RONDOM DE LEESTAFEL
KERKORDE EN HEILIGE SCHRIFT, door dr. W. Lodder, Ned. Herv. pred. te Bussum. Uitgave: Ned. Herv. Verbond tot Kerkherstel. H. Veenman & Zonen, Wageningen.
De godin Minerva — aldus de Grieksche fabelleer — kwam zoo maar ineens kant en klaar, gewapend en wel, uit het hoofd van den Oppergod te voorschijn. Zooiets moeten we ons ten opzichte van de Kerkorde niet voorstellen in betrekking tot de Heilige Schrift. We vinden in den Bijbel zóó maar niet, kant en klaar, hoe de Kerkorde voor de Gemeente des Heeren bier op aarde, er uit moet zien. De hoofdstukken met de artikelen vinden we zóó maar niet in de Heilige Schrift. Een afgerond en uitgewerkt systeem vinden we zóó maar niet op de bladzijden van Gods Woord. Trouwens, we vinden ook geen uitgewerkte Dogmatiek in de Heilige Schrift. Ook geen systeem van onze Ethiek, die we voor onzen handel en wandel als Christen noodig hebben.
Moeten we daarom geen Dogmatiek of Geloofsleer hebben ? Natuurlijk wel. De Geloofsleer is voor ons bet systematisch geheel van die geloofswaarheden, die God ons in Zijn Woord geopenbaard beeft, om te gelooven met het hart en het belijden met de mond. We moeten de Schriften onderzoeken en daaruit heeft de Kerk baar belijdenis te putten en ordelijk haar confessie op te stellen, voor zich zelf zoo noodig om zich te realiseeren wat zij te gelooven en te belijden heeft, en voor anderen zoo noodig, opdat men wete wat de Kerk als baar schatten kent en, zoo noodig, ook verdedigt tegenover allerlei aanvallen van buiten en van binnen, op welke aanvallen de Kerk van Christus altijd heeft te rekenen. De Vader der leugen is de sluipmoordenaar, die altijd op de Kerk loert — zegt onze belijdenis. En de strijdende Kerk hier op aarde heeft daarmee te rekenen en moet altijd gereed staan in haar geestelijke wapenrusting.
Wij moeten nu zoo langzamerhand er maar mee gaan rekenen, dat degenen, die zeggen dat we geen belijdenis, geen catechismus, geen formulieren voor de liturgie enz. noodig hebben, hebben afgedaan. Het kerkelijk vraagstuk is dat station, vopr 't oogenblik, voorbij. En zoo zijn we óok voorbij — dat men zegt: we hebben geen Kerkorde noodig. En die zoo praten laten we langzamerhand maar stil alleen staan, om ons in eigen kring nader te bezinnen hoe, naar luid van de Heilige Schrift en dus naar de beginselen en aanwijzingen van Gods Woord —en dus van den Heere Zelf — de regeering der Kerk moet worden ingesteld en geregeld. Zonder den regel, ons van God Zelf gegeven, gaat 't verkeerd en loopt het met alles mis — we hebben nu lessen der historie genoeg gehad — en wanneer we ons naar den regel Gods mogen aanstellen zal het ons wél gaan. In Gods weg alleen kan het leven der Kerk z'n doel bereiken. Anders niet. Anders nooit. Dan komt er verwarring en verval — gelijk de Heere ons duidelijk beeft te aanschouwen gegeven, in de laatste eeuw vooral.
De Heere wil eén zichtbare, concrete gemeente op aarde hebben. Vroeger en nu en in de toekomst, totdat het hemelsch Jeruzalem zal nederdalen op aarde en de Heere alles zal zijn in allen. Met een geestelijke, onzichtbare grootheid voor de Kerk kunnen we niet toe. Als de Heiland zegt, dat men na gebleken onboetvaardigheid, deze zaak aan de gemeente moet zeggen en voorleggen, voelt ieder, dat we hier niet hebben een geestelijke, onzichtbare grootheid, maar een zichtbare, concrete grootheid en we staan dan midden in het kerkelijk leven ten opzichte van de Gemeente des Heeren (Matth. 18 : 17). We moeten voor het kerkelijk leven een adres hebben, een ordening, een regel, een organisatie. Daaraan moeten we dan ook vasthouden, dat, als het over de Gemeente des Heeren hier op aarde gaat, we moeten hebben een georganiseerde gemeenschap, die haar organen heeft, bevoegd om namens haar in kerkelijke zaken op te treden en beslissingen te nemen ; zoo noodig de beslissing inzake tuchtoefening, inzake afsnijding van en uitbanning uit het midden der Kerk. In Matth. 118 vers 17 heeft de Heiland gedacht aan een zichtbare aardsche grootheid. Waarbij de woorden „bouwen" en „rots" passen. (Op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen, enz.).
