WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT
Jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman.
Mr. H. de Bie, van Rotterdam, schrijft in Algem. Weekblad :
„Groningen gaat zijn grooten zoon herdenken, wiens borstbeeld staat in de Universiteit, waarvan hij student, maar ook curator is geweest.
Het kan verkeeren in de wereld ! Het was een hoogleeraar van diezelfde Universiteit, die omstreeks 1880 als uiting van hetgeen in liberalen kring leefde, het bekende versje dichtte, dat zoowel op Abraham Kuyper als op Alexander Lohman sloeg :
Geen dweepzieke Alexanders, Geen Brammen vol venijn. Verdienen Nederlanders Te heeten of te zijn.
Hoe zijn de inzichten, ook van hen, die als Thorbecke tot Groen v. Prinsterer moesten zeg gen : „ik ben niet van Uw geloof", veranderd en welk een hooge waardeering uit allerlei kring is dezen echten, onversaagden Nederlander te beurt gevallen, en terecht!
Welk een ruimte van blik bij dezen man van diepe, levende geloofsovertuiging, welk een zich open stellen voor de inzichten van anderen. Welk een bereidheid én bekwaamheid om het Nederlandsche volk te dienen met inzet van zijn geheele persoonlijkheid.
„De politiek is voor den heer Lohman steeds gebleven, wat zij van nature behoort te zijn, maar waarvan zij in de practijk zoo licht het kenmerk verliest: een dienen van het volksgeheel ; een onbaatzuchtig ter beschikking stellen van kracht en tijd ten bate van de openbare zaak; een onpartijdig afwegen van het recht te midden van strijdige belangen. Ook dit laatste. Mr. Lohman heeft zich nooit beschouwd of gedragen als vertegenwoordigen van een bepaalde groep (jhr. mr. D. J. de Geer in „Mannen en Vrouwen van beteekenis", 1907).
Dienen van de gemeenschap, opdat de individuëele vrijheid tot haar recht kan komen, ziedaar de samenvatting van het levenswerk van Lohman, dat gedragen werd door een sterk, onafhankelijk karakter, slechts gebonden in gehoorzaamheid aan zijn God.
In 1874 schreef hij „Gezag en Vrijheid", een van zijn meest beteekenende boeken ; en het heeft in wezen nu nog volle actualiteit, meer dan ooit zelfs, gelijk de verkiezingsdagen bewijzen. Toen (in 1874) ging het tegen Opzoomer, die voor den Staat maar één groot beginsel erkende : de bevordering van het ware volksbelang. Maar hierin zag Lohman de algeheele ontkenning van de individueele vrijheid en de verkondiging van het onbeperktste absolutisme. Lohman schreef: „Volgens dat beginsel heeft elk regeerder-Vorst, Volksvertegenwoordiger, volksmeerderheid, of hoe zij zich noemen mogen — niet slechts te beslissen wat hij voor het ware volksbelang houd' t, maar mag hij ieder individu dwingen zich naar zijn meening te gedragen. Elke afwijkende meening, elke secte, elke godsdienst moet worden uitgeroeid, zoodra de regeering meent, dat dit voor het ware volksbelang bevorderlijk is".
Zou dat in 1937, zij 't in eenigszins andere woorden, ook nog niet geschreven kunnen worden ?
Lohman zei: „Heb ik voor de; verdediging der vrijheid valsche gronden aangevoerd, laten anderen dan betere bijbrengen. Mij is het niet om gelijk te hebben, maar om de vrijheid te doen ; in den strijd voor het behoud van haar vaandel te sneuvelen is nooit een oneer".
En verder : „Nederland had sinds drie eeuwen het voorrecht de individueele vrijheid te mogen verdedigen, te midden van groote volken, die trachtten haar te vernietigen. Wil het thans, dien weg verlatende, zijn „raison d' etre" verliezen, waarom zich dan niet vrijwillig aangesloten aan een machtigen vreemden Staat ? 't Zal dan tenminste een Meester hebben, die het tegen andere meesters weet te beschermen !"
Absolutisme is voorzeker ellendig; maar ellendiger nog anarchie ! Hiervan ten volle bewust, heb ik eenige beschouwingen over het gezag aan die over de vrijheid laten voorafgaan". Gezag en vrijheid zijn de pijlers, waarop de gemeenschap heeft te rusten. Wat Lohrman in de Novemberdagen van 1918, toen er een oogenbllk van anarchie dreigde, nog weer met kracht herhaald heeft, toen reeds 80 jaar oud zijnde.
Nog twee gedachten ten opzichte van Lohan's persoon en karakter: de eerste is : zijn vermogen om te luisteren naar veel, veel jongeren, zóó, dat men den indruk kreeg, dat deze groote Staatsman, die zooveel beleefd had en zoo grooten invloed had, niets anders te doen had dan naar dien jongen man te luisteren en hem raad te geven, die dan ook wel' zeer dankbaar aanvaard werd ! Wie in vertrouwen tot hem naderde, werd niet beschaamd, maar opgeheven en kreeg iets mee voor het leven.
