De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KOHLBRUGGE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KOHLBRUGGE

en de leer des heils

6 minuten leestijd

I.
In 1935 is er in Duitschland een boek verschenen van de hand van Th. Stiasny: „Die Theologie Kohlbrugges" (Elfried W. Brenger, Reformierter Verlag Düsseldorf). Hier wordt ons een overzicht gegeven van de leer van Kohlbrugge in drie hoofdstukken. Het eerste handelt over de Wet Gods (blz. 10—36) ; het tweede gaat over de verlossing door Christus (blz. 37—94).
Het derde hoofdstuk, dat handelt over het nieuwe leven, dankbaarheid en heiligmaking, met wat daarbij verder ter sprake moet komen, willen we hier overnemen, 't Is nogal kenmerkend Kohllbruggiaansch en het geeft tal van aanhalingen uit de werken van Kohlbrugge, zoodat hij feitelijk zelf aan het woord is.
Natuurlijk drukt ook hier het bezwaar, dat zelfs het werken met citaten éénzijdig is. Niemand is onbevooroordeeld. Ook Stiasny, de schrijver van dit boek, niet. Maar in elk geval kunnen we hier profiteer en van zijn belezenheid en dient hij ons met een uittreksel en kort overzicht van Kohlbrugge's leer des heils. 't Is genomen uit de voornaamste geschriften van Kohlbrugge.
We zullen bij vernieuwing zien, dat Kohlbrugge zoo z'n eigen manier van zeggen heeft. Een ander zegt het weer anders dan hij. Maar bij hem voelen we altijd zoo sterk, dat hij niets van het werk der verlossing in den mensch wil leggen, en dat hij altijd wil verdedigen, dat alles in Christus ligt, om dan in en door de oefening des geloofs te mogen belijden en beleven: „niets uit óns, maar alles uit Hem, zóó komen we in Jeruzalem". Vooral in de dagen, waarin Kohlbrugge leefde, was het vol van werkheiligheid bij den godsdienstigen mensch. Alleszins godsdienstig zijnde, werd het alles van den mensch verwacht en werd het den mensch als een last opgelegd, door het zelf-doen de Wet te vervullen. En dat heette dan, dat de mensch dat moest doen uit dankbaarheid, in meerdere of mindere mate geholpen door God. Hiertegen komt Kohlbrugge dan op, en hij houdt niet op, om telkens weer 't zelfde te zeggen, zij 't telkens met andere woorden, om te laten uitkomen, dat God alles doet en dat alles tot onze zaligheid, tot onze gerechtigheid en heiligheid, ligt in Christus, en dat het alleen goed is, als we daarvan, door het geloof, de verzekerdheid en de vertroosting hebben. Christus' werk is dan ons werk, Christus' gerechtigheid onze gerechtigheid, Christus' heiligheid onze heiligheid, en zoo wordt het vervuld : „geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden". Een ellendig mensch kan dan danken.
Het overzicht, dat Stiasny ons geeft in het derde hoofdstuk van zijn boek (blz. 97 —179) luidt dan aldus :
Kohlbrugge vermijdt liefst om boven „het derde deel" te zetten: „Van de dankbaarheid" (wat — zooals we weten — onze Heidelb. Catechismus wel doet!) Hij betitelt dit gedeelte liever met de woorden : „Dat God Zijn beloften aan mij vervult". Dat ligt heelemaal in de lijn van zijn theologie. Want bij 't opschrift „Van de dankbaarheid" zou men kunnen gaan denken, dat er nu iets komt, dat van den verlosten mensch verwacht wordt en dat de vrome mensch nu eens volbrengen zal. Maar dan kwamen we ten slotte weer onder een Wet, voor welker vervulling de verloste mensch dan heeft zorg te dragen. En wat moet daarvan terecht komen ? Immers alle kracht ontbreekt den mensch en ook de gerechtvaardigde zondaar moet bekennen : „mijn geweten klaagt mij aan, dat ik tegen alle geboden Gods zwaarlijk gezondigd heb en geen daarvan gehouden heb en nog altijd tot alle boosheid geneigd ben". (Catech., antw. 60) ? Als de gerechtigheid van Christus en de trouw Gods er niet was, zoo ware het verloren!
