MEDITATIE
DAN NOG!
De weg naar den hemel is en blijft voor al Gods kinderen, van hun kant, een weg van nauwelijks zalig , worden.
Een weg van strijd, uit-en inwendig, een strijd waarin zij vaak vreezen te zullen omkomen en vergaan.
De Heere echter is en blijft de Getrouwe, Hij laat nooit varen wat Zijn hand begon. Hij bevestigt aan Zijn volk dat de poorten der hel Zijne gemeente niet zullen overweldigen en niemand Zijn schapen uit Zijn handen rukken zal.
Tot beschaming van hun ongeloof en kleingeloof doet Hij hen ervaren dat hun ontrouw, Zijn trouw niet kan verbreken en hun zonde Zijn liefde niet kunnen uitblusschen.
Laat ons hierbij eens stilstaan naar aanleiding van Psalm 31 : 23 :
„Ik zeide wel in mijn haasten: ik ben afgesneden van voor Uwe oogen; dan nog hoordet Gij de stem mijner smeekingen, als ik tot U riep."
Ziehier een getuigenis van David, den man naar Gods hart. Hij mocht echter 'n man naar Gods hart wezen, dat wilde niet zeggen dat zijn leven een weg van voorspoed was, een weg naar 't vleesch.
Neen, wat heeft hij 't bizonder ervaren, dat vele zijn de tegenspoeden der rechtvaardigen en Gods kinderen door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods. „Die naar den hemel zet z'n voet, heeft niet te wachten enkel zoet."
Ook deze psalm is eene treffende bevestiging van die waarheid. Wel staat ons niet opgeteekend welke die verdrukkingen waren, maar als we dezen psalm lezen is 't dan niet als worden wij verplaatst in gedachten bij Davids omzwervingen, vluchtende voor Saul's aangezicht ? Ja met de meeste verklaarders stellen wij ons David voor, zich bevindende in de woestijn van Maon.
Om des levens wil had hij hier eene veilige schuilplaats gezocht, maar de Zifieten hadden Saul bekend gemaakt waar zijn vijand zich bevond en deze maakte zich dadelijk op hem te gaan zoeken.
David, zijn doodsvijand ziende naderen, zoekt te ontkomen, maar Saul en zijn mannen omsingelen hem en hij schijnt een prooi des doods. Ja in zijn haasten roept David uit: „Ik ben afgesneden van voor Uwe oogen". Hij acht zich door God overgegeven in Saul's handen, door den Heere losgelaten en reddeloos verloren.
En als David een blik slaat naar binnen en overdenkt wie en wat hij voor God geweest was, dan moet hij belijden, dat 't ook geen wonder was dat de Heere niet meer met hem te doen wilde hebben. Dat hij 't naar recht verbeurd had en geheel onwaardig was, dat de Heere hem bij vernieuwing uitredde uit de hand van zijn doodsvijand.
Dan moet hij belijden : de Heere kan ook geen bemoeienis meer met zulk een als ik ben houden en in zijn zondig haasten laat hij er op volgen en Hij doet 't ook niet meer!
David heeft in deze oogenblikken geen geloovig houvast meer aan al wat vroeger gebeurd was, aan Gods onveranderlijke liefde en trouw. Neen hij roept t uit.... 't is met mij gedaan !
Zóó mocht hij echter spreken.... David kon toch den Heere niet loslaten.
Hij riep tot den Heere!
Wondere zaak. Hij meent niet anders of de Heere heeft hem afgesneden van voor Zijn oogen en toch roept hij Hem aan.
Dat roepen was echter niet uit hem!
De Heere had David niet afgesneden, al meent hij 't wel en door Zijn eigen Geest werkte Hij 't gebed in zijn ziel tot Hem. O, wat zal 't een pleiten geweest zijn op Gods genade en barmhartigheid in den beloofden Borg, want waarop zou hij anders een beroep hebben kunnen doen ?
En nu.... wat mocht David nu heerlijk ervaren dat God Zijn volk. Zijn van eeuwigheid in Christus gekenden, nooit afsnijden kan noch zal.
