De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

MIJN PAD GEKEND

9 minuten leestijd

Als mijn geest in mij overstelpt was, zoo hebt Gij mijn pad gekend. Psalm 14-2 vs. ia.

Bunyan vertelt in zijn boek: „De Pelgrimsreize van deze wereld naar de toekomende", dat Christen, toen hij den top van den heuvel „Moeilijkheid" bereikt had, twee mannen op zich zag toeloopen, die hem zeiden, dat zij op weg waren naar de stad Zion en reeds dezen heuvel bereikt hadden, doch nu besloten waren, zoo spoedig mogelijk terug te keeren, daar de gevaren voor hen te groot werden. En een van de twee. Mistrouwen geheeten, deelde Christen ook mede, dat een eind verder op den weg twee leeuwen lagen, wier gebrul vreeselijk was, en zij dus vreesden, verscheurd te zullen worden. Toch gaat Christen verder. Helaas verlaat hij zich door zijn slapen in het prieel, halverwege den heuvel, en door het zoeken naar de verloren boekrol, en het is reeds na zonsondergang, wanneer hij het paleis „Lieflijkheid" nadert. Op grooten afstand verneemt hij het huilen der leeuwen en hij beeft van vreeze. Hij durft schier niet naderbij te komen en staat eindelijk stil. Toen riep de portier, wiens woning een paar honderd schreden voorbij de plaats der leeuwen gelegen was. Christen toe, dat hij niet behoefde te vreezen, want dat de leeuwen vastgeketend waren. Indien hij maar het midden hield, zou hij veilig door den engen weg kunnen gaan. De Heer des heuvels had de leeuwen daar gelegd tot beproeving des geloofs van de pelgrims. Christen luisterde naar het woord van den deurwachter en in geloof ging hij voort. Zoo kwam hij veilig aan het paleis.
Welk eene uitkomst is het, wanneer de leeuwen aan de ketting liggen. Maar dat is niet immer zoo. Niet immer ook heeft de zeeman in den zwaren storm de veilige haven vlak voor zich. En hoe moet het dan ? Eigen kracht en wijsheid schieten tekort. Het wordt gewisselijk omkomen, indien van elders geen redding daagt.
Doch nu is het aan het ware geloof eigen, om in den nood tot den grooten Helper te roepen en te smeeken: „Heere, behoud mij, want ik verga!" En het is eigen aan de goedertierenheid des Heeren, om in tijden van nood de Zijnen niet verlegen te laten, maar de hand uit te strekken tot die toevluchtnemenden.
Dat heeft David ondervonden, en hij getuigt daarvan in bovengenoemde Psalm, welke tot opschrift draagt: „Een gebed, als hij in de spelonk was".
Deze zang voert ons derhalve in een der spelonken, waar de gezalfde des Heeren zoo vaak schuiling gezocht heeft tegen de vervolging van Saul. Hij spreekt van een droeven tijd voor hem, die als een duive, door den roofvogel opgejaagd, in de rotskloven ontkoming zocht, die als een hert schreeuwde naar de waterstroomen. Nu is hij daar in die onderaardsche, verborgen plaats, welker ingang nauwelijks te ontdekken is. Daar is hij veilig. Is dat wel waar ? Ach, hij hoopt het, maar vreest. Ook kan hij er niet altijd blijven. Duister is het daar, vochtig, eenzaam en afmattend. Voedsel en verkwikking is er niet te vinden. Eenige van zijne trouwe metgezellen zijn er op uitgegaan, om te zoeken, wat voor hun nooddruft noodig is. David wacht met vreeze. Zullen zij wel terugkeeren? Zullen zij niet gegrepen worden door de spionnen van Saul ? Zullen zij dan gedwongen worden de schuilplaats te verraden en zal de vijand hen straks overmeesteren ?
Wij kunnen het ons zoo voorstellen, dat de blijde harpspeler van eertijds, de kloeke overwinnaar van den geweldigen Filistijn, meer dan eens moet uitroepen: „Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen".
