De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

NA HET AVONDMAAL.

10 minuten leestijd

Al Uwe werken, Helere, zullen U loven en Uwe gunst genoot en zullen U zegenen. Psalm 145 : 10.

De dichter, die dit woord zingt, is een geloovige: d.w.z. hij staat onder de genadige leiding van den Heiligen Geest. Met het oog des geloofs ziet hij de werken des Heeren. Hij ziet ze overal. In de natuur. De bergen en dalen, de bruisende rivieren, de zingende zeeën, de planten, de dieren, de menschen : is het niet alles voortgekomen uit de hand van dien God, die hemel en aarde gemaakt heeft ?
Ja, wie den Heere kent, moet ook oog hebben voor des Heeren werk. Die knielt aanbiddend neer voor dien grooten God, die de dingen roept alsof zij waren, voor Hem, die Zijn opperzalen zoldert in de wateren. Die van de wolken Zijn wagen maakt. Die op de vleugelen des winds wandelt (Psalm 104). Dat is genade, want het schepsel, dat geroepen werd den Heere om Zijn werken te loven — de mensch — neen, hij looft van zichzelf niet, hij zwijgt, hij heeft zijn God verlaten en vergeten, zoekt zijn eigen lust en eigen eer, brak de band met God en de band met den naaste en — ligt het niet in dezelfde lijn ? — de band met alle schepselen Gods.
Niet in Gods licht, maar in eigen licht en naar eigen belang wordt de schepping geschouwd. Dat is zonde, onteering Gods. Maar zie, David staat in het geloof. En in dat geloof mag hij weten: God komt aan Zijn eer.
Het einde aller dingen zal niet zijn de triomf der zonde, maar de lof aan God. Hij schiep niet vergeefs. En al heeft het kroonjuweel der schepping, de mensch, alles, alles bedorven; Gods plan wordt volvoerd, en het zal worden, wat er staat in onzen tekst : Al Uwe werken, Heere, zullen U loven. Al zwijgt de mensch, de wérken loven den Schepper : de dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.
Het woord loven in onzen tekst zegt eigenlijk : belijden, er voor uitkomen, er van spreken, Wiens men is. Verstaat gij het ? De mensch zwijgt, maar de hemelen vertellen Gods eer. De mensch heeft het eeren verleerd, maar de aarde en haar volheid zeggen. Wiens zij zijn, prediken de macht, de wijsheid, de grootheid van Isrels eeuwigen God!
Welgelukzalig de mensch, die veranderd door den Heiligen Geest, met de Schepping den Schepper verheerlijken mag. Maar dan ook rampzalig de mensch, die voortgaat op eigen weg, den weg der Godverzaking : hij is op weg naar dien Rechter, dien God, die Zijn eer aan geen ander geeft.
Al Uwe werken, Heere, zullen U loven. Wijst dit Woord ons op de werken Gods in het rijk der natuur, wij mogen ongetwijfeld de lijn doortrekken tot het rijk der genade.
In de natuur zijn groote werken Gods. Ja, maar in de genade niet minder.
Denk aan de Oud-Testamentische profetie, aan den priesterdienst, aan besnijdenis en Pascha. Straks wordt dat alles vervuld in den Zoon : God heeft in den mensch, in den Godonteerenden mensch, in den gevallen en in de zonde volhardenden mensch behagen. God geeft in zoo'n wereld, onder zulke menschen den Zoon. Zijn eigen Zoon !
Is het niet wonderlijk ? Wij vierden het Heilig Avondmaal. Is het door menschen gemaakt ? Och, dan zou het weinig beteekenen; maar neen: het is een gave van onzen eenigen Hoogepriester, die het Zelf heeft ingesteld: doet dat tot Mijne gedachtenis.
Zijn dit geen werken Gods ? Maar al gaat de natuurlijke mensch ook zelfs deze werken voorbij, de werken zelve zullen er nochtans van spreken. Wiens zij zijn.
Eenmaal zal het blijken, volkomen : dit alles is van den Heere geschied. Welgelukzalig dan de mensch, die veranderd door den Heiligen Geest, met deze werken van Gods genade ook zelve den Heere verheerlijken mag !
