De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

11 minuten leestijd

Braakt ulieden een braakland en zaait niet onder de doornen. Jeremia 4 vers 3b.

Braakt ulieden een braakland en zaait niet onder de doornen. Jeremia 1 vers 3b.
Dat braakland is ieder mensch van nature. Het is land, waar veel op groeit, maar niets goeds. Veel onkruid, geen vruchten voor den grooten Eigenaar, voor God. Braakland is ieder mensch, die van zichzelf overtuigd is dat hij het zoo goed doet. Dat zijn de wonderlijkste menschen, die ik ooit ontmoet heb. Zij brengen volop stekels voort, waarmee zij iedereen probeeren te geeselen en te prikken, maar nooit zichzelf. Anderen zitten vol brandnetels, raakt men ze aan, dan spuwen ze heimelijk vergif. Anderen zijn meidoorns, zij bloeien prachtig, maar de bessen kan m.en niet eten. Maar ook al is de mensch niet zoo erg overtuigd van zijn goed-doen en goed-zijn, van nature zijn wij allen braakland. Er groeit in ons leven niets, dat de naam Gods groot maakt. Zooals een verwaarloosd stuk land een schande is voor een boer, zoo is ons leven een schande voor onzen Schepper. En daar 'zijn wij de schuld van. Want wij zijn land en pachter tegelijk. Al maken wij 't nóg zoo goed voor ons zelf, wij voldoen onzen Landheer niet. Wij betalen geen pacht. En als land aangemerkt, brengen wij van nature niets dan onkruid voort.
Wat moet er nu gebeuren, een beetje zaad er over? Dat helpt niet veel, want lederen Zondag wordt er op veel braakland gezaaid, maar het zaad blijft in de stekels hangen. Soms probeert men het te zaaien in een persoonlijk gesprek, maar dan blijft het in de brandnetels steken. En ieder weet, hoe die den grond uitmergelen. Neen, onder de doornen zaaien, dat wordt niets, hoewel wij het vele malen moeten doen. Wat dan ? Eerst het land ontginnen. Braakt ulieden een braakland. We moesten er eerst de stoomploeg maar eens op zetten, want het land moet heelemaal ondersteboven worden gekeerd. Het beste zou wezen, dat we de bovenste laag zoó diep konden wegstoppen, dat alle onkruid met wortel en zaad verstikte. Onderste boven moet een mensch. Vanaf onze geboorte is het zoo gesteld: ons eigen ik bovenop en God onder. Dat moet heelemaal veranderen. Een mensch moet leeren verstaan, dat hij niet de belangrijkste persoon in het heelal is. De wereld is niet gemaakt om den mensch. God heeft ons allen en heel de wereld geschapen om Zijns zelfswil. Dat moeten wij leeren erkennen. Omgekeerd worden wil zeggen: gaan verstaan, dat God.de Eerste is.
Wat moet er verder gebeuren, als een mensch zoo'n omkeer in zijn leven gekregen heeft, dat hij heelemaal onder ligt ? Kan er dan op gezaaid worden ? Dat weet iedere boer wel beter. Als het land vol plekken wortelonkruid zit, moet dat er eerst uitgehaald worden. Niet, dat je het er ooit heelemaal uit krijgt, maar toch zooveel mogelijk. En dan moet de grond goed fijngemaakt worden. Precies zoo met een omgekeerd mensch. Eerst lijkt het wel, alsof alle onkruid verdwenen is, maar dat blijkt wel anders. De wortelzonden moeten er uitgehaald worden. De mensch moet plek voor plek worden bewerkt, om goede aarde te worden. De Heilige Geest heeft veel werk aan een .mensch om hem zaaiklaar te maken. Meen toch niet, dat het genoeg is een keer omgekeerd te zijn, dan zitten de doornen (een Palestijnsche boer had meer met doornstruiken te kampen dan wij) en het kweekgras er nog zoo dik in. Neen, na de stoomploeg begint 't werk pas recht.