Welnu, dat woord des klagens is 's Heeren volk niet onbekend. Want immers, toen de Heere ze als David kwam te zalven en hun groote beloften kwam te schenken, toen stond er ook een Saul op, om ze te vervolgen en Gods werk in hen te vernietigen. Toen hebben ze het wel eerst overal gezocht. Ze hebben zich trachten te wapenen met alle wapenen, die de verzekering van overwinning schenen te geven, zooals godzaligheid, geduld, voorzichtigheid, gebed, heilige wandel. Ze meenden soms het gevaar te boven te zijn en de overwinning te hebben behaald. Maar de verslagen vijand rees telkens weer op, sterker en geweldiger dan tevoren. Het scheen, alsof alles tevergeefs was. Toen zonk hunne kracht in. In bangheid der ziele kreet het: „Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zoo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijne ziel", (vers 5). De tranen stortten neder op de grauwe steenen van de spelonk en uit de lippen perste de klacht: „Red mij van mijne vervolgers, want ze zijn machtiger dan ik", (vers 7).
Dat is waarlijk een nare toestand, wanneer banden des doods de ziele omvangen en beken Belials verschrikken. Dan is het geen wonder, dat de geest overstelpt raakt.
Er zijn dagen geweest, waarin de geest nog peinsde over een weg ter ontkoming. Waarin nog niet alle hoop opgegeven is. Maar wanneer dan alles uit de hand geslagen wordt en geen enkel beproefd middel baat gaf, ja, dan wordt het zoo moede in het hart. David ligt daar neergezonken met een overstelpten geest. Niets rest hem meer, en het licht is ganschelijk ondergegaan.
Ge vraagt wellicht. Lezer, hoe zulks toch mogelijk is voor een man als David, die toch den Heere kende als zijn God. Neen, de wereldling verstaat dat niet. Gods kinderen, zegt hij, hebben toch geen reden, om te vreezen. David heeft toch ook gezongen : De Heere is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vreezen? De Heere iis mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn? (Psalm 27 vs. 1).
Het was toch Zijn woord: Des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot den God mijns levens. (Psalm 42 vs. 9). Doch dat het mogelijk is niet alleen, doch ook werkelijk, getuigt met een David de bevinding van alle kinderen des Heeren. De ziele is toch in zichzelve krachteloos en bevreesd. Wij zijn zondaren, die het zoo geheel hebben verdorven. We hebben geen recht on de hulpe Gods.
Daartegenover staat dat heirleger van vijanden, zooals Satan, wereld en eigen ik. Terwijl die schuilplaatsen, die wij ons gemaakt hebben, plaatsen van eigen vroomheid, gerechtigheid en wijsheid, allen onvoldoende blijken. Dat is het kruis, dat Gods kinderen dragen moeten. Maar die weg van kruisdragen is de goddelijke leerschool. De Heere laat Zijn kinderen in een recht grooten nood komen, opdat alle roem zou uitgesloten zijn en het werk Gods openbaar wordt, dat de Heere het alleen doet. Want de Heere kent degenen, die de Zijnen zijn. „Zoo hebt Gij mijn pad gekend".
Ja, dat is de ondervinding Zions, dat de Heere den weg Zijns volks kent van stap tot stap.
„Mijn pad!”
Dat is dus geen breede weg. We moeten denken aan de smalle, verborgen bergpaden, langs afgronden, schier onbegaanbaar, zooals zij veel voorkomen in bergachtige streken. En het is ons, als zien wij David de spelonk uittreden en met de zijnen in het duister zulk een verborgen pad loopen, dat naar een andere geheime schuilplaats voert. Daar sluipen zij behoedzaam voort. Niemand is er, die er van weet, die ze ziet. Gevaarlijk is het, de dood dreigt uit den afgrond, en ook kan het pad ineens ophouden of een diep dal 't doorsnijden. Maar daarboven schitteren de sterren. David mag opwaarts zien. Eén is er. Die hem kent en van zijne ellende weet. Het is zijn God, Die hem leidde en menigmaal heeft gered. Het is die Heere, van Wien hij nu ook alle verwachting heeft. God ziet zijne moeiten, zijne vreeze, zijne struikelingen. Maar Hij verwerpt hem niet. Neen, Hij doet op dat smalle pad Zijn ontdekkend, vertroostend licht vallen, opdat David zou weten, waar hij de voeten zet.
