De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

EERBIEDIG DE GRENSPALEN!

6 minuten leestijd

Daniël I.
De schoone geschiedenis uit 't 1ste hoofdstuk van Daniël is u toch zeker bekend. Na den slag bij Karchemis, waarin de koning van Egypte werd verslagen, wist Nebucadnezar, de machtige koning van Babel, zelfs in het land van den Nijl door te dringen. Dat Juda, hetwelk de partij van Farao had gekozen, nu ook door hem zou worden vernederd, spreekt als vanzelf.
Onder de eersten, die in ballingschap werden weggevoerd, behoorden een aantal jongelingen uit de aanzienlijkste geslachten van het huis van Juda. Het was des konings bedoeling, om deze jongelingen op te leiden in de Babylonische wijsheid. Hij zou een keuze doen uit hen, die het geschiktst werden geacht om voortaan Israël te regeeren in zijnen naam. 't Was wel listig bedacht door Nebucadnezar, om het Joodsche volk door zijn eigen zonen te laten onderdrukken.
Onder degenen, die toegelaten werden tot den driejarigen cursus, waarin ze tot de hoogste regeeringsambten werden bekwaamd, behoorden ook de vier godvreezende jongemannen : Daniël, Misaël, Hananja en Azarja.
Ge ziet wel, dat de namen, die ze dragen, ons onmiddellijk herinneren aan den naam van God of Heere. Maar ziet, nu zijn we al gekomen aan een punt, waar van eerbiediging van grenzen eigenlijk geen sprake meer is.
Is het reeds in strijd met alle recht en fatsoen, om de grenspalen van het kadaster zoó te verzetten, dat uw eigen akker wordt vergroot, maar die van uw buurman dientengevolge verkleind, er is een schenden van de grenslijnen, die nog veel gevaarlijker is. Ik bedoel het wegdoezelen van de grenzen op geestelijk terrein.
Wat deed men dan toch met de namen van deze jongelingen ? Wel, die werden allen veranderd. Ze kregen Babylonische namen, die herinneren moesten aan de macht van Babels afgoden. Hoe moet dit dezen Hebreeuwschen jongelingen diep hebben gekrenkt.
Maar dit was nog het ergste niet. Niet alleen, dat de jongelingen in de Babylonische wijsheid werden onderwezen, maar ze werden ook aan des konings tafel gespijzigd.
Als we dus nu bedenken, hoe goed deze jongelingen het hadden naar het vleesch, welke schoone ambten op hen lagen te wachten, dan zouden ze er toch zoo licht toe kunnen komen om nu de zaak van hun volk maar los te laten. Het scheen immers toch voor Israël een verloren zaak. De verdrukker Nebucadnezar was zoo machtig en Juda zoo krachteloos. Voor vleesch en bloed moet er een machtige bekoring op deze jongelingen zijn uitgegaan van al die heerlijkheid van Babel. Het moet er toch zoo mooi zijn geweest. Niet om niet heeft Nebukadnezar het zoo geprezen, toen hij de stad overzag vanaf het platte dak van zijn huis, het uitroepend : Dit is het groote Babel, wat ik heb gebouwd.
Wat zullen deze jongelingen doen ? Zullen ze aan des konings tafel van het vette der aarde genieten en Jeruzalem vergeten en de heilige wetten der vaderen met voeten vertreden? Of zullen ze eerbied hebben voor de goddelijke grenzen ?
O, gelukkig ! Er is bij deze jongelingen nog eerbied voor de vaderlijke inzettingen. Ze vreezen aan des konings tafel te eten. Bij de bereiding der spijzen kan immers telkens de wet van rein en onrein zijn overtreden. Met hun nood zijn deze jongelingen zeker naar den Heere gevlucht. Én de Heere beschaamt nimmer het geloof, hetwelk tot Hem de toevlucht neemt. Hij gaf het nu ook in hun hart om te doen wat goed was in Zijne oogen.
Ze gingen tot de dienaren des konings om het aan deze voor te stellen, dat ze van des konings tafel zouden wegblijven, om zich enkel te voeden met de vruchten des velds, met slechts een koele dronk waters er bij.
