Britsch en Buitenlandsche, Deensche, Noorsche, Schotsche en Wurtembergsche Bijbelgenootschappen, dat zij zich hopen te laten vertegenwoordigen op de herdenkingssamenkomst ter gelegenheid van het driehonderdjarig bestaan der Statenvertaling, alsmede op de daaraan voorafgaande jaarvergadering van het Genootschap.
Johannes Bogerman
is in 1576 in Oost-Friesland geboren en stierf in 1637. Na uitstekende opleiding, o.a. in Franeker aan de Hoogeschool, waar hij het onderwijs volgde van Drusius en van Lubbertus, maar ook in Heidelberg, waar hij onderwijs ontving van Paraeus en Tossanus, gelijk ook in Geneve van Beza en in Cambridge van Perkins, — werd hij predikant te Sneek (1599), waar hij vooral met de Mennonieten te kampen had. Hier gaf hij met een collega een Hollandsche vertaling van Beza's geschrift over 't straffen van ketters. In 1602 ging hij naar Enkhuizen en in 16I4 naar Leeuwarden. : Hier bond hij den strijd aan tegen het Jezuïetisme en de Roomsche Kerk.
In die dagen kwam Arminius naar voren met z'n verderfelijke leerlingen. Een benoeming tot hoogleeraar te Franeker kon hij niet opvolgen, daar magistraat en Kerkeraad te Leeuwarden weigerden hem ontslag te verleenen.
Op de vergaderingen van de Contra-Remonstranten te Amsterdam (1615 en 1616) was ook Bogerman tegenwoordig, die in Friesland hooge eere genoot. Grooten invloed won hij bij den Calvinist Graaf Willem Lodewijk, die weer bewerkte, dat na lang dralen. Prins Maurits de zijde der Contra-Remonstranten koos en het houden van een Nationale Synode mogelijk maakte, waar Bogerman, de man „met de lange baard", als voorzitter uitnemende diensten heeft bewezen aan Kerk en Vaderland. De eenheid der Synode, hoewel meermalen bedreigd, werd door hem bewaard en de besprekingen met de Remonstranten zijn door hem op uitnemende wijze geleid en ten laatste tot een goed einde gebracht. Ook werd hij tot een der overzetters van het Oude Testament — Staten-Vertaling — benoemd.
Na het sluiten der Synode stond Bogerman Prins Maurits en de Staten-Generaal met zijn raad bij, ging naar Utrecht, om ook daar in den Kerkstrijd hulp te verleenen, om in 1619 weer naar Leeuwarden terug te keeren. De beroepen, hier door hem ontvangen van Utrecht, Den Haag en Amsterdam, werden afgewezen.
In 1625 vinden we hem in 's-Gravenhage bij het ziek-en sterfbed van Prins Maurits. In November 16125 gaat hij naar Leiden, om als Bijbelvertaler z'n werk te doen, een arbeid, die hem tot 1636 geheel in beslag nam. Als een afgeleefd man, die door nierziekte geheel uitgeput was, keerde hij naar Friesland terug, om dan 7 Dec. 1636 nog het ambt van professor te Franeker te aanvaarden. 11 September 1637 (het jaar van de verschijning van de Staten-Vertaling) stierf hij, kinderloos, in den ouderdom van 61 jaar (1576—1637). Hij werd genoemd een zeer welsprekend Kerkredenaar, een geleerd theoloog, zeer bemind bij den Vader des Vaderlands, een man van onvergetelijke verdienste ; al was 't alleen maar door zijn voorzitterschap en leiding van de Dordtsche Synode.
Hermannus Witsius
werd in 1636 te Ehkhuizen geboren en stierf in l708. Hij studeerde in Utrecht en in Groningen en werd, na te Utrecht zijn stellingen over de Drieëenheid te hebben verdedigd (1655) in 1667 predikant te Westwoud, 1661 te Wormer, 1666 te Goes en twee jaar later te Leeuwarden.
In 1675 werd hij' benoemd tot hoogleeraar te Franeker en werd daar de leermeester van den later bekend geworden C. Vitringa.
In 1680 ging hij naar Utrecht, waar hij als ernstig Cocceijaan een bemiddelende rol vervulde. . Door zijn verzoenend optreden wist hij een anderen geest onder de theologen te brengen, die toen sterk verdeeld waren In Voetianen en Oocicejanen. Vooral deze laatsten namen, hem dat zeer kwalijk.