Welke werktuigen worden daarbij gebruikt ? De brengers van het Woord Gods in prediking en gesprek. Dat is het hoogste wat een mensch kan worden: werktuig in Gods handen. Paarden des Geestes, die de ploeg en de eg mogen trekken. Knechten, die een mensch mogen vermanen. Dit kunnen wij allen, op onze beurt, voor elkander worden. Gods Woord, dat is de ploeg en de eg en de spade en de riek. Daarom is 't zoo noodig dat ieder mensch zich stelt onder de bediening des Woords. Daaruit moeten wij leeren, dat wij schepselen zijn. Wij zijn niet als God, wij zijn menschen. En als menschen: ijdelheid. In 5 minuten is ons leven en het leven onzer kinderen afgesneden. Als de ploeg der wet door ons leven heensnijdt en de eg ons fijn slaat, dan kunnen wij leeren dat wij menschen zijn. Daarom doet iedere thuisblijver zoo dwaas als hij zijn hart niet wil laten bewerken. Dan is hij als een boer, die geen ploeg op z'n land wil toelaten, omdat bij 't onkruid zulke mooie bloempjes zijn. Maar ook de kerkganger doet onverstandig, die zich tegen de ploeg inzet Vanzelf doet de grond dat ook. Land kan zoo hard of zoo taai zijn. Echte tegenstand tegen de ploeg. De grond kan ook het onkruid zoo vast willen houden. Maar een mensch moest niet zoo zijn. En toch! Strooi het zaad des evangelies, zeggen sommigen, maar scheur mij niet uiteen met die felle scherpe ploeg der wet. Snij mij niet heelemaal fijn. Laat er nog een schuilhoek voor het onkruid mogen overblijven. Een mensch. begeert ook vaak de doornen vast te houden. Doe dat niet Bidt God liever, dat uw hart onder de prediking goed doorploegd moge worden. Gij zijt een verwaarloosd stuk land. Vraag den Heere, of Hij het goed wil laten ploegen. Goed omkeeren en goed fijn maken. Want als dit niet gebeurt, dan zal het zaad van het evangelie in uw ziel geen vrucht dragen. Misschien zal het wel op komen en met blijdschap ontvangen worden, maar voordat de oogsttijd gekomen is, zal 't verdord zijn. Het land moet eerst goed bewerkt zijn. Maar het gaat om den oogst. Zoudt gij het niet begeeren om heelemaal fijn gemaakt en van doornen gezuiverd, om dan goed zaailand te zijn Gode vruchten te dragen ? Wel, menschen, dan is het toch de moeite waard zich te laten bewerken!
Niet ieder mensch kan het evangelie met vrucht hooren. Er moet eerst heel wat bij ons uit. Velen zeggen : er moet eerst heel wat bij mij in. Het zou wel eens andersom kunnen zijn. Er is zooveel in den mensch, dat God in den weg staat. Het moet er bij u uit, voordat de dood u overvalt. Het zou kunnen wezen, dat gij zelf klaar waart met het rooien van de doornstruiken en dat de dood u overviel. Pas daar voor op. Wat moet er dan uit ? Een mensch zijn boezemzonde. Dat is die zonde, die men het moeilijkst laten kan. Wij hangen niet aan de heele wereld ineens. Bijna ieder mensch heeft zijn zwakke plek. Niet alle zonden zijn even sterk in een mensch. Daarom is allereerst noodig : zelfkennis. Een mensch moet goed en duidelijk weten, wat zijn liefste zonde is. De doornen kunnen er alleen maar uitgewerkt worden bij daglicht. Wij moeten allen weten, waar het bij ons op vast zit. Wij moeten weten, welke touwen ons binden aan deze wereld, die het ons onmogelijk maken om God te dienen. Wij moeten leer en onze kwade gedachten, onze overspelige begeerten, onze hoererijen, onze moorddadige bevliegingen, onze dieverijen, onze gierigheden, ons bedrog, onze hoovaardij, onze ontuchtige gedachten, onze laster, ons onverstand, als zonde tegen God te zien. Wij moeten deze zonde als schuld leeren kennen. Ik weet wel, zegt menigeen, dat ik zoo of zoo ben. Maar hij wil niet weten, dat het misdaden zijn, die hem in Gods gevangenis zullen brengen. Die doornstruiken zullen de oorzaak worden van een eeuwig verderf. Daarom moeten uw liefste zonden de deur uit. Het is erg genoeg, dat zij geregeld om uw huis heen vliegen en zoo nu en dan inbreken. Gij moogt ze niet koesteren. Het is onmogelijk de zonde te dienen en vrede te krijgen met God. Gij kunt het jarenlang probeeren. Ge kunt God de schuld •^geven, dat Hij u geen vrede geeft. Maar het zijn uw zonden, die scheiding maken ! De zonde mag uw vriend niet langer zijn, het is erg genoeg, als zij u als vijand aanvalt.
