HET DOOPSFORMULIER
HOOFDSTUK IV.
Het Verbond.
Conclusie.
Thans willen wij alle nadruk leggen op datgene, waar het hier om gaat. Want wat hier in het geding is, is van veel grooter beteekenis dan het onderwerp, dat wij voor een volgend hoofdstuk hebben bewaard, de kwestie van de veronderstelde wedergeboorte.
Het kan mij wel eens bedroeven, dat onze menschen die vraag van de veronderstelde wedergeboorte van zoo groote beteekenis achten, terwijl wij daar met een gansch bijkomstige zaak hebben te doen in vergelijking met wat ons hier bezighoudt.
Immers in de kwestie van de veronderstelde wedergeboorte gaat het enkel om de Vraag, waarvoor wij onze kinderen hebben te houden, als wij ze ten doop presenteeren. Verstaat het goed, waarvoor wij of de Kerk ze hebben te houden. Daarmede is eens en voor goed aangegeven, dat wij hier met een oordeel der liefde hebben te doen. De leer van de veronderstelde wedergeboorte is die leer, volgens welke de geloovigen veronderstellen, dat hun kinderen wedergeboren zijn en dies recht hebben op den doop. Van veronderstellen, niet van zeker weten, is hier Sprake, wijl het gaat om een oordeel der liefde. Zooals de Kerk van hen, die hartelijk den naam des Heeren hebben beleden, veronderstelt, dat zij ware geloovigen zijn, hen op grond van het oordeel der liefde voor ware geloovigen rekent, totdat uit hun leven het tegendeel blijkt, zoo vraagt de genoemde leer, dat de Kerk de gedoopte kinderen voor wedergeboren zal houden op grond van een oordeel der liefde, totdat uit hun leven het tegendeel zal blijken.
In de leer van de veronderstelde wedergeboorte gaat het dus om een oordeel der Kerk, om een menschelijk oordeel over de kinderen, die gedoopt worden of zijn. Omdat het een menschelijk oordeel is, is het feilbaar. Daarom worden ze ook voor Wedergeboren gehouden, zoolang uit het leven Het tegendeel niet is gebleken. Dit laatste wijst dus aan, dat de veronderstelling, dat zij wedergeboren zijn, niet insluit de gedachte, dat zij werkelijk allen zonder uitzondering wedergeboren zijn. Omdat men echter krachtens de feilbaarheid van het menschelijk oordeel geen onderscheid kan maken en de wedergeborenen niet kan onderscheiden van de niet-wedergeborenen, houdt men ze allen krachtens het Oordeel der liefde voor wedergeboren, tenzij straks uit hun leven het tegendeel blijke.
In de vragen, die ons thans bezighouden, gaat het echter om gansch andere en veel belangrijker dingen, en dat men dat niet inziet, smart mij vaak ten hoogste, omdat het bewijst, hoezeer men de dingen intellectualistisch beoordeelt in plaats van ze allen te zetten in het licht des geloofs.
Immers wat baat het mij, als het gaat om de groote vraag, hoe ik behouden, gezaligd, gerechtvaardigd kan worden, te weten, hoe mijn ouders of de Kerk over mij oordeelen ? Kan mij dat zekerheid geven van Gods liefde en genade ? Al zeggen mijn ouders en de Kerk mij misschien tienmaal dat zij mij voor wedergeboren houden, kan dat de grond van mijn geloof en betrouwen uitmaken ? Dit oordeel is immers feilbaar; zij kunnen zich vergissen. Te midden van de schapen zou ik een bok kunnen zijn. Maar ik wil het hier uitspreken, dat ook volgens mijn weten niemand van hen, die de veronderstelde wedergeboorte leeren, gezegd heeft, dat het voor de.gedoopten voldoende is het oordeel der liefde, waarmede de Kerk over hen oordeelt, geloovig te aanvaarden en dat het dus ter behoudenis genoegzaam is om op grond van dit oordeel der liefde zich zelf voor wedergeboren te houden. Zij allen hebben geleerd, dat het geloof in Christus, niet het geloof in eigen wedergeboorte, onmisbaar is ter zaligheid.