Het Koninkrijk Gods is niet alleen een geestelijke, onzichtbare grootheid, doch het heeft wel degelijk óok een aardsche, zichtbare kant. (Mattheüs 25 vers 1 en 2 en Matth. 13 vers 47—49, wijzen daar óok op, enz.); Christus heeft wel degelijk gedacht aan een zichtbare gemeente, waarin men handelend moet optreden.
Hoe heeft Christus Zich nu de leiding van deze gemeenschap gedacht ?
De Heere Jezus is „begonnen beide te doen en te leeren" — schrijft Lucas, Hand. l vers 1. En wat de Heiland Zelf begonnen is te doen en te leeren, moet worden voortgezet door de Zijnen ten opzichte van Zijn Gemeente. Jezus heeft daartoe bevelen gegeven en heeft Zijn Apostelen daar telkens over gesproken, bijzonderlijk gedurende de veertig dagen na Zijn opstanding, tot aan den dag van Zijn hemelvaart.
Enkele weken daarna zien we dan ook, dat de dingen gestalte en vorm gaan aannemen in de Gemeente (Hand. 2) en we mogen, ja, we moeten veronderstellen, dat dit geschiedt naar de bevelen, welke de Heiland als Zijn opdracht gegeven heeft aan de Apostelen.
Natuurlijk hebben we hier niet te denken aan een bestek van de organisatie van Christus' Gemeente, tot in de fijnste bijzonderheden uitgewerkt. Dat gebeurt niet onder de Nieuw-Testamentische bedeeling. Onder het Oude Testament was alles precies door den Heere voorgeschreven, in vormen, lijnen, kleuren — maar onder de Nieuw Testamentische bedeeling is en blijft dat anders. Maar we weten, dat de Heiland na Zijn hemelvaart Zijn Geest heeft gegeven en dat Hij Zelf, door den Heiligen Geest, Zijn werk voortzet, doch dan door Zijn Apostelen, aan wie de Heilige Geest was beloofd en ook is gegeven. Achter hun handelingen stond de in den hemel verhoogde Jezus. Er komen mannen in de Gemeente, die hebben te prediken, die de Gemeente hebben te besturen, alsook mannen, die voor de armen hebben te zorgen. In Hand. 11 vers 30 lezen we, dat er in Jeruzalem reeds ouderlingen zijn, aan wie de collecte als algemeene inzameling der gemeenten, ten bate van de moedergemeente, moet worden ter hand gesteld. Zie verder Hand. 14 vers 23. Ook te Efeze komen ouderlingen. (Hand. 20 vers 17). Ook in Filippi (Filipp. I vers 1).
Paulus, de Apostel, heeft medegewerkt tot opbouw van de Gemeente, door de ambten in te stellen en liet ouderlingen en diakenen verkiezen ; alles naar 't geen we lezen Hand. 1 vers 1 —4, waar de Heiland de grondlegger genoemd wordt en de Apostelen zijn geroepen het werk voort te zetten. Christus heeft alles Zelf gelegd en geleld — en de Apostelen zijn de uitvoerders van Zijn bevelen, 't Is geen ontaarding en verwording wat er later komt, neen, het is de uitvoering van wat Jezus is „begonnen te doen en te leeren". Hand. 1 vers 1—4. Alles volgt logisch uit de instructies van den Heiland, 't Gaat net.als met het lijden en sterven vin den Heiland. Aanstonds ziet Hij, het Lam Gods, het kruis vóór Zich, maar eerst later spreekt Hij er van tot Zijn discipelen. Dat is de paedagogiscbe wijsheid van den Heiland. Zoo komen er eerst Apostelen, daarna ouderlingen, en als de nood aan den man is, komen de diakenen. Als er door de uitbreiding en samenstelling der Gemeente behoefte is aan systematische armverzorging, komen de diakenen voor den dienst der barmhartigheid, waar Jezus Christus de Hoogepriester is, die Zijn ambtsdragers tot dit priesterlijk werk der barmhartigheid roept. Eerst moet er de behoefte zijn, dan komt de vervulling, zoowel door bet ambt van ouderling als van diaken. (1 Cor. II vers 2 spreekt van de inzettingen van Paulus, die hij hun overgegeven heeft en waarnaar zij gehandeld hebben; Paulus wilde niet, dat het in de Gemeente, waar hij maanden gearbeid had, in de war zou loopen). Naast de buitengewone ambten, die er toen waren, kwamen de gewone, die zouden blijven. En Paulus zegt, dat God ze gesteld of gegeven heeft aan de Kerk. (1 Cor. 12 vers 28; Efeze 2 vers 20; 4 : 11). Mannen, die de gave der profetie hadden, waren er toen. Leeraars, die predikten in verschillende gemeenten, uitleggende de Schriften. En Evangelisten waren weer andere predikers, die het Evangelie uitdroegen hier en elders De gewone ambtsdragers moesten voortbouwen op het werk, om de Gemeente te regeeren en te verzorgen, Christus erkennend als het Hoofd der Gemeente.