Maar dan ook rampzalig de mensch, die zelfs onder deze werken nochtans voortgaat op zijn eigen weg, den weg der Godverzaking, hij is op weg naar dien Rechter en God, die Zijn eer aan geen ander geeft.
Het was Avondmaal. Gebroken brood en vergoten wijn prediken, toonen het werk des Heeren in Christus Jezus ; ja, dit Sacrament, een werk Gods, een gave Gods, verheerlijkt, looft den Heere.
Is het ook bij U, Avondmaalsganger, gekomen tot dat loven Gods, tot het belijden van Zijn Naam, tot de erkentenis van Zijn heerlijkheid ? Daar komt het op aan!
Werd het ons niet voorgehouden: Verkondigt den dood des Heeren?
Buig dan Uwe knieën voor God, vraag Hèm, wat U ontbreekt, opdat ge door Zijn genade moogt zingen : Wat zal ik met Gods gunsten overlaan, dien trouwen Heer voor Zijn gena vergelden?
Zie, dan wordt 't, wat onze tekst zegt: al Uwe werken, Heere, zullen U loven, en Uwe gunstgenooten zullen U zegenen.
Uwe gunstgenooten. Dezen zullen den Heere prijzen. Niemand, niemand zal U zegenen, dat had er kunnen staan; want zoo is het leven der zonde, zóó hebben wij 't gezocht en zóó ook verdiend. Maar nu wordt het tóch: Zegenen, tóch : lof en prijs, ook onder de menschen, want Gods gunstgenooten zullen Hem zegenen. Ja, 't is een wonder. God heeft Zich een gemeente verkoren tot het eeuwige leven, het zijn Zijn gunstgenooten. Zij zegenen Hem. Zij prijzen Zijn Naam.
Maar niet àllen zullen den Heere prijzen. Het is de ontroerende prediking der Schrift, dat er twee wegen zijn, dat er tweeërlei leven is en tweeërlei sterven en tweeërlei eeuwigheid. Wie voortgaat op eigen weg, wie aan zichzelf genoeg heeft, wie niet veranderd wordt van hart en leven, die blijft in zijn zonde ; zijn weg is de breede weg, zijn sterven zal omkomen zijn, zijn eeuwigheid rampzalig. Is het dan niet vreeselijk, indien gij nog zonder Christus door het leven gaat ? Misschien wèl onder de prediking, misschien wel aan de tafel des Heeren, maar nog altijd zonder hoop op Christus en zonder gemeenschap met Hem, den eenigen Heiland? Ga toch niet voort op dezen weg. Ons leven kan zoo spoedig worden afgesneden. Hebben wij dan geen roepstemmen genoeg ?
Onze tekst zegt: het kan anders. Ja, er zijn gunstgenooten. Er is een volk, welks God de Heere is. God heeft een weg gebaand, waarop ook gij kunt behouden worden. Is dat geen wonderlijke genade ? Rust dan niet, voor ook gij in het geloof moogt zien op de gunst, de genade van den barmhartigen God, die Hij ook ons belooft en verzegelt.
Uwe gunstgenooten zullen U zegenen.
Dat staat in Psalm 145. Ja, het Israëli­tisch volk mocht staan in het midden der volken, door de gunst des Heeren.
Het was Zijn trouw. Zij hadden Hem niet verkoren, Hij had Zijn volk verkoren. Maar, nu komt 't er op aan, voor iederen Israëliet, om uit die gunst te leven. Dan pas worden zij gunstgenoot. Was dat noodig voor den Israëliet, het is niet minder noodig voor ons. De Heere omringt ons met Zijn gunst. Denk aan de Schrift, aan de prediking, aan het Sacrament; denk er aan, hoe dit alles heenwijst naar Hem, die de verlossing verwierf.
Is dat alles niet gunst; is dat alles niet van God uitgegaan; was en is het niet de vrije gunst, waarvan wij zingen : die eeuwig Hem bewoog ? Maar waar komt het nu op aan ? Dat wij gunstgenooten zijn, dat wij in die gunst mogen déélen, dat wij ook persoonlijk uit die gunst mogen leven.