In 1698 vertrok hij naar Leiden, waar hij tevens Regent werd van het Statencollege. Hij was een vroom en vredelievend man ; zijn devies was: in het noodige éénheid — in het niet-noodige vrijheid — in alles de liefde. [In necessariis unitas — in non necessariis libertas — in omnibus caritas.]
Zijn hoofdwerk): Oeconomia foederum Dei cum hominibus, dat handelt over de „huyshoudinghe der Verbonden Gods met de menschen'" is in veel uitgebreider vorm in het Nederlandsch en Engelsch vertaald.
Hermannus Faukelius
is in 1560 geboren en ia in 1825 overleden. Na 14 jaar predikant te Keulen te zijn geweest, deed Faukelius in 1599 intrede te Middelburg, waar hij tot aan zijn dood, in 1625, bleef. Hij was een predikant, die om zijn getrouwen arbeid en beminnelijke persoonlijkheid, zéér gezien was, ook buiten zijn gemeente. In het kerkelijke leven van Zijn dagen nam hij een gewichtige plaats in. Op de Synode van Dordrecht (1618— 1619) was hij een van de Assessoren, die dus mee in het Moderamen der Synode zat. Hij werd benoemd tot bijbelvertaler van het Nieuwe Testament en secundus-vertaler van het Oude Testament, daar hij in het Grieksch zeer bedreven was en een uitnemend kenner van het Hebreeuwsch.
In Middelburg heeft hij fel gestreden tegen de Doopsgezinden, 't welk zijn boek : „Babel", dat is verwerringhe der Wederdooperen onder malkanderen", bewijst.
Vooral is hij, tot op heden, bekend geworden door zijn "uitnemend catechisatieboekje : Kort Begrip, dat wel geen officieel kerkelijk gezag heeft, maar door de Dordtsche Synode is aanbevolen voor degenen, die een eenvoudiger boekje dan de Heidelb. Catechismus, noodig hebben. In 1608 opgesteld, is het Kort Begrip in 1611 uitgegeven. Het wordt nog telkens herdrukt en veel gebruikt.
Bunyan.
Prof. dr. H. M. van Nes schrijft naar aanleiding van de Bunyan-tentoonstelling in de Openbare Christelijke Bibliotheek en Leeszaal te Hilversum het volgende:
»Daar is een tijd geweest, dat de auteur der Pelgrimsreize, de „koning der oefenaars", gelijk ik hem eens noemde, van de lijst der wereldlitteratuur geschrapt was; die tijd behoort nu gelukkig tot het verleden. In 1928 werd in Engeland het derde eeuwfeest van Bunyan"s geboorte gevierd en de aandacht van wijde kringen op hem gevestigd ; de Nederlandsche uitgevers durfden in de laatste jaren telkens nieuwe uitgaven van en over den Engelschen schrijver aan. Deze tentoonstelling is een teeken van de herleefde belangstelling, door den man en zijn boek zeer verdiend.
„Zijn boek": hij heeft er veel meer geschreven, maar zijn naam is onlosmakelijk met de Pelgrimsreize verbonden. Zijn vele stichtelijke verhandelingen vinden zoo goed als geen lezers meer ; de Christinnereis is lang zoo goed niet als de reis van Christen ; de Heilige Oorlog staat uit psychologisch oogpunt 't hoogst, maar leent zich niet zoo gemakkelijk voor een allegorische beschrijving als het verhaal van den Pelgrim uit. deze wereld naar de toekomende, dat een natuurlijke afsluiting vindt in den overgang van de doodsrivier, de pendant van Christen in mr. Kwaad (Badman) is belangwekkend voor den cultuurhistoricus, maar mist aantrekkingskracht voor den algemeenen lezer. Macaulay noemde de Pelgrimsreize de eenige allegorie, die niet alleen de verbeelding vermaakt, maar ook beslag legt op de waarachtige belangstelling van het menschelijk hart. Volgens dezen geschiedschrijver leefden er in het Engeland van de tweede helft der 17de eeuw slechts twee geesten, die den hoogsten graad der verbeeldingskracht bezaten. Milton en Bunyan. Door velen wordt de laatste zelfs naast Shakespeare gesteld.
In Grace Abounding, de autobiographie in hoog-ernstigen toon, die gedeeltelijk de Pelgrimsreize verklaart, welke hetzelfde onderwerp spelenderwijs behandelt, zegt Bunyan, dat hij alles veel mooier had kunnen maken, maar het niet had willen doen, omdat het geen spelletje was geweest, toen God hem beproefde. Ziedaar de man, die van cliché's niet weten wilde, zijn eigen visie had en zijn eigen doorleefde ervaring. Hij had een woord voor zijn tijd, maar ook voor den onzen«.
