VRAGEN BUS
Vraag : Wat is, de beteekenis van de woorden : „de letter doodt, maar de Geest maakt levend" ?
Antwoord. Hier zal men wel 't oog hebben op 2 Cor. 3 vers 6 : „Die ons ook bekwaam gemaakt heeft om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes ; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend".
De apostel Paulus acht zich gelukkig een dienaar des Nieuwen Testaments te mogen zijn. Vroeger was men onder het Oude Testamtent, nu mocht men onder het Nieuwe Testament leven en Paulus mocht een dienaar Gods, een dienaar des Evangelies zijn onder de Nieuwe bedeeling, en niet onder de Oude bedeeling. Dat is zijn blijdschap en roem. Want de Uitnemendheid van de bedeeling des Nieuwen Verbonds is groot, ja, zéér groot!
Om die uitnemendheid van het nieuwe boven het oude te doen uitkomen, noemt de apostel het Oude Testament „de dienst van de letter" en het Nieuwe Verbond noemt hij „de bedeeling des Geestes". Letter eenerzijds, Geest anderzijds; en de Geest is heerlijker dan de letter !
Waarom kiest Paulus die woorden „letter" en „de dienst van de letter" en „de letter doodt", als hij 't heeft over de Oude bedeeling Gods met Zijn volk ?
Hij spreekt van „de letter", omdat onder het Oude Verbond de Wet op steenen tafelen in letteren was ingegrift en van buiten af den mensch werd voorgehouden (waarbij al spoedig de belofte kwam dat de Geest het anders zou maken en de Wet niet op steenen tafelen met leesbare letters zou schrijven, maar in de harten, de nieuwe harten, van Gods gunstgenooten). — En die Nieuwe Bedeeling is nu gekomen, als de bedeeling des Geestes, wijl de Heilige Geest, die uitgestort is op alle vleesch, nu de Wet inschrijft, ingeschreven heeft en inschrijven zal, in de harten der geloovigen en van binnen uit een kracht doet zijn, een levende kracht tot eere Gods en tot vreugd voor de ziel.
Die bedeeling des Ouden Testaments, in letteren bestaande, doodt; en ze is daarom een „bediening des doods"' ; ja, der verdoemenis.
De Wet, op steenen tafelen geschreven, moest onder het Oude Verbond voorgehouden worden. En ieder die deze letteren zag en las, las z'n eigen vonnis. En wie bij die letteren z'n ziel wilde redden en bij die letteren zich zelf wilde rechtvaardigen en bij die letteren wilde teven en bij die letteren op verlossing en zaligheid hoopte, werkte z'n eigen dood en verdoemenis. Bij die letteren kan geen ziel leven. „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al 't geen geschreven is om dat te doen". Wie geen andere gerechtigheid kent dan de gerechtigheid uit de Wet, zal door die Wet gedood worden.
Nu was die dienst der letteren, die dienst der Wet onder het Oude Verbond op zich zelf genomen, genade. Want de Heere wilde daarmee Zijn volk tot kennis van zonde roepen in het gesteld worden voor Zijn recht en heiligheid en eisch ; opdat ze niet in onbekeerlijkheid en hardigheid des harten ver van God de weelde zouden zoeken en vergaan. Opdat ze naar de offerande der verzoening zouden leeren omzien en in het heiligdom van verlossing zouden hooren. „Och, mocht ik in die heilige gebouwen, de vrije gunst, die eeuwig Hem, bewoog. Zijn lieflijkheid en schoone dienst aanschouwen", leerden de vromen zingen. En de Heere riep: „Verhardt u niet; neemt Mijn gena ootmoedig aan". (Psalm 96).
Maar de Wet zelve kon die verzoening en het leven niet geven. De Wet zelve deed niet anders dan getuigen : alle vleesch ligt voor God verdoemelijk en er is geen mensch die zich zelven of een ander kan redden van den vloek en van den dood". De bezoldiging der zonde is de dood, roept de letter.
Die dienst van de letter was dus ook uit God en behoorde tot het genadeverbond. De glans van het (Evangelie van Sions Borg en Middelaar speelde ook door dien dienst der letter. Maar in zich zelve aangemerkt, was ze dood. Door het vleesch was ze krachteloos gemaakt om zalig te maken. Wel speelde het licht er doorheen. Maar het einde van de Wet zou uitloopen op Christus, Wien zij toen nog niet zien konden, zij 't dan in schaduwbeeld', in de plechtigheden en ceremoniën.
Maar het was een dienst om; te verdwijnen, 't Was voorbijgaande. Hoewel in zichzelve heerlijk, zou zij door een beteren dienst gevolgd worden. En dat was de dienst des Nieuwen Testaments, de dienst van Christus, de dienst des Geestes, waarbij de ziel in de volheid des tij ds zou worden ingeleid als Hij kwam. Die de Wet niet „ontbinden" zou, opzij zetten en wegwerpen — maar Die de Wet in Zich Zelf zou opnemen om die Wet te vervullen en dan door den Geest Zijn verzoenend werk zou geven en uitdeelen en toepassen aan al Zijn arm en ellendig volk, dat onder de Wet sterven moest, belijdende hun ongerechtigheden.
En nu mag Paulus daarvan een dienaar zijn ; van het Evangelie des Nieuwen Testaments; van de verzoening in en door Jezus Christus. Die bediening is de bediening des Geestes. En waar de letter doodt, komt de Geest om een arm zondaar tot het leven te brengen door Christus Jezus, onzen Heere. Want niemand, kan zeggen Jezus Christus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest.
Waar de letter is, is de dood. Maar waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid, want het vonnis des doods, door Christus gedragen, wordt de verzoening, de bevrijding, de verlossing, het leven en de zaligheid voor een iegelijk, die gelooft.
Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen ? De Heilige Geest, Die de Wet schrijft in het hart, en doet roemen in Christus en doet deelen in de vrijheid, zeggende : Abba, lieve Vader.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's