O, zij denken 't wel vaak, zij roepen 't ook in hun zondig haasten meermalen uit, maar de Heere is en blijft de Getrouwe.
Hoort maar.... „dan nog".... hoewel ik 't vreesde en uitriep dat Gij mij hadt afgesneden van voor Uwe oogen. „Dan nog", hoewel ik 't verdiend had door mijn zonden, ook door mijn zondig haastig spreken dan nog hoordet Gij de stem mijner smeekingen, als ik tot U riep !
En hoe hoorde God ?
Een bode komt tot Saul, zeggende : „haast u en kom, want de Filistijnen zijn in 't land gevallen."
O, wondere verlossing Gods, want Saul moest zich nu omkeeren van David na te jagen en de ure heeft geslagen van David's bevrijding.
Het afgesneden zijn van voor Gods oogen had alleen bestaan in schijn, van David's kant, maar niet van Gods kant. Zij had alleen moeten dienen tot verheerlijking Gods, tot grootmaking Zijner deugden, tot David's loutering. Ja David heeft m dezen weg ervaren wie en wat God is en blijft voor al Zijn volk, wat Gods kinderen aan hun God hebben!
„Ik zeide in mijn haasten : ik ben afgesneden van voor Uwe oogen".
Zoo riep David uit in zondig haasten, maar. heeft 't in 't leven van Gods kinderen niet vaak den schijn of de Heere hen heeft afgesneden van voor Zijne oogen en zijn er geen oogenblikken in hun leven waarin zij in zondig haasten David deze woorden nazeggen ?
Wat kan in 't natuurlijke de weg van Gods kind donker zijn. Wat kan 't kruis zwaar zijn, de nood geweldig groot, terwijl nergens uitkomst en redding gezien wordt. Wat kunnen tijden aanbreken in 't leven van degenen, die den Heere vreezen, waarin de spotters kunnen vragen : „waar is uw God ? " Tijden, waarin 't den schijn heeft of God Zijn volk heeft overgegeven in de hand der vijanden, of Hij niet meer met hen te doen wil hebben, of hun ontrouw Zijn trouw heeft verbroken en hun liefdeloosheid Zijn liefde heeft uitgebluscht.
Ja, tijden, waarin zij David in zondig haasten nazeggen: Ik ben afgesneden van voor Gods oogen. De Heere heeft mij vergeten en de Heere heeft mij verlaten.
Maar ook in geestelijk opzicht kan 't den schijn hebben of de Heere Zijn volk van voor Zijn oogen afgesneden heeft.
Wat breken er 'n tijden aan in 't zieleleven waarin Sion klaagt: wat was 't me vroeger toch beter dan nu. Wat was 't gebed toen levendig in mijn ziele, wat waren de uitgangen naar Hem toen sterk in mijn binnenste. Wat een levendige behoeften in m'n ziel naar Gods huis en Woord. Wat had ik toen den Heere in alles noodig. Wat 'n nabij leven bij Hem. Wat mocht ik toen Zijn liefde smaken, zalige Godsontmoetingen genieten.
En nu...... zoo dor en doodig gesteld, alsof er nooit wat aan de ziel gebeurd is, geen kant meer om te vluchten en te zuchten, bange winternacht in de ziel.
Ja, wat kan Gods kind dan met 'n David de klacht en verzuchting doen hooren, in zondig haasten Ik ben afgesneden van voor Gods oogen ! De Heere wil niet meer met me te doen hebben, Hij heeft mij den scheldbrief gegeven. Hij heeft mij vergeten en verlaten !
Er zijn ook andere tijden van schijnbaar afgesneden zijn van voor Gods oogen.
Tijden, waarin Zijn volk Hem zoekt, maar waarin Hij zich niet vinden laat. Waarin zij Hem aanroepen uit den geestelijken nood, maar waarin Hij niet antwoordt.
Tijden, waarin de ziele zingt met den psalmdichter :
„Zou God Zijn gena vergeten Nooit meer van ontferming weten? Heeft Hij Zijn barmhartigheên Door Zijn gramschap afgesneên? "
Ja de klacht van Job : ga ik voorwaarts dan zie ik Hem niet en ga ik achterwaarts, zoo bemerk ik Hem niet, is niet vreemd aan Gods kinderen en wat kunnen zij er op laten volgen in zondig haasten : Ik ben afgesneden van voor Gods oogen!