Dat is een groote zaak, mijne Lezers, dat God, de Heilige en Alwetende, Zijn licht doet vallen op onze wegen. Zijn licht, dat ons aan onszelf ontdekt, dat ook den afgrond voor ons ontdekt en in het eerst ons verschrikt. Maar die schrik maakt al spoedig plaats voor blijdschap. Want de Heere is Zijn volk geen vervolgende vijand, maar een machtige Helper, Die uit vele benauwdheden en dooden komt verlossen. Ja, Hij komt in Zijnen dierbren Zoon een veiligen weg aan te wijzen. „Ziet!" zoo spreekt Hij, „daar ter rechterzijde is een pad, dat gij moet volgen. Gij zult dan aan een kruis komen. Wanneer gij daar zijt; dan zijt ge behouden. Vrees dan niet meer voor de stem des benauwers, vreest niet voor den brieschenden leeuw, die uitgaat om te verslinden. Want hij ligt aan de ketting. Voorbij hem is de poort van Mijn paleis Lieflijkheid. De deurwachter zal u opendoen en gij zult met vreugde omgord worden."
Dat is nu hetgeen de kinderen Gods bezitten boven die der wereld. Deze laatsten zijn in zulke omstandigheden verloren, maar die eersten hebben Mij, spreekt de Heere. Ja, Heere, juicht dan de ziele : Gij zijt Uwen kinderen eene toevlucht. Gij kent hun weg, die eeuwig zal bestaan. Wanneer het verloren schijnt, is het niet verloren, wanneer het donker schijnt, , is het toch niet donker. Uit de diepte zien ze de morgenster stralen. Daarom mocht David ook zingen in Psalm 18 : „De Heere, mijn God, doet mijne duisternis opklaren". Rijke bemoediging is die ervaring voor David geweest. Dat was hem meer, dan de lijfwacht der machtigen. Dat maakte de spelonk tot een oord van lieflijke herinneringen. Hij zegt niet: mijne vrienden, mijne getrouwe mannen, hebben mijn pad gekend. Maar: e Heere. Toen God hem deed ervaren, dat Hij zijn pad kende, was het Hem goed. Van de kinderen Israels lezen we in Ex. 2 : 25: En God zag de kinderen Israels aan en God kende hen". Toen was er ook het begin van de groote verlossing. David is gered geworden. Straks regeert hij in Sauls plaats. En zijn lied zong: Ik heb lief, want de Heere hoort mijne stem, mijne smeekingen; want Hij neigt Zijn oor tot mij". (Ps. 116).
Heeft die Heere ook uw pad gekend. Lezer ?
Zeker, Hij kent alle paden van alle menschen, Doch dat is hier niet de bedoeling. Het is dat bijzondere kennen, zooals Hij tot Mozes sprak : „Ik ken u bij name, " waar dus de rijke goedheid Gods persoonlijk in ligt. Heeft Hij zoo, uw pad, dat smalle, donkere, dreigende pad gekend ?
En weet gij dan ook van uw gebed in uwe spelonk ? Ja, uw spelonk, die de goddelijke wijsheid in uwen levensweg heeft uitgehouwen, opdat gij beproefd zijnde, zoudt leeren verstaan, hoe de Heere Zijn volk inleidt in allerlei nood en tegenheid, opdat Hij ze er dan ook uit zou leiden en in een hoog vertrek zou zetten.
Dan is het einde tot eere van Zijn grooten Naam en tot zaligheid uwer ziele.
Huizen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's