Ge kunt 't u indenken, dat des konings dienaren, hoewel ze Daniël en zijn vrienden beminden, bezwaren moesten te kennen geven.
Als na verloop van tijd eens bleek, dat de jongelingen, die aan 's konings tafel werden gevoed, er beter uit zouden zien dan zij, dan zou het toch op het hoofd van deze dienaren neerkomen.
Daniël gevoelt het bezwaar. Maar hij vraagt slechts, of men voor tien dagen de proef zou willen nemen door hen enkel te verstrekken van de vruchten des velds.
En ziet, de uitkomst was heerlijk. Na tien dagen moesten allen getuigen, dat deze Israëlietische mannen er eigenlijk nog veel beter, uitzagen dan al de anderen.
Nu kon het werk drie jaren lang op dezelfde manier voortgang hebben. Het geloof der jongelingen werd niet beschaamd. Aan het eind van den cursus bleek op het examen, dat ook Israels God hen met uitnemende wijsheid begiftigd had. Ze blonken uit boven al de anderen.
O, lezers en lezeressen, hier kunt ge zien, dat God de Heere zegent allen, die, schoon ze midden in een zondige wereld verkeeren, de grenzen van het goddelijke Woord willen eerbiedigen. De wereldlingen van die dagen hebben de jongelingen misschien wel voor dwazen gehouden, toen ze de kansen, hun door Babels koning gegeven, afgewezen hebben.
Maar o, als ze eens Jehova hadden vergeten en eens waren opgegaan in wereldgelijkvormigheid, aan 't eind van de loopbaan des levens komt nog een ernstiger onderzoek dan aan het eind van den driejarigen cursus in de Babylonische wijsheid.
Tegenover de heerlijkste gerechten van des konings tafel, aten de jongelingen slechts de eenvoudigste spijzen, bereid van de vruchten des velds. Tegenover al het bekoorlijke van deze wereld stelt God de genadegaven van het kruis van Golgotha.
En toch lezers, beklaag ze niet, degenen, die die onberouwelijke keuze doen. Ruth, Samuel en Timotheüs, en zoovele anderen, hebben er nooit geen spijt van gehad. En de dichter heeft er van gezongen:
't Is 't menschdom meerder waard Dan 't fijnste goud op aard.
En elders lezen we: Die Mij vindt, vindt het leven en trekt een welgevallen van den Heere.
Aan welken kant van de grenzen staat gij ? We worden allen geboren aan dien kant der grens, waar van nature niet met God en Zijn Woord wordt gerekend. We zijn immers allen in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft ons onze moeder ontvangen.
Alleen door waarachtige wedergeboorte komt men aan den anderen kant van de grens, in dat heerlijke gebied van het Koninkrijk Gods.
O, wat al lokstemmen Gods om den mensch nog te trekken uit den nacht der zonde tot Zijn wonderbaar licht.
Toch wandelen duizenden maar voort, alsof er geen grenzen zijn en alsof er geen dood en eeuwigheid aanstaande waren.
Maar, lezers, als gij door genade die grenzen hebt leeren kennen, ja, door genade uit het rijk van satan zijt overgebracht op de erve van Zijn heerlijk Koninkrijk, o blijf dan de grenzen eerbiedigen.
In uw kleed, in uw spraak, in uw handel en wandel openbare zich steeds de rijkdom, maar toch ook de eenvoud van Christus !
O, hebt toch de wereld niet lief!
Het gevaar van wereldgelijkvormigheid was groot voor de jongelingen in Babel, maar 't is in onzen tijd niet minder groot.
Velen bewegen zich ver van het middelpunt des kruises. Ze vragen: „Hoe ver kan ik gaan en toch nog binnen den kring der heilige erve blijven ? " Maar wie zoo spreken, mogen wel toezien. De gevaren van vervlakking der grenzen dreigen.
En daarom: Eerbiedigt toch de grenzen!
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's