MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Daarop werd het lijk voorzichtig opgebeurd en vervolgens in den salon neergelegd. En de dominé merkte ook nu niet, wat er met hem gebeurde, en hij hoorde niet het klagend geschrei van. zijn trouwe dienstbode, en hij zag niet hoe zij een kussen van den divan nam, 't zelfde waar hij den vorigen middag nog op gerust had, om dat onder zijn hoofd te schuiven, dat mooie, blanke hoofd, met die grijzende krullen, maar hetwelk nu zoo langzamerhand van de doodskleur overtrokken werd. Hier kon hij zachter rusten dan daar buiten tusschen de bloemen, waar hij — vreeselijk! — gestorven was, zonder dat zij het wist, en zonder dat zij afscheid nemen kon. Maar de dominé wist van dat alles niets meer, want hij was wèg, heel ver wèg van hier, om nóóit weer terug te komen, neen nooit weer !
„Hoe kan dat nu, dokter !" kreet zij. — „Voor een uur was de dominé nog gezond en ging vroolijk naar buiten. Betje, wat is het heerlijk in den tuin, — zei hij, — en liep zoo de deur uit, zonder hoed, miet het doel, om snijbloemen voor de tafel te brengen.. En nu dood !"
„'t Kan vlug, Betje. De dood zit een mensch altijd op de hielen en niet één, die hem ontvluchten kan, " zei de dokter, terwijl hij naast het lijk stond. „Klaagde hij nooit ergens over ? " vroeg hij toen.
„Neen. Of ja, een enkele maal, dat de dominé zoo moe kon zijn en duizelig, maar dan ging hij een uurtje op den divan liggen en gewoonlijk was het dan weer in orde. Gisteravond heeft hij niet veel gebruikt, maar is laat naar bed gegaan, — 't zal zeker wel twaalf uur geweest zijn. En vanmorgen stond hij op gewonen tijd op, zonder over iets te klagen. Zooals ik u zeg, hij ging vroolijk naar buiten, terwijl ik de tafel dekte."
„Zeer waarschijnlijk een hartverlamming. Voor hem zélf een zacht en pijnloos heengaan, maar een schok voor zijn nabestaanden."
„Wat moet ik nu beginnen, ? " huilde weer en wrong radeloos de handen. Betje
„'t Beste zal zijn, dat de koster allereerst den meester en de ouderlingen die het dichtst bijwonen, vraagt, om even in de pastorie te komen ; dan kan worden overlegd, wat hier te doen, staat".
Intusschen verzamelde zich daar buiten steeds grooter menigte. Nog altijd bleef men onkundig van hetgeen bij den dominé voorgevallen was. Tot Betje er op eenmaal aan dacht, dat het volle licht naar binnen scheen, wat immers in een sterfkamer niet paste. Terstond liet zij nu de gordijnen zakken en sloot de luiken tot op een kier.
„Kijk, kijk!" klonk het buiten, „de gordijnen gaan neer ! Zou er met Betje iets wezen ? " Een ander merkte op, dat deze den laatsten tijd zoo dik werd. Maar daarvoor had zij in de pastorie dan ook een leventje als een prinses.
Toen de koster buiten kwam, om zich van zijn taak te kwijten, had hij in een oogenblik de gansche schare rondom zich. Wat er bij den dominé gaande was, vroeg men.
„Dood", klonk het kort.
„Wie, Betje? "
„Neen, de dominé zelf."
Eén kreet van verbazing ging door het publiek. Dan werd het even stil, als bij een begrafenis. Men had een oogenblik noodig, om te beseffen wat dat beteekende, dat de dominé dood was. Zoo iets had sinds menschenheugenis nog nooit in deze pastorie plaats gegrepen. Wél was men gewoon, dat de dominé dicht in de buurt van den dood verkeerde. Aan de ziekbedden, in de sterfkamers, en vanzelf, op begrafenissen. Dan had hij den vóórgang, vlak achter de lijkkist, nog vóór de familie. En op het kerkhof stond hij dan naast den doodgraver, bij het open graf. Maar dan ging hij met den stoet weer terug naar huis, als de plechtigheid was afgeloopen. 't Hoorde zoo bij zijn werk, omdat hij de dominé was.
Maar nu zèlf dood ? Zoo iets kon men zich niet indenken. Natuurlijk, het kón, en 't zou ook wel zoo zijn, de koster loog niet, en de dokter was nog binnen, en de gordijnen, ook in de andere vertrekken, werden alle neergelaten ten teeken van rouw. Doch men had altijd zoo het gevoel gehad, alsof de dominé zelf „buiten schot" bleef. Ongeveer zooals een generaal op het slagveld, wiens soldaten wel kunnen sneuvelen, soms bij heele secties, maar die zélf op veiligen afstand van de kogels staat, om vandaar te commandeeren en aan de strijders zijn bevelen te geven. Geleek de dominé niet op zoo'n generaal ? En nu dood ! Hij zelf getroffen als door een verraderlijk schot! Geheel onverwacht. Als in vredestijd.
Sommige vrouwen begonnen te schreien en Pierkje Tuttel kreeg het op de zenuwen, gelijk dat wel eens meer gebeurde in critieke oogenblikken of als dat zoo te pas kwam en anderen het zagen. En Klaske van Douwe draafde zoo hard zij loopen kon weg, om Gelske en vrouw Kalma en vooral Murk, die zich straks al gereed maakte, om te vertrekken, te vertellen, hoe vreeselijk het in de pastorie gesteld was. De dominé gestorven en dan nog niet eens op zijn bed, maar tusschen de bloemen in den tuin ! „O ! o ! o !" riep zij al maar door.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's