Zie, dat is het nu : ons natuurlijk h^-rt wil leven uit eigen kracht en uit de kracht der wereld. Deze vermelden van wagens en die van paarden. Of God al gaven geeft in algemeene of bijzondere genade, ons natuurlijk hart gaat den Gever voorbij.
Daarom is 't noodig, dat wij veranderd worden en vernieuwd. Neen, dat kunt ge niet zélf doen, maar dat hoeft ge ook niet: de Vader en de Zoon zonden den Geest der herschepping, door Christus verworven!
Misschien zegt gij : ja, maar dat alles is mijn deel nog niet. Wel hoop ik, wel wacht ik, maar het deelen in de genade, het leven uit Gods gunst, dat alles is mij te groot.
Maar, zijt gij dan den disch vergeten? Weet ge dan niet, dat juist deze disch er is, opdat gij van twijfel tot vastheid zoudt komen, van hoop tot zekerheid ? Ja, indien gij hopend op Christus' genade als de eenige verlossing van Uw zonde en ellende, zijt toegetreden en nu weer weifelt, dan moogt gij wel luisteren naar de ernstige vraag : Waar is God, op Wien gij bouwdet en aan Wien g' Uw zaak vertrouwdet? Ja, dan moogt ge uzelf wel beschuldigen van kleingeloof, om in ernst, en verootmoediging te bidden : o Heere, doe mij niet naar mijn kleingeloof, maar vermeerder mijn geloof, opdat ik almeer in Uw beloften ruste en verstaan mag, dat het slechts zóó kan worden: leven in nieuwigheid des levens, déélen in Uw gunst !
Deelen in Gods gunst, dat wordt ook: déélen in de lofprijzing Gods. Zullen Gods wérken Hem eeren, in die lof zullen ook samenzingen de gunstgenooten, de deelgenooten in 't heil, door Hem bereid.
Uwe gunstgenooten zullen U zegenen, 't Zal gaan, niet om henzelf, maar om God. 't Zal eindigen in het prijzen van Zijn drie-eenigen Naam!
Wat is dat wonderlijk. Want ook de gunstgenooten zijn zondaars ; hebben God verlaten, en verlaten Hem lederen dag, maar zie, de Heere roept en vervult Zijn belofte en verandert en vernieuwt en zóó wordt het leven en loven!
Het is alles genade. Ja, daarbij bepaalde de tafel des Nieuwen Verbonds. Christus dééd het, en volkomen!
Denk dan nooit er te komen door het Uwe. Ons werk verlost ons niet, het is Christus' werk. En nog eens, tot dat werk behoort óók het verwerven van den Geest, van Hem, die ons verandert en vernieuwt tot het beeld van God!
Uwe gunstgenooten zullen U zegenen. Gunstgenooten moeten wij zijn. Daarin is het leven, zonder dat is er oordeel en eeuwige duisternis. Zijn wij dan gunstgenooten ?
Deelen wij dan in de gunst des Heeren, gegeven in Christus, beloofd in de prediking, verzegeld in de Heilige Sacramenten ? Het is een persoonlijke zaak. Onderzoek U dan persoonlijk bij het licht des Woords. Zou God vergeefs aan U hebben gepredikt, zou Hij vergeefs ook nu weer de tafel hebben doen aanrichten ? Hij belooft Zijn genade. Zijn belofte gaat ook uit tot u, stel dan niet uit, maar zoek in dit heden der genade wat tot Uw zaligheid dient.
Uwe gunstgenooten zullen U zegenen. Wie aan mocht zitten in schuld, maar ook in de hope op Christus, ja, die was deelgenoot aan den disch, maar zóó moogt ge de vaste hoop hebben ook te zijn en al meer U te weten : gunstgenoot Gods. Laat het zóó dan worden : gezegenden Gods. Laat het zóó dan worden in Uw woord en Uw leven :
Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen.
Men loov' Hem vroeg