Hier moeten we dan ook recht leeren onderscheiden en tot klaarheid komen, 't Moet niet gaan om den werkenden mensch, maar om den alles vervullenden God, Die uit Christus neemt, in Wien al Gods beloften ja en amen zijn.
Volgens de Schrift is het de Heilige Geest, die het nieuwe leven schept en onderhoudt en de Geest verheerlijkt Christus in het hart en het leven van den mensch. De Heilige Geest, Die uit Christus neemt, is onze heiligmaking.
Als er in de 80ste vraag van den Catechismus staat : „Waarom moeten wij goede werken doen ? ", moeten wij het niet zóó verstaan, als zou in , , de leer der dankbaarheid aan de geloovigen en verlosten mensch een nieuwe wet, een nieuw moeten, opgelegd worden, dat de geloovige op een of andere manier zou moeten doen, houden en vervullen.
moeten" kan alleen de beteekenis hebben, dat wij dankbaar hebben te zijn en vruchten der dankbaarheid moeten voortbrengen; waarbij het er voor ons om gaat, dat God al Zijn beloften ook in dit stuk aan ons vervult; en dat wij worstelen, om de vervulling van die beloften aan ons of in ons; dankbaar zijnde, dat God dat, in Christus, doen wil en doen zal. 't Is niet de vrome mensch, die met dankbaarheid betaalt of verdient; 't moet niet zijn het „ik-Christendom" van den bekeerden mensch, maar het is God, Die het alles in ons moet werken en vervullen, wat wij in 't geloof dankbaar hebben te betrachten en vast te houden, Gode daarin de eere gevend. Hem eerend als een God, Die doen wil en doen zal, wat Hij heeft beloofd.
Kohlbrugge zegt aangaande deze zaak : „Wie is God dankbaar ? Een zondaresse waschte de voeten des Heeren en droogde ze af met haar haren". Die mensch is den Heere dankbaar, die het bekent, dat het hem onmogelijk is Gode ooit dankbaar te zijn met z'n eigen werken. Dan neemt hij de kelk der zaligheden en drinkt die uit en looft den Heere, zéggende dat Zijn goedheid geweldig over ons is en als een stroom over ons heen komt. Hij zegt dan niet, dat hij dankbaar is ; maar hij beschuldigt zich, dat hij ondankbaar is. Echter kan hij het den duivel, dood, zonde en wereld niet gewonnen geven, dat de Heere niet zijn God en Heiland is, Die hem van bloedschuld verlost en van den dood redt" (Verklaring van den Heidelb. Catechismus, blz. 151).
De dankbaarheid van den Christen is, dat hij het aangebodene mag aannemen en met vreugde mag genieten, waarbij Christus wordt grootgemaakt. De rechte dankbaarheid kan nooit zijn, dat ik God iets vergelden wil met werken, want dan stel ik mij als een grootheid naast God, als is het dan ook maar een zoo geringe grootheid. Dan zou de Christen worden een grootheid, met wien God als partner rekening zou moeten houden. Dan zou het zijn : God wat èn de mensch „uit dankbaarheid" óok wat! Dat kan echter nooit gebeuren. „Neen, daarin bestaat de ware dankbaarheid voor Gods aangezicht, dat wij gelooven in God, Die goddeloozen — en dus niet vrome menschen, maar goddeloozen — rechtvaardigt zonder de werken der wet, en dat wij ons dan voor zulk een naam van „goddelooze" niet schamen en het ook voor de menschen bekennen, dat wij tot niets wat heilig en goddelijk en volmaakt is, deugen; dat veeleer alles wat wij zijn, waarin wij leven en ons bewegen, alleen door Zijn genade als het heil des Geestes toekomt" (Licht und Recht, I, 70). Dat is leven door 't geloof. Zoo wordt de zondaar door 't geloof alleen zalig, zelf niets zijnde en Christus alles.
(Wordt voortgezet.)
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KOHLBRUGGE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's