De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

7 minuten leestijd

De eerste helft van het jaar ligt al wederom achter ons. Wij hebben het hoogtepunt weer bereikt. Het gaat straks bergaf.
Wat wij met deze opmerkingen voor hebben, is niet moeilijk te gissen.
Vooreerst, dat wanneer na de vacantie onze arbeid weer een nieuwen aanblik vertoont, wij ook hierdoor met nieuwe zorgen hebben te rekenen.
Deze verdwijnen nooit, zij veranderen alleen in naam. Wie deze gedachte mocht koesteren, dat daar een streep onder zou kunnen worden gezet en dat daarna een tijd inluiden zou, waarin men van alle zorgen zou worden ontslagen, heeft èn het Woord èn de ervaring tegen. De jaren die achter ons liggen, hebben wij voor een taak ons zien geplaatst, niet klein, n.l. om het schreiend gebrek aan Bedienaren des Woords zooveel mogelijk te verhelpen. Door de krachtige steun, die wij van onze Gereformeerde menschen zoo ondubbelzinnig mochten ontvangen, zijn wij in staat gesteld dit euvel voor een niet onbelangrijk deel te verhelpen. Wij zijn daarvoor hoogst dankbaar gestemd. De hulp, ons daartoe van zoo menige zijde betoond, maakt ons gedurig nog klein. De opmerking, welke ge bij u zelven moogt maken, is deze : wat is het van onze Gereformeerde gemeenten wijs gezien, dat zij hieraan zoo krachtig hebben meegeholpen. Want dit is inderdaad het geval. Van meer dan één kant werden vaak nijdige blikken geworpen, waaruit zich niet anders liet aflezen dan : „wij gunnen u dit niet". Men zag met eenige vreeze den gang van zaken aan.
Het Studiefonds heeft niet anders dan met grooten dank aan God mogen gewagen van de steun, ons van onze Gereformeerde gemeenten zonder eenige karigheid geboden.
De vraag, óf in stilte, óf in 't openbaar in den laatsten tijd gedaan, is deze : „is deze steun nu zoo langzamerhand niet overbodig geworden ? Krijgen wij niet een overvloed van candidaten ? Komen er straks niet te veel ? Dient men niet een voorbeeld te nemen aan wat zich overal elders, b.v. in de Gereformeerde Kerken, vertoont ? "
Het antwoord hierop zullen wij zoo duidelijk mogelijk formuleeren.
Wij zullen bij het laatste beginnen.
Bij de Gereformeerde Kerken heeft men een vrij aanzienlijk aantal jonge menschen, die zich beroepbaar stellen en nu reeds als hulppredikers hun krachten geven aan een arbeid, die niet anders dan vruchtbaar werkt voor deze Kerk in haar geheel.
„Teveel schaadt", zoo is weleens opgemerkt, doch dat dit zelfde verschijnsel ook een keerzijde kan hebben, wordt wel eens al te zeer uit het oog verloren. Te weinig handen om het werk door te geven, roept noodwendig dit beeld naar voren : hier blijft tot groote schade voor 't geheel, een zeer groot deel van wat noodzakelijk moet gebeuren, achterwege. Gemeenten, waar jaar in jaar uit geen ordelijk werk door een eigen Dienaar des Woords wordt verricht, loopen zienderoogen achteruit. Zoo het geheel niet verwildert, het versplintert zeker.
Nog afgezien van 't feit, dat het overschot van candidaten bij de Gereformeerde Kerken; de meerdere candidaten, in vergelijking bij voorbijgegane tijden, bij de Chr. Gereform. Kerk ; ja, van welke Gereformeerde groep ge ook wilt, voor velen onzer Gereformeerde gemeenten, verwarrend werk geeft te aanschouwen.
In waarheid. Wij zouden de oogen moeten sluiten voor wat het heden ons geeft te aanschouwen en wat de toekomst ons biedt, zoo wij onze handen vanaf dit moment in den schoot zouden leggen.
Lichtelijk heeft de lijst van vacante plaatsen, in het vorig nummer van De Waarheidsvriend, u wel even tot de orde kunnen roepen, 't Is nog lang niet verholpen het euvel, dat voornamelijk onze Gereformeerde gemeenten bedreigt.
Daarbij komt nóg iets.
Wanneer de opmerking gemaakt wordt dat er zooveel en zooveel studenten in alle faculteiten studeeren, ook in de Theologie, stelt mij heelemaal niet gerust. Immers wanneer deze afgestudeerd zijn en er is geen Gereformeerde candidaat, zoo vrees ik, dat zulks op den langen duur ten koste zal gaan van de Gereformeerde gemeenten. De bede, om waarlijk uit Gods hand Dienaren des Woords te ontvangen, mag geen oogenblik, voornamelijk in onze verwarde tijden, verflauwen.
Wij hebben deze zaak nog eens opnieuw op uw hart willen binden.
Nu is er nóg iets.
Wij schrijven Juli.