Zoo vinden we in den beginne eerst de meer buitengewone werkingen, die de grondslag leggen voor de organisatie der plaatselijke gemeenten, met onderling contact en correspondentie.
In de Pastoraal-brieven, die Paulus na zijn eerste gevangenschap schreef, (aan Timotheüs en Titus) liggen de gegevens voor de organisatie der Kerk voor 't grijpen. Naarmate de Christelijke Gemeente in steeds meerdere plaatsen vasten voet kreeg, begon de behoefte aan deugdelijke leiding sterker te spreken ; en twee van zijn leerlingen gaf hij zijn opdracht en bevel, opdat zij weten zouden „hoe zij in het huis Gods moeten verkeeren" (1 Tim. 3 vers 15).
In 1 Tim. 4 vers 14 lezen we van een college van ouderlingen, want er staat in 't Grieksch „presbyterion", dat niet ouderling, maar college van ouderlingen beteekent (raad der Kerk). In Titus 1 vers 5 geeft Paulus zijn leerling opdracht om op Creta van stad tot stad ouderlingen aan te stellen, aan de vereischten voor deze ambtsdragers worden genoemd. Blijkens vers 7, wordt door Paulus met „opziener" en „ouderling" hetzelfde bedoeld Dat hier de episcopus als bisschop of superintendent optreedt, mist alle grond om dat te beweren. Paulus heeft het hier over ouderlingen of opzieners, bij de vereischten der ouderlingen zeggende: want een opziener moet onberispelijk zijn". Ouderling is hetzelfde als opziener. Zie ook Hand. 20 : 17 en 18, waar Paulus tot de ouderlingen van Efeze zegt, dat zij als opzieners zijn gesteld geworden door den Heiligen Geest. Zie eerst vers 17 en dan vers 28.
Heel de organisatie der Kerk door de Apostelen wordt door Christus beheerscht en de Heilige Geest stelt de mannen aan.
De gegevens van de Zendbrieven zijn niet anders dan van het boek de Handelingen en van de Pastoraalbrieven. Geleidelijk ziet men in het na-apostolische tijdvak, het gezag van den ouderling groeien. De man die arbeidt in het woord en in de leer, die predikt en onderwijst, groeit ten koste van de gewone ouderlingen en diakenen. Hij wordt opziener. Het episcopaat komt — wat de Roomsche Kerk dan verkeerd doorvoert tot onschriftuurlijke hiërarchie.
In de Christelijke Kerk moeten we naar Schriftuurlijke beginselen hebben het dubbele ambt van ouderling, eenerzijds de ouderling die arbeidt in het woord en in de leer (de herder en leeraar) en anderzijids de gewone ouderling ; en daarnaast de diakenen. (Zoo kan men spreken van twee of ook van drie ambten in de Kerk).
De Gemeente breidt zich uit. Van de Joden roept God er, ook van de Heidenen. Lydia en haar huisgenooten worden gedoopt, de stokbewaarder en zijn huisgenooten eveneens. De belofte komt Lydia en den stokbewaarder toe (Hand. 2 : 39) en dan, naar den regel des verbonds, komt het óók tot hunne kinderen. Zie ook de huwelijks-vragen in 1 Cor, 7 beantwoord door den Apostel. De Gemeente wordt zoo breed mogelijk genomen. „De ongeloovige man is geheiligd door de vrouw en de ongeloovige vrouw is geheiligd door den man. Want anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig." (1 Cor. 7: 14). Ze moesten „heilig" gehouden worden, dat is : beschouwd worden als tot de gemeente behoorend. Allen die geloofden, alsook hun echtgenooten en kinderen werden gerekend als tot de gemeente te behooren, al was het bij hen nog niet tot persoonlijke individueele, persoonlijke beaming der waarheid gekomen.