Welnu, in de vragen, die hier beslag op ons leggen, gaat het over den grond, den eenigen grond des geloofs. Niet dit is hier aan de orde, hoe de menschen over mij oordeelen, maar wat veel belangrijker is, hoe God over mij oordeelt. Is er een woord van genade van Godswege voor mij ? Mag ik gelooven, dat de beloften, die God aan Zijn Kerk heeft gedaan, ook voor mij zijn ? Is de doop, waarmede ik gedoopt ben, een zegel van Gods wege, J; it die beloften waarachtig zijn en ook mij zijn geschonken ?
Deze vragen zijn van de grootste beteekenis voor een mensch, die den strijd des geloofs strijdt en den grond van geloof en hope voor de eeuwigheid klaar en duidelijk begeert te zien. Heeft in deze vragen de doop, waarmede hij gedoopt is, een mensch iets te zeggen, ja dan neen? Heeft die doop hem van Gods wege iets te zeggen, ja dan neen ? Indien in dien doop een Godsspraak tot hem komt, kan hij daarop vertrouwen onvoorwaardelijk, ja dan neen ?
Op deze vragen moet antwoord gegeven worden en niet in een ontwijkenden zin, maar klaar en duidelijk.
Ontwijkend noem ik het antwoord, dat velen geven met te zeggen, dat de doop geen bewijs is, dat men wedergeboren of uitverkoren of in Christus begrepen is. Dat weet ik ook wel, dat niet alle gedoopten zalig worden. Maar de vraag, waar het om gaat is, of die doop mij een vasten grond geeft, waarop ik voor Gods aangezicht vertrouwen kan ; of die doop mij Gods beloften verzegelt, zoodat ik met die beloften voor Gods aangezicht kan komen en zeggen : Heere, hier hebt Gij uw eigen getuigenis ; Gij hebt het zelf gezegd, dat Gij mij een God wildet zijn ; op uw Woord heb ik gehoopt; op uw beloften wensch ik mij te verlaten.
Als dat nu niet het geval is, als die doop alleen verzegelt iets wat in de lucht zweeft, een zekere algemeene waarheid, maar als die doop niet zonder meer mij, mij persoonlijk, de beloften Gods verzegelt, ' dan zeg ik: waartoe dan de kinderen gedoopt ? waartoe hun dan één voor één onder het uitroepen van hunne namen dat teeken en zegel toegediend ? Dan is dat een bedriegelijke ceremonie en beter ware het met de doopsgezinden en baptisten te wachten, totdat zij belijdenis hebben gedaan van hun geloof of blijken hebben gegeven van hun wedergeboorte of bekeering, voordat hun het teeken en zegel van zoo kostbare schat als Gods genade is worde geschonken.
Het is bedroevend om op te merken, hoe men dat waardevolle zegel Gods van zijn verzegelende waarde heeft trachten te berooven. Het wordt een nietszeggend teeken, dat niet de minste steun tot geloof geven kan. Het is maar een teeken van een uitwendig verbond of een teeken, dat men uitwendig in het verbond is. Het is maar een verzegeling van een uitwendige of conditioneele aanbieding van het evangelie, die men van zichzelf nooit kan aannemen. Vele onbekeerden en velen, die verloren gaan, hadden dit teeken ook ontvangen. Het is dus geen bewijs, dat men niet verloren zal gaan. En op grond van dergelijke redeneeringen leert men de menschen hun doop verachten en enkel waarde te hechten niet aan hetgeen men met onbekeerden gemeen heeft, zooals de doop, maar aan datgene, waardoor men van onbekeerden onderscheiden is, n.l. de kenteekenen van wedergeboorte of bekeering en daarop zet men dan zijn hoop en daarvan is dan de verwachting.
Steeds klaarder is het mij bij mijn onderzoek geworden, dat men toen den doop is gaan verachten, toen men de beloften van Gods genade, ons in het evangelie gedaan en door den doop verzegeld, niet meer beschouwde als genoegzamen grond van geloof en hoop voor de eeuwigheid en men meende een betrouwbaarder grond te moeten leggen in datgene, wat als vrucht van Gods genade in het hart of de ziel van een mensch gewrocht wordt. Meer en meer heeft men het Woord Gods den rug toegekeerd en is men gaan wroeten in 's menschen binnenste, om de zielservaringen, die met de verandering en de bekeering gepaard gaan, als bewijs te kunnen nemen, dat men onder de genade is en een kind van God.
