KERKELIJKE RONDSCHOUW
BLIJDE VERWACHTING
Toen onze Prinses de vorige week door middel van de radio een woord van warmen dank sprak tot de Amsterdamsche burgerij voor de zoo hartelijke ontvangst, Haar en den Prins bereid, kwam er op zoo eenvoudige wijze een mededeeling, waarop heel het volk aanstonds reageerde met innige blijdschap, en wel de mededeeling van een innig gelukkige aanstaande moeder, die op zoo kiesche wijze innig verrukt mededeeling doet van haar blijde verwachting.
De Prinses zei, dat zij helaas! niet bij alle huldebetoon van de trouwe Amsterdammers had kunnen zijn. En zij zei het toen zóó : „Nooit had iets mij kunnen weerhouden alle deelen van het programma mee te maken, waren het niet op zichzelf verheugende gezondheidsredenen geweest, die u zeker wilt verstaan en billijken".
Toen wist iedereen het groote nieuws, dat in een klein gezin, in een familie, al zoo groote ontroering en blijdschap kan verwekken. Maar dat nu, waar het ons Koninklijk Huis, waar het onze Prinses geldt, door heel het volk met stille blijdschap werd gehoord en daarna alom met groote dankbaarheid in het hart werd besproken.
De Oranjeboom bloesemt. De Oranjeboom — waarvan tak na tak is afgescheurd — belooft vrucht. De Oranjeboom is niet verstorven, maar schiet met nieuwe kracht uit, belovende schaduw en vrucht voor Neêrlands volk en voor ons Vaderland.
Met Oranje de toekomst tegen.
Dat doet ons den Heere danken voor Zijn zegenrijke bemoeienissen met Vorstenhuis en Vaderland.
Dat doet ons, méér nog dan te voren, het Prinselijk echtpaar dragen op de vleugelen des gebeds, óók, ja vooral in het midden der Gemeente, om met sobere woorden, die opklimmen uit het hart, den Heere te bidden en te smeeken, dat Hij den Oranjeboom, door Hem Zelf hier geplant, mag zegenen, om de blijde verwachting van thans, straks te maken tot verheugende werkelijkheid! Het drievoudig snoer zij en blijve : God — Nederland en Oranje!
NOG MEER VREEMDE DINGEN
Wij hebben onlangs melding gemaakt van het vreemde gebeuren met en het wonderlijk handelen van den godsdienstonderwijzer J. Kars, die enkele jaren terug tijdens de vacature te Brandwijk daar werkzaam was, toen een zwervend leven is begonnen, gaande van de eene gemeente naar de andere, zoekend een plaats waar hij kon neervallen — en nu te Keeten, gemeente Capelle aan den IJssel, is ontslagen. Wat er precies gaande is, weten we niet — hoewel we van meer dan éen zijde inlichtingen ontvingen. Wat we wèl weten is, dat hij te voren (wetende dat er wat in de lucht hing, om straks boven zijn hoofd los te barsten) geprobeerd heeft ingang te vinden in de kerk van ds. Van der Valk (Gebouw „De Hoop, in de Generaal van der Heijdenstraat te Rotterdam) om zich daarna officieel te wenden tot de Chr. Geref. Kerk te Rotterdam-Centrum. Geestelijke motieven dreven hem om zich geheel los te maken van de Ned. Hervormde Kerk en zich te voegen bij de Chr. Geref. Kerk. Maar toen daar de deur op 't slot bleef, is de zaak weer in een ander stadium gekomen en is het roer weer omgewend en nu is het ontslag gekomen — doch geen nood, een andere Evangelisatiepost zal worden gesticht en onder de Gemeente Nieuwerkerk a. d. IJssel zal ingaande 1 September een nieuw arbeidsveld worden gekozen en het „Evangelisatiewerk" zal daar dan beginnen.
Op die vreemde en wonderlijke dingen hebben we gewezen en we hebben er onze sterke afkeuring over uitgesproken. Met het Evangelisatiewerk wordt op die manier gespeeld en de zaak van Gods Koninkrijk wordt op die wijze op ergerlijke wijze uitgebuit om aan de kost te komen.
De Overheid kan daaraan niets doen. Ook de Kerk niet. Althans niet, zooals dat gewenscht zou zijn.
Spoedig zullen we wel lezen van ds. Kars met een eigen Gemeente, die een meer of minder bekende naam zal krijgen van Vrij-Geref. Gemeente, of Oud-Geref. Gemeente of wat ook.
Nog meer van die vreemde en verschrikkelijke dingen lazen we.