Vervolgens moet uw eigengerechtigheid eruit. Er zijn zooveel goede menschen op de wereld. Vooral onder dezulken, die nooit in een kerk komen. Het is in de kerk erg, maar daarbuiten niet minder. En geen wonder. Daar hooren zij nooit iets anders dan 'van hun eigen goed. In de kerk krijgt een mensch zoo nu en dan de waarheid nog eens te hooren over zichzelf. Buiten de kerk vindt men dat nergens, want daar, waar Gods Woord niet verkondigd wordt, wordt de waarheid over den mensch niet bekend gemaakt. Men kan menschen aantreffen, volgens wie de heele wereld niet deugt, behalve zijzelf. Sommigen zijn zoó overtuigd van hun eigen rechtschapenheid, van hun eigen goeden wil, van hun eigen goede hart, dat het vermakelijk zou zijn als het niet zoo ernstig was. Lieve menschen, in den Bijbel staat, dat de Heere Jezus niet gekomen is om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars. Vernederde, zichzelf veroordeelende zondaars. Die eigengerechtigheid is voor velen een kwaad punt. Daar blijft een mensch zoo gerust op en : zoo hoog mee.
Door onze boezemzonde zitten wij vast aan de wereld en door onze eigengerechtige hooge dunk zitten wij vast aan ons zelf. Hier geldt het weer : bidt God om ontdekkend licht, zoodat gij uw eigen leven ziet. Als.God zoekt vindt Hij er niet een die goed is, niet tot één toe. Want die goede menschen eeren zichzelf wel maar stelen de eer, die 'hun Schepper toekomt. Een mensch komt alles te kort tegenover God. Maar wie zal een eigengerechtige overreden ?
De derde doornstruik die ik noem is : begeerlijkheid des vleesches. Een mensch grijpt van de wereld wat hem aanstaat en hij denkt nog dat het mooi staat ook. Och, wat wordt gezondigd en God vergeten, omdat het onze zin is. Begeerlijkheid des vleesches en begeerlijkheid der oogen. Een mensch gaat op in het tijdelijke. We zwemmen en duiken onder in de dingen van het vleesch en van de aarde. Zullen wij dat nooit moe worden of zullen wij het opgeven en voor God in de schuld vallen? Begeerte naar de heele wereld, maar geen begeerte om God groot te maken. Ik zou haast zeggen, er zijn zooveel soorten van doornen als er menschen zijn. De een zit vast aan zijn liefste zonde en smeedt dien keten lederen dag sterker. De ander zegt: Ik ben goed, ik doe mijn best, ik heb geen kwaad te vreezen. Een derde beroept zich op vroomheid en uitreddingen en benauwdheid zonder Christus. Een vierde zit van top tot teen vol van de wereld, van mooie dingen, van sport, van wat andere menschen dragen en zeggen, van pretjes. Een vijfde gaat op in de roem van eigen zaak, eigen macht, eigen verstand, eigen grootheid. Een zesde bidt iederen dag tot God maar weigert zichzelve te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Een zevende zit vol bitterheid tegenover deze maatschappij : de ministers deugen niet en de rijke menschen niet en hij alleen zou het goed doen. Een achtste zit vol van de werkloozen, die zooveel kosten en zoo lui zijn en dat zijn goederen zoo onder de crisis lijden. Een negende zit vol haat en nijd tegen kerk en godsdienst. Een tiende zit vol vijandschap tegen een bepaalde kerk en streelt de zijne liefelijk. Een elfde zit vol van de kerk en van de waarheid en van de Schrift. Een twaalfde hoort genoeglijk het woord Gods en gaat even genoeglijk door met zijn zonde. Maar allen zijn er even hardnekkig tegen om onder God te buigen. Wie zit er vol van God ? En hoe zullen wij het met al die doornen maken voor Gods Rechterstoel ? O, onvruchtbaar mensch, hoe zult gij Gods vruchten dragen ? Wie begeert het ? Wie wil anders worden ? Dat hij er God bij roepe. Dat hij zichzelve als een doornachtig stuk land in Gods handen geve. Dat hij den Heere Jezus er eens bij hale.
Onder de doornen kan geen vrucht groeien, maar als zij er uit zijn kan er vruchtbaar land van worden gemaakt. Wie heeft er echt last van ? Laat er dan de doornen uithalen en laat de Heere Jezus er goed zaad op zaaien. Wie wil al het zijne kwijt ? Wie wil echt zijn zonde, zijn goedheid, zijn eigengerechtigheid, zijn vleescheiijke rust en lust, : zijn goede godsdienst, zijn haat tegen den godsdienst kwijt ? Wie wil alles kwijt wat hij kwijt moet ? Pas op, dat gij niet verder onder de doornen zaait, zij moeten er eerst uit.
Wapenveld

G. Vlasblom

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's