Het moge echter menigmaal den schijn hebben, in natuur en genade, alsof de Heere Zijn volk van voor Zijn aangezicht heeft afgesneden, 't is slechts schijn!
Hij kan en zal de Zijnen in eeuwigheid niet van voor Zijn oogen afsnijden.
O, vanwege hunne zonden bezoekt Hij hen wel met de roede der kastijding in natuur en genade. Hun dagelijksche zonden en ongerechtigheden maken wel scheiding, in onderwerpelijken zin, tusschen God en de Zijnen, voor een korter of langer tijd.
Het is om der zonde wil dat de Heere Zijn aangezicht voor Zijn kinderen verbergt, de werkingen Zijns Geestes in hun ziel intrekt, dorheid en koudheid doet komen in hun zieleleven.
Maar afsnijden van voor Zijn oogen, dat kan en zal Hij niet, in eeuwigheid niet.
En waarom niet ?
Omdat de roeping en verkiezing Gods onberouwelijk zijn.
„Die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat hij de eerstgeborene zij onder vele broederen. En die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt".
De Heere wist van eeuwigheid wat van Zijn maaksel was te wachten.
Hij wist wat Hij opzocht!
Het is wel 'n volk dat zichzelf tegenvalt en steeds meer blijft tegenvallen, maar dat God niet tegenvallen kan!
In hun zondig haasten mogen zij bij tijden en oogenblikken uitroepen : Ik ben afgesneden van voor Gods oogen zij zullen op Gods tijd ervaren dat de Heere Ook niet om de zonde van dat zondig spreken in ongeloof, de Zijnen afsnijdt. Neen, Hij doet hen met David op Zijn tijd tot verheerlijking van Gods deugden en tot zaligheid der ziele uitzingen , dan •log hoordet Gij de stem mijner smeekingen, als ik tot U riep".
Als ik tot U riep.... ja de Heere houdt hen roepende, al meenen zij afgesneden te zijn en op hun noodgeschrei doet Hij groote, telkens vernieuwde wonderen aan Zijn volk, in natuur en genade. Zijn naam tot ere, nu en tot in eeuwigheid!
Behoort ge tot 't volk, op hetwelk God in den tijd Zijn hand gelegd heeft, als vrucht Zijner eeuwige verkiezing? Tot 't volk dat met David naar den inwendigen mensch een lust leerde kennen God te dienen en te vreezen ?
Allen die sterven zullen in hun vijandschap tegen God en Zijn dienst, zal Hij eeuwig van voor Zijn zalig aangezicht afsnijden, om voor eeuwig van den zaligen God gescheiden. Zijn toorn en gramschap te dragen, daar waar geen tijd meer zijn zal.
Brenge deze ontzettende waarheid den onbekeerde aan Gods voeten met de bede om zaligmakende bekeering tot de vreeze van Zijn Naam, eer 't voor altijd te laat is.
Maar zalig 't volk, dat met David God leerde dienen en vreezen, in geest en waarheid.
De hemelweg is en blijft wel nauw van de zijde van Gods kinderen. Zij is maar niet een weg van geloof tot geloof van hun kant, maar 'n weg van nauwelijks zalig worden, een weg waarop zij met David vaak nog vreezen te zullen omkomen en vergaan. Maar de Heere is zoo getrouw als sterk. Hij laat niet varen wat Zijn hand begon en al vreezen zij bij oogenblikken en tijden te zijn afgesneden van voor Zijn oogen. Hij brengt de Zijnen veilig daar, waar zij eeuwig zalig bij Hem zullen inwonen en 't vrome volk in Hem verheugd, zal huppelen van zielevreugd, daar zij hun wensch verkregen hebben.
Dan geen schijnbare Godsverlating meer, want dan geen zonden meer. Maar hersteld in Gods gemeenschap eeuwig thuis.
IJsselmuiden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's