STAAT EN MAATSCHAPPIJ
GEEN VOLDOENDE WAARBORG
Bij meer dan eene gelegenheid, nog onlangs bij de indiening van de aanhangige ontwerpen van wet tot wijziging van de Grondwet, hebben wij de aandacht gevestigd op de weinige zekerheid, welke de Kerken hebben, die inkomsten genieten van den Staat, ten opzichte van de uitbetaling der tractementen en pensioenen aan predikanten en andere titularissen, wanneer de leiding van 's Lands zaken in handen mocht komen van politieke partijen, die óf van de Religie niet willen weten, óf die aan de Kerken allerlei voorwaarden stellen, van welker inwilliging het dan zal afhangen, of uitkeering zal plaats hebben.
De Kerken meenen nu wel, dat de tractementen en de pensioenen van predikanten en andere leeraars in de Grondwet verankerd liggen, en dit is ook zoo, maar wat geeft de waarborg van de Grondwet bij partijen, die er geen been in zien om zelfs de Grondwet buiten dienst te stellen ?
Wij werden aan een en ander nogmaals herinnerd, toen wij dezer dagen kennis namen van de „Strafmaatregelen", die de Duitsche Regeering jegens de Kerken neemt door de Staatstoelage aan de Kerken geleidelijk te verminderen.
Naar de bladen melden, heeft Adolf Wagner, de Beiersche Minister van Onderwijs, te München een rede gehouden, waarbij hij heeft aangekondigd, dat de toelage van den Staat aan de Kerken geleidelijk zal worden verminderd.
De bladen schrijven van de rede van den Minister :
„De eenige georganiseerde macht, — zei Wagner — die op het oogenblik nog de eenheid van het Duitsche volk ondermijnen, zijn de kerken. Dit valt des te moeilijker te begrijpen, daar de kerken van den Staat afhankelijk zijn. Beieren zou dan ook het voorbeeld geven bij de verlaging van de toelagen.
In Beieren — zei de minister — ontvangen de kerken acht tot tien procent van de inkomstenbelastingen. Bovendien betaalt Beieren krachtens een bepaling in het Concordaat nog bepaalde sommen aan de Roomsch Katholieke en aan sommige Protestantsche gemeenten. Ook ontvangen de kerken nog aanzienlijke vrijwillige bedragen.
De houding van de kerken tegen den Staat is zoo geworden, dat de Staat niet langer de verantwoordelijkheid mag dragen, aan de kerken vrijwillige betalingen te doen. Deze uitkeering zal niet terstond worden gestaakt, doch voorloopig met een millioen mark worden verminderd. Het bespaarde bedrag zal worden besteed aan het bouwen van scholen.
Uit de rede van Wagner valt op te maken, dat dit voorbeeld van Beieren weldra door het rijk zal worden gevolgd.
Tot zoover het bericht.
Men leert er uit, dat zich omstandigheden kunnen voordoen — wat thans in Duitschland het geval is — dat de uitkeeringen, waarop de kerken krachtens Wet en Besluit kunnen aanspraak maken, bij den Staat niet altijd even veilig zijn.
Daarom blijft voor de kerken in ons land, die financieele betrekkingen met de Overheid onderhouden, de vraag aan de orde, of niet moet worden aangestuurd op losmaking van de zilveren koorde, d.w.z. of de kerken niet moeten aandringen op afrekening in dier voege, dat de rente, die in den vorm van tractementen en pensioenen wordt genoten, gekapitaliseerd aan de kerken worden uitgekeerd.
Daarvoor bestaat op dit oogenblik nog de gelegenheid.
Doch dan moet het initiatief van de kerken uitgaan. Deze hebben te zorgen, dat de gelden, welke aan de Kerk toebehooren, ook voor het nageslacht bewaard blijven.
EEN GELUKKIG VERSCHIJNSEL
Het blijkt met de bestrijding der werkloosheid gelukkig den goeden weg op te gaan.
Dit blijkt uit twee dingen.
In de eerste plaats uit het zwijgen der bladen, die anders gewoon zijn dag aan dag breed op te geven van de werkloosheid als gevolg van het wanbeleid der Regeering. Dit zwijgen spreekt thans boekdeelen.
En in de tweede plaats uit de cijfers, welke het Centraal Bureau voor de Statistiek maandelijks verstrekt betreffende het aantal geheel werkloozen, bij alle organen der openbare arbeidsbemiddeling als werkzoekenden ingeschreven.
Wat deze cijfers aangaat, zoo wordt door het Bureau bericht, dat ondanks de toeneming van de bevolking en het daarmede gepaard gaande nieuwe aanbod van arbeidskrachten, het aantal ingeschreven geheel werkloozen einde April 1937 rond 56.000 en einde Mei zelfs 64.300 minder bedroeg dan een jaar geleden.
De reeds in vorige maanden geconstateerde sterke daling van het aantal werkloozen (van Maart op April 1937 met 43.600) zette zich in Mei 1937 voort (van April op Mei 1937 met 31.200). Het vorige jaar was de vermindering van Maart op April en van April op Mei respectievelijk slechts 13.000 en 22.800. Ook in alle gemeentegroepen was de daling in 1937 grooter dan in 1936.
Het is een gelukkig verschijnsel, dat de opleving in het bedrijfsleven ook aan de werkloosheid ten goede komt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's