„ledere Kerkorde, die schriftuurlijk wil zijn, mag de grenzen der gemeente nooit zoo eng trekken, dat alleen persoonlijk-geloovigen er binnen komen te staan. Ook zij, die door hun verbintenis met hen „mede-geheiligd" zijn, behooren er toe".
Zoo konden lichtelijk allerlei dwalingen in de Gemeente opkomen. De Gemeente van Corinthe is ten bewijs, waar er zelfs waren, die de opstanding der dooden loochenden (1 Cor. 15 vs. 12). Het is de berooving van den eenigen troost, als Christus niet is opgestaan. „Sommigen hebben de kennis Gods niet" (1 Cor. 15 : 34). Ze zijn van alles onkundig — wat Paulus zegt „tot hun schaamte". Die „broeders" moeten vermaand worden. Die in bloedschande leeft (1 Cor. 5:1), door in ongeoorloofde verhouding te leven met een van zijns vaders vrouwen, moet bestraft worden. Er moet ingegrepen worden. De man moet buiten de gemeente gezet worden, misschien is het hem tot behoud !
In de Corinther-brieven spreekt Paulus niet van leertucht, wel van zedelijke tucht. Maar Paulus heeft méér geschreven dan 1 en 2 Corinthe alleen. In de Pastoraalbrieven wemelt het van de woorden „wederleg", „bestraf", „vermaan"; en als iemand de leugen verkiest boven de waarheid, moeten krasse maatregelen worden genomen. Zachtmoedigheid is noodig „of hun God te eeniger tijd bekeering geve tot erkentenis der waarheid en zij wederom ontwaken mochten uit de strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijnen wil" (2 Tim. 2:25, 26). Doch een kettersch mensch, die door zijn dwaling een scheuring in de gemeente verwekt, moet men na de eerste en de tweede vermaning verwerpen. (Tit. 3 : 10). Ze moeten door excomrmunicatie buiten de Gemeente worden gezet. (2 Tim. 2 : 17), (Matth. 18).
Als Paulus zegt: opdat gij moogt weten, hoe men in het huis Gods moet verkeeren, hetwelk is de gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid" (1 Tim. 3 : 15), dan voelt men, dat de Apostel niet meer één plaatselijke gemeente, doch de Kerk des Heeren op het oog heeft. De afzonderlijke gemeente, waaruit zij bestond, hielden voeling met elkaar via de Apostelen en de rondreizende profeten en leeraars. En Hand. 15 laat ons zien langs welken weg de oudste Christenheid brandende kwesties in haar eigen boezem tot een oplossing bracht. Naast de Apostelen waren er ook Jacobus, de broeder des Heeren en de ouderlingen der Jeruzalemsche gemeente aanwezig. Helaas ! was er „groote twisting" (vers 7), maar het be^ sluit wordt genomen door den Heiligen Geest (vers 26). Van „bisschoppelijk" gezag bespeuren we niets. Christus heeft het hoogste en laatste woord, door Zijn Geest, naar Zijn Woord. Hier geldt dan ook : „wie u hoort, die hoort Mij" (Luc. 10 : 16).
Bij alle wisseling van personen is en blijft Christus het Hoofd der Gemeente en Zijn ambtsdragers hebben Hem te dienen en om Zijnentwil Zijn gemeente te dienen en te regeeren.
Al lezende hebben we van de brochure van dr. Lodder een overzicht gemaakt en geven dat hier met een woord van aanbeveling. Het is goed dat op deze manier — men lette er op, dat wij zelf aan 't begin aan 't woord zijn en ook hier en daar onze eigen gedachtengang volgden — de zaak van de Kerkregeering en de kwestie van de Kerkorde aan de orde gesteld wordt.
We moeten in deze richting voor onze Hervormde Kerk het goede zoeken, wat geheel overeenkomistig haar eigen belijdenis is. Ook haar geheele geschiedenis legt ons de plicht op, in deze richting voor haar „rechten" op te komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's