De tweede gedachte : wat Lohman de positie gegeven beeft in de waardeering van een zeer groot deel van ons Nederlandsche volk is, dat het gezien heeft, dat Lohman het bij de verdediging der waarheid niet bij woorden liet, maar er tenslotte alles voor over had. In 1884 gaf Lohman, die reeds op 25-jarigen leeftijd rechter en later raadsheer in het Bossche Hof was, zijn rechterlijke loopbaan op om hoogleeraar aan de toen sinds enkele jaren bestaande, maar fel bestreden Vrije Univ. te worden. Tien jaar later, toen hij van oordeel was, dat daar „zijn onderwijs, hetwelk der waarheid dienen moet en der waarheid alleen, zou mogen worden gebonden door leeringen en uitspraken van menschen en niet uitsluitend door Gods openbaring in schriftuur en natuur", verliet hij dit ambt. En Lohman had een groot gezin en geen fortuin.
Ik eindig met een woord van een ander biograaf van Lohman, den heer H. van Malsen, en ik citeer met volle instemming: „Een hart van goud, een wil van staal, een hoofd, verhelderd door den weerglans van een geest, die niet van deze aarde is, maar die van boven nederdaalde in zijn gemoed als een engel des lichts".
De Oxford-Groep.
In een „Ingezonden"' in het Algemeen Weekblad lezen we :
„Ik heb ’s Zaterdags twee bijeenkomsten bezocht. Ik kwam met mezelf niet tot klaarheid t.o.v. deze „beweging". Ik ging er Pinkstermaandag weer heen. En 't blijft: ik weet het niet. Eenerzijds irriteert mij de tegenstand tegen de Groep — anderzijds voel ik de beteekenis van vele critische beschouwingen en opmerkingen. Wie schaft licht ?
Wat me aantrekt: de oprechtheid, waarheid en eenvoud der getuigenissen en het natuurlijk blijde. Ook het ontbreken van theologie, dogmatiek, stelsel, en dominé's met eigen wijsheden.
Wat ik miste : diep schuldbesef voor God, de verzoening door Christus en de Bijbel als richtsnoer".
„De volkomen afwezigheid bij de Groep — ten minste op de samenkomsten te Utrecht — van eeuwigheidsperspectief, bevredigt mij niet. Net zoo min als het feit, dat „God toelaten in je leven" blijkbaar materieele voordeden met zich medebrengt: succes in zaken, opruiming van alle moeilijkheden en oplossing van alle vragen. Concentratie op dit tijdelijke leven.
Bestaat ook het gevaar niet, dat in het stille uur eigen begeerte voor Gods wil wordt gehouden ?
Wat moet ik er van denken ? De meeningen zijn hopeloos verdeeld. Wat de Groep brengt, is dit inderdaad de kern van Christus' leer ? "
Als wij deze en dergelijke dingen — zij 't hier in vraagvorm — bijna dagelijks lezen, verblijden wij er ons over. Want het is voor ons bewijs, dat, ten spijt van alle Amerikaansche reclame en grootscheepsche hum.bug, de nuchtere geest van ons christenvolk in Nederland zich zoo maar niet laat inpalmen.
Als „diep schuldbesef voor God,, de verzoening door Christus en de Bijbel als richtsnoer ontbreekt" — dan ontbreekt juist datgene, wat we hebben moeten en wat we houden moeten in Nederland ! En als min of meer blij als lichtzijde dan genoemd wordt: het ontbreken van theologie, dogmatiek en stelsel", dan zeggen we: dat vinden wij juist een zeer, zéér groote schaduwzijde, en we laten ons die dingen niet ontrooven, ten spijt „van dominé's met eigen wijsheden".
We moeten hebben en houden wat „inderdaad de kern van Christus' leer" is ; wat de kern van het Evangelie is, wat de inhoud is van onze belijdenis, van onzen Catechismus, dat heerlijke troostboekje, dat God ons gegeven heeft, meé door de geheiligde wijsheid van theologen, dominé's en professoren. Want — het mag in deze dagen, dat de Kerk, en bijzonder de dominé's zoowat niets anders dan klappen krijgen van een bepaald soort menschen, zoo wel eens even gezegd Worden — aan theologen, dominé's, professoren in de theologie hebben we toch wel veel, heel veel te danken. Omdat God ook in deze den weg, die Hij voor Zijn Kerk verordineerd heeft, handhaaft en zegenen wil.
Wij houden ons dan ook maar bij de Kerk en begeeren de Oxford-Groep volstrekt niet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's