Er is een mijnheer Rustige, wiens naam we telkens lazen in den laatsten tijd. Allesbehalve rustig is de weg en het werk van dien mijnheer Rustige. Onrustige zwerver, mocht hij wel heeten, wiens gangen ongestadig en vreemd, zoo niet erger zijn. Overal heeft die mijnheer Rustige al geprobeerd rust te vinden voor het hol van z'n voet, om ergens, met Ds. voor zijn naam, zich te kunnen vestigen. En het laatste bericht komt nu uit Hierden (gemeente Harderwijk).
Het gerucht van zijn komst ging hem daar vóór en men hoorde de wonderlijkste dingen, die bij velen weinig vertrouwen konden wekken. Ook in z'n eigen kring, die hij daar gezocht had, kwamen bezwaren, zoodat z'n intree (van bevestiging hoorden we niet) al een paar weken moest worden uitgesteld. Er scheen iets niet in orde te zijn. Maar dergelijke menschen zijn niet voor een klein gerucht je vervaard en weten er zich.gewoonlijk wel doorheen te slaan. Hoewel 't eind van 't liedje dan dikwijls toch treurig is.
Ds. D. Rustige is dan gekomen naar Hierden, en heeft, na eenig oponthoud, z'n doel bereikt, want hij heeft intree gedaan in een zich gereformeerd noemende gemeente — een buitenkerkelijke beweging — met de woorden, die we in Hand. 10 vers 20 vinden : „Reis met hen, niet twijfelende, want Ik heb hen gezonden".
Men moet maar durven!.......
Toespraken zijn bij de intree niet gehouden, wat we heel verstandig vinden. Men had de heele dienst maar niet moeten houden!........
Van de preek lazen we deze bijzonderheid, dat ds. Rustige heeft gezegd, niet te zullen doopen, althans niet de kinderen; want doopen is wel goed, maar wanneer men de kinderen laat doopen, groeit er een gedoopt heidendom op.
We willen van deze fraaiïgheden verder niets zeggen. Maar het is weer een bewijs, dat er altijd en overal weer menschen schijnen te zijn, die zoo graag „voorganger" of nog liever „dominé" worden. En dat er altijd weer menschen schijnen te zijn, om zich bij zoo'n avonturier te voegen. Men sticht maar weer een gemeente, men spreekt maar weer van een kerk — natuurlijk met de scherpste veroordeeling van iedereen en van alles, dat er naast of er tegenover staat. Zelf is men de getrouwe getuige — van welke getrouwe getuigen de apostel Paulus zooveel last gehad heeft en die in de eerste Christengemeenten zooveel kwaad hebben gesticht en zooveel scheuring hebben gebracht en zooveel ellende hebben gewerkt!
Men moest ze een „merkteeken" geven, zei de apostel, en ze uitwerpen! Want het
was een ramp voor de Kerk van Christus, schrijft hij, veroordeelend al dat geestelijk gedoe
Een ander bericht lazen we tegelijk in dezelfde courant.
Dat gaat over een zekeren ds. H. J. Grisnigt. Oók zoo'n eigen gemaakte dominé, die al veel zwervens achter den rug heeft, waarbij in de courant telkens berichten werden geplaatst, die moesten bewijzen, dat het zoo goed ging overal! Deze heeft zich ten laatste gevestigd te Harderwijk, waar hij ook aanhang verkreeg van menschen uit Kierden. Ook al een Vrije Geref. Gemeente van eigen vinding
Van dien ds. Grisnigt lazen we nu onlangs, dat hij rust moest nemen, wegens ongesteldheid door oververmoeidheid.
Doch daarna lazen we een bericht onder „Rechtzaken". En wel het volgende:
„Tegen zekeren J. M. te Hierden (gem. Harderwijk) is door de rechtbank te Zwolle f 25.— of 25 dagen geëischt wegens verstoring der godsdienstoefening van de Vrije Gereformeerde Gemeente te Harderwijk, waarin ds. K. J. Grisnigt voorging.
Deze predikant verklaarde voor de rechtbank, dat er in zijn gemeente zijn, die hem er uit willen werken en hem, zijn vrouw en zijn kind, sarren en terroriseeren. Tractement heeft hij niet; men betaalde hem de opbrengst van de collecten der beide laatste weken uit, zijnde 89'/, . et. en f 1.16. Zekere J. H., de koster der gemeente, verklaarde, dat de oppositie tegen den predikant zeer fel en een gruwel is. „Men laat het gezin doodhongeren en het is een onverantwoordelijke bende".
Is het niet allertreurigst, dat er zulke toestanden zijn? En helaas! lezen we telkens van zulke wanverhoudingen, die op zich zelf genomen al zoo vreeselijk zijn, maar die ook voor de wereld een oorzaak zijn en worden tot verachting van het heilige, tot aanfluiting van de Kerk.