Het Communisme in Spanje.
De „Tribune" bevatte dezer dagen een brief uit Spanje, waarin werd medegedeeld dat het ledental der Communistische Partij aldaar is gestegen van 32.000 tot , 200.000. „Het Volk" trekt deze cijfers in twijfel. Misschien niet geheel en al ten onrechte. Doch opmerkelijk is de beschouwing, welke het Sociaal-democratisch orgaan aan deze mededeeling vastknoopt.
Het blad schrijft:
»Wij ontkennen niet, dat de invloed van 't communisme in Spanje is toegenomen na de Russische wapenleveringen aan Madrid. Voor de „Tribune" is dat een verheugend, voor ons daarentegen een bedenkelijk verschijnsel. Hoe sterker het communisme in Spanje, des te minder zullen de burgerlijk-democratische landen als Engeland en Frankrijk bereid zijn, de hand boven het hoofd van de Spaansche republiek te houden. En voor Spanje zelf : hoe sterker het communisme er wordt, des te grooter het gevaar voor de Spaansche democratie. Dit wordt het best begrepen door de leiders van het republikeinsche Spanje zelf, die krachtiger dan ooit voor de vestiging van de democratie in Spanje opkomen en, te oordeelen naar tal van verschijnselen, met succes. De Spaansche republiek is bezig een deel van haar gezag, verspeeld door het onbekookte optreden van communisten en anarchisten, te herstellen, zoowel in het binnen- als in het buitenland.
Er is matiging, geen prijsgeving van de revolutionaire beginselen. Het gevaar voor Spanie wordt er niet minder om, zegt „De Standaard" terecht, aan welk blad we dit bericht ontleenen.
Het Fascisme in Italië.
„Het fascisme van l936 is heel wat anders dan dat van 1910", schrijft de Romeinsche correspondent van 't „Handelsblad". En hij vervolgt:
„Het programma van de eerste bijeenkomst der „fascisten" op 23 Maart 1919 in Milaan, wilde van Italië een ultra-democratische republiek maken; het vormde een program, dat tegelijk nationalistisch en radicaal-socialistisch was. Algemeen direct kiesrecht voor alle burgers van beide sexen werd geëischt; volksreferendum, volks veto over .belangrijke wetten, de Centralisatie der uitvoerende macht, verkiezing der magistraatspersonen door het volk, autonome regeering der gewesten en gemeenten door eigen wetgevende lichamen, vrjjheid van meening, van vergadering, van woord, van pers. Men ziet, een programma dat op al deze punten 't meest radicaal tegenovergestelde is van het huidige fascisme".
De Hitler-jeugd.
Eenigen tijd geleden heeft Rijksminister Göbbels een radio-rede gehouden tot de Hitlerjeugd, waarin hij o.a. zeide :
»Thans zijt gij niet meer ingedeeld volgens godsdienstige-en partij-opvattingen. Gij allen zweert bij één man en één idee.
Dat is toch wel héél verschrikkelijk om zóó de jeugd, de toekomst van Duitschland, toe te spreken. Het Duitsche volk loopt wel langs een hellend vlak ! Het gaat zich meer en meer gebroken bakken uithouwen, die geen water houden. Zij hebben den éénen Meester, Jezus Christus, verloochend door te zweren bij Hitler. Zij hebben den vasten grond verloren, omdat zij zweren bij de nationaal-socialistische idee, die, in plaats van Gods Woord, richtsnoer van het leven geworden is.
Dan mag de heer Göbbels spreken van een gelukkige jeugd, die zeker is van haar toekomst, maar dan blijkt juist hoe ongelukkig en hoe onzeker de toekomst van de Duitsche jeugd is.
„Wat afvalt van den hoogen God, moet vallen".
Petrus Wittewrongel
is een theoloog uit de 17de eeuw. In 1609 werd hij geboren te Middelburg en stierf in 1662. Na theologie en philosophie te hebben gestudeerd, werd hij predikant te Renesse (1632), te Zierikzee (1686) en te Amsterdam (1638). Hier verscheen zijn hoofdwerk : Christelijke Huyshoudinghe (Oeconomia Christiana), dat nogal bekend en geroemd werd.
Op de Synode van Zuid-Holland (1641) werd hij belast met gewichtigen arbeid. Zeer ijverde hij tegen het tooneel, waardoor hij zich den spot van niemand minder dan Vondel op den hals haalde, maar hij trok er zich niets van aan en ging met zijn protest rustig door.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's