Onze kwitanties moeten worden verzonden. Mag ik nu eens een zeer vriendelijk verzoek tot onze onderscheidene correspondenten en secretarissen van onze afdeelingen richten, om mij liefst nog in deze week of volgende week al de gegevens, in dezen noodig, te verschaffen ? Wanneer het niet te veel arbeid vordert, liefst alphabetisch, wat namen aangaat.
Dat dit werk tot het meest geliefde stukje mag worden gerekend van mijn arbeid, mag ik niet zeggen. Ge wilt het mij wel zoo gemakkelijk mogelijk maken, nietwaar ?
Ik reken er op.
Mag ik nu de lijst van ingekomen giften u voorleggen ?
1. Van bevriende zijde, waar men er niet op gesteld is namen te noemen, werd mij 20 gld. ter hand gesteld voor het Studiefonds. Deze gave heeft mij ten zeerste verblijd, 't Doet mij en de mijnen nog altijd leed van deze vriendelijke omgeving niet, zooals wij voorheen gewoon waren, gebruik te kunnen maken ƒ 20. Nogmaals onze hartelijke dank.
2. Van den heer J. G. T. te E. kreeg ik een rijksdaalder voor de Zending. „ 2.50 Met zeer veel dank.
3. Te Nijverdal heb ik een ouden vriend, wiens naam al sedert jaren in mijn boeken voorkomt. Hij heeft de oude vriendschapsband nog eens opnieuw voelen trekken. Hij zond mij 1.50 Mijn allerhartelijkste dank.
4. Door ds. Ottevanger te Kampen kreeg ik mij toegezonden voor het Studiefonds f2.50 „ 2.50 Dit was een deel van een gift. Zou ds. Ottevanger onzen weigemeenden dank aam den gever willen doorgeven ?
5. Uit eigen omgeving kreeg ik enkele giften. Vooreerst van den heer A. als blijk van medeleven met onzen arbeid, kreeg ik „ 1.— 'k Hoop hem persoonlijk te bezoeken en onze zaken eens met hem te bespreken, 'k Geloof wel, dat wij het best eens kunnen worden.
6. Van het verre Zuiden, n.l. vanuit Kloetinge, kreeg ik een brief om een zieke te bezoeken in de Rijksklinieken. Dit gebeurt veel vaker, 'k Voldeed daaraan gereedelijk. De zieke trof ik aan in gedrukte stemming. Geen wonder, de lijdensweg in aanmerking nemende. Toch kon ik aangenaam met haar spreken. Voorloopig is ons bezoek niet meer noodig vanwege de tijdelijke onderbreking van haar toeven alhier. Uit dankbaarheid bracht de vriend ons persoonlijk een zeer gewaardeerd blijk van erkentelijkheid voor onze fondsen „ 1.—
7. Door collega Kwint, alhier, kreeg ik enkele giften van een onbekenden gever, waaronder f2.50 voor het Studiefonds en f2.50 voor den Gereformeerden Bond 5. Mogen wij dezen onbekenden gever" onzen hartelijken dank betuigen, ook voor de giften voor Wijk en voor den Medischen Dienst in Midden-Celebes in den vorm van de ziekenzorg voor de Melaatschen.
8. Het bekende busje uit Zegveld, no. 20, had ditmaal een dubbele zending, n.l. 1 maal f 1.73 en 1 maal fl.75, samen „ 3.48 Onze dubbele dank voor deze keurige verzorging onzer belangen.
9. Ds. Koolhaas te Charlois zond mij als nalezing op de aldaar gehouden Paaschinzameling nog „ 4.50 Wij danken beiden, zender en gever, zeer hartelijk.
10. Nog een tweetal posten heb ik te vermelden. De eerste post komt uit Polsbroek. Ds. v. d. Hee heeft haar enkele jaren mogen dienen. Bij zijn afscheidsprediking heeft hij met zijn kerkeraad onze fondsen nog bedacht met een bizondere collecte. Wij lezen daaruit erkentelijkheid voor onzen arbeid en waardeering voor de moeite, welke wij ons willen getroosten voor de Gereformeerde gemeenten, tot heil van het geheel. Gode tot eere. De collecte bedroeg , 66.— Wij hebben ons in dit alles grootelijks verblijd.
11. Thans het sluitstuk. Met de Paaschinzamelingen is het, geloof ik, nu zoo goed als gedaan. Dit is dus met recht de heksluiter. En waar 't spreekwoord geldt : „einde goed, al goed", zoo zijn wij voor dit goede einde al hoogst erkentelijk en daarmee hartelijk verblijd. In Hilversum hebben de vrienden 't onder elkaar zoo geregeld, dat op het meest geschikte moment deze collecte werd ingezameld. Dus als er iets dringends zich voordoet, dat onze zaken daardoor zouden kunnen worden geschaad, zoo wordt even halt gehouden. Dit getuigt van wijs beleid. Het einde laat dit beeld ook duidelijk zien. Wat zegt ge van zulk een prachtcollecte, f253.50? „253.50 Wij zeggen allen, die door hun bijdragen of door hun moeite, voor de zaak gegeven, hieraan hebben meegewerkt, allerhartelijkst dank. God zegene onzen arbeid tot verheerlijking van Zijn Naam. Wij komen tot een eindsom van
f 360.98

utrecht.

Ds. J. GOSLINGA.


P.S. Denk om de lijsten met namen van de leden en begunstigers.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's