Het derde wat we dezer dagen hoorden was, dat ergens in een vacante gemeente een godsdienstonderwijzer „in de bediening des Woords voorging" en in het dankgebed, na den dienst, het uitsprak, dat de Gemeente nu toch wel heel dankbaar mocht zijn, „omdat men nu weer eens de Waarheid had mogen beluisteren, een Waarheid, die zoo heel schaarsch en zeldzaam is in de Hervormde Kerk".
En er zijn menschen, die dat graag hooren, dat er zulke taal gesproken wordt. Het is ook de taal van een nederigen geest en van een bescheiden mensch
DE KERK (5)
In Art. 29 van de Ned. Geloofsbelijdenis wordt dan gesproken over: het onderscheid en de merkteekenen der ware en der valsche Kerk.
Dit artikel stelt dan:1. Dat men naarstiglijk uit het Woord Gods moet onderscheiden, welke de ware Kerk zij, om die te onderscheiden van alle andere secten, die zeggen, dat ze de Kerk zijn. 2. De merkteekenen van de ware Kerk zijn: zuivere prediking des Woords, gebruik der Sacramenten naar de instelling van Christus, gebruik en oefening der tucht om de zonden te straffen. In één woord: zoo men zich houdt aan het Woord Gods en Christus erkent als het éénige Hoofd der Kerk. 3. De leden der Kerk moeten als kenmerken dragen : het geloof in Christus, dat zij de zonde vlieden en de gerechtigheid najagen; God en hun naasten liefhebben, niet afwijken ter rechter-of ter linkerzijde en het vleesch kruisigen met zijne werken. Dan zal in hen veel zwakheid overblijven, maar zij nemen de toevlucht tot het bloed, het lijden, den dood en de gehoorzaamheid van Christus. 4. Aangaande de valsche Kerk, die schrijft zichzelve en hare verordeningen méér macht toe, dan aan het Woord Gods en wil zich het juk van Christus niet onderwerpen; zij grondt zich meer op menschen, dan op Christus ; zij vervolgt hen, die heiliglijk leven naar het Woord Gods en die haar, vanwege hare gebreken, bestraffen.
We zullen dus goed moeten toezien hoe de Kerk zich aanstelt en we zullen ons moeten wachten voor valsche leidslieden. Matth. 7 VS. 15: „Maar wacht u voor de valsche profeten, die in schaapskleederen tot u komen, maar van. binnen zijn zij grijpende wolven". 1 Joh. 4 VS. 1—3: „Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn; want vele valsche profeten zijn uitgegaan in de wereld. Hieraan kent gij den Geest Gods: alle geest die belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God; en alle geest, di« niet belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den Antichrist, welke geest gij gehoord hebt, dat komen zal en is nu alreede in de wereld".
Op de leidslieden zal men voornamelijk acht moeten geven en de valsche leeraars zal men moeten vlieden. Maar ook zal inen in 't oog moeten houden hoe de Kerk in haar geheel zich aanstelt, waarbij men weer het Woord als toetssteen moet gebruiken. De Kerk, die niet Kerk des Woords wil zijn en zich in alles naar het Woord wenscht te gedragen, verspeelt den naam en de eere van Kerk te zijn. Gods Woord moet de Kerk in alles als haar eenig richtsnoer aannemen en Christus erkennen als het eenige Hoofd der gemeente. Matth. 16 vs. 18: „En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik mijne gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen". Het gaat om de belijdenis van Petrus: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods" (vs. 16), waarvan de Heiland getuigde: „Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona, want vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is". De Kerk heeft te staan op het fundament, dat de Vader Zelf gelegd heeft: „Gelooft in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden" — maar die den Zoon ongehoorzaam is, op dien blijft de toorn Gods en zal verdoemd worden. 1 Cor. 3 vs. 11: „Want niemand kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus". Efeze 5 vs. 23b: „Christus is het hoofd der gemeente en Hij is de behouder des lichaams" De dienaren der Kerk, de leeraars en de leidslieden, mogen niet anders brengen dan het Woord Gods en niet anders prediken dan Jezus Christus. Lucas 10 vs. 16 : „Wie u hoort, die hoort Mij, en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, die Mij gezonden heeft". Joh. 8 VS. 31: „Jezus dan zeide tot de Joden, die in Hem geloofden: indien gijlieden in Mijn Woord blijft, zoo zijt gij waarlijk Mijne discipelen". Dat moet de Kerk zich gezegd weten en daarvan moet zij niet afwijken. Zij zal moeten getuigen: „Wij kunnen niet laten te spreken hetgeen wij gezien en gehoord hebben" — en dat was „leeren in den Naam van Jezus (Hand. 4 vs. 18, 19). Hierin moet de Kerk Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen (Hand. 5 vs. 29).