Als ik dit zeg, is er geen sprake van, dat ik vijandig zou staan tegenover de leidingen, die God met zijn volk houdt of niet zou willen weten van een waarachtige bekeering en een levend geloof. Door Gods genade mag ik van zulk een verandering in mijn eigen leven getuigen, van een uitgeleid worden uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht, maar juist in den weg van Gods wonderbare leidingen heb ik het goed leeren verstaan, dat de grond des geloofs niet in den mensch gelegen is en dat iedere poging om kenmerken van genade in den mensch tot grond des geloofs te maken den mensch afbrengen van Christus en opnieuw leiden tot eigengerechtigheid, tof een godsvrucht, waarin de geest der dienstbaarheid tot vreeze overheerscht.
Aan de andere zijde echter heb ik indertijd de gevoelens van ds. van Schuppen, in zijn werkje Sterven en Leven verdedigd, — thans heeft hij zelf ook dit standpunt weer verlaten — ernstig bestreden, omdat, als een mensch geheel van den ouden Adam wordt afgesneden om in-Christus te worden ingeënt en in Hem het leven te vinden, niet dit feit, niet deze gebeurtenis van de inlijving in Christus de grond des geloofs uitmaakt, maar het wezen van deze ervaring hierin is gelegen, dat men Christus leert kennen als den eenigen grond des geloofs en behouds. Straks komt het oogenblik voor iemand, die deze dingen bij bevinding leerde kennen, dat deze bevinding al weer tien of twintig jaren achter hem ligt. Welke is nu de grond van zijn geloof en betrouwen ? Dat hij zulk een oogenblik in zijn leven gekend heeft ? Maar als hij zich nu eens bedrogen had, wat dan ? En als hij zich niet bedrogen heeft, dan kan toch dit feit niet een bron van gedurige troost en leven en kracht zijn, want het gaat in den geloofsstrijd toch niet alleen om het feit, dat men weet een kind van God te zijn, maar het gaat er toch allereerst om uit Gods hand te leven en zich van dag tot dag het brood des levens uit Gods hand te zien toegereikt. Dat vindt men toch niet in dat feit, dat achter ons ligt ? Dat vindt men toch alleen in het Woord Gods, waardoor God de Heere niet eenmaal in hun leven, maar altijd weer opnieuw tot Zijn kinderen spreekt.
Gods leidingen veracht ik niet, maar wat God uit den schat Zijner genade de Zijnen doet toekomen, mag niet met dien onuitputtelijken schat, waaruit het genomen werd, vereenzelvigd worden. Het is maar wat klein geld, zou Bunyan zeggen, en niets vergeleken bij wat in Christus door God den Heere voor mij werd weggelegd. Een teug te drinken van het water des levens is een wondere verkwikking voor de ziel, maar men kan niet opnieuw het water genieten, dat men in verledene dagen dronk. Men moet telkens terug niet naar vroegere ervaringen, maar naar de bron van levend water, in Christus ontsprongen. En deze bron vloeit voor ons alleen in Gods beloften, zooals het evangelie daarmede tot ons komt en zooals ons die door den doop verzegeld worden. Dit is de kern van de reformatorische leer, waardoor zij een ieder naar die beloften Gods hebben verwezen en nimmer de verslagenen van hart geleerd hebben in hun hart of ziel naar zoodanige bewegingen te zoeken, die een grond van geloof of vertrouwen zouden kunnen zijn. Daarom hebben wij ons ook de moeite getroost om eerst aan te toonen, dat volgens de hervormers de sacramenten ons de beloften Gods verzegelen. Wie de waarde van Gods beloften kent, zal ook de sacramenten waardeeren en hun beteekenis verstaan, het sacrament van den doop evenzeer als het sacrament van het avondmaal.
O.a.d.IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's