De drie kenmerken voor de ware Kerk van Christus zijn dus:1. dat zij het Woord zuiver verkondigt; 2. de Sacramenten bedient naar de instelling van Christus, en 3. de tucht uitoefent, om de zonden te bestraffen en terecht te brengen in leer en leven degenen die dwalen en zondigen, zoo noodig af te snijden degenen die in de boosheid en ongehoorzaamheid volharden. Want als een moeder heeft de Kerk voor hare kinderen te zorgen, en moet toezien op de spijze die wordt toegediend. Met de meest teere en innige liefde moet zij over hare kinderen waken, en welke moeder zal haar kinderen steenen voor brood geven of tuchteloos hare kinderen laten leven in het kwade? Zal zij hare kinderen niet gaarne verzorgen met uitgelezen spijze en zal zij niet streng, zij 't met wijsheid en zachtmoedigheid, de ongehoorzaamheid straffen en het verkeerde uit haar huis wegdoen, met Gods Woord als een lamp voor haar voet en als een licht op haar pad ? Gal. 1 vers 9b : „Want indien u iemand een evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt". 1 Tim. 6 vs. 3—5: Indien iemand eene andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden onzes Heeren Jezus Christus, en met de leer, die naar de godzaligheid is, die is opgeblazen en weet niets, maar hij raast". Rom. 16 VS. 17, 18: En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij van ons geleerd hebt en wijkt af van dezelve, want dezulken dienen onzen Heere Jezus Christus niet".
Afwijken van de leer en van de woorden Gods is dus ontrouw zijn aan den Heere Jezus Christus, is een lief-dienen van onzen Heere Jezus Christus!
En zoo staat het óók met de Sacramenten: een afwijken van de instelling van Christus is een krachteloos maken van de Sacramenten. Dan zijn hef geen Sacramenten meer. Want in de Sacramenten gaat het enkel en alleen en geheel om Christus, als Borg en Middelaar, en zoodra men daarvan afwijkt, overtreedt men niet alleen het gebod des Heeren, maar men verlaagt de heilige plechtigheid tot een ijdele, niets beteekenende handeling. „Men is opgeblazen en weet niets" geldt ook hier dan. De Schrift zegt daarbij, dat de toorn Gods dan komt over de gansche gemeente.
En zoo staat het ook met de tucht. Er moét, naar 's Heeren bevel, tuchtoefening zijn in en over de Gemeente Gods. Dat moet een heilig ijveren zijn voor den Heere en een liefderijk waken over de schapen, die de herder geenszins onverzorgd mag laten. De tucht, goed geoefend, is een zegen voor de gemeente, terwijl het verwaarloozen er van ontrouw is aan God en oorzaak van verwarring, ontaarding en vloek. 2 Thess. 3 vs. 6: „En wij bevelen u, broeders, in den naam van den Heere Jezus Christus, dat gij u onttrekt van een iegelijken broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft". Matth. 16 vs. 19: „En ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen ; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn".
Als eerste en algemeene regel heeft de Heiland gegeven: „Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga henen en bestraf hem tusschen u en hem alleen; indien hij u hoort, zoo hebt gij uw broeder gewonnen; maar indien hij u niet hoort, zoo neem nog één of twee met u, opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta. En indien hij denzelven geen gehoor geeft, zoo zeg het der gemeente, en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zoo zij hij u als de heiden en de tollenaar. Voorwaar zeg Ik u, al wat gij op de aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen". 2 Thess. 3 vs. 14, 15: „Maar indien iemand ons woord, door dezen brief geschreven, niet gehoorzaam is, teekent dien, en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde, en houdt hem niet als een vijand, maar vermaant hem als een broeder". Titus 3 VS. 10, 11: „Verwerp een ketterschen mensch na de eerste en tweede vermaning, wetende, dat de zoodanige verkeerd is en zondigt, zijnde bij zichzelven veroordeeld". Openb. 2 vs. 14—16 : „Maar Ik heib eenige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de leeringen Bileams houden, die Balak leerde den kinderen Israels een aanstoot voor te werpen, opdat ze zouden afgodenoffer eten en hoereeren. Alzoo hebt ook gij, die de leering der Nicolaïeten houden, hetwelk Ik haat. Bekeer u; en zoo niet, Ik zal u haastelijk bijkomen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard mijns monds". 1 Cor. 5 vs. 13: „Maar die buiten zijn, oordeelt God. En doet gij dezen booze uit ulieden weg".
In een volgend artikel schrijven we nog iets naders over de valsche en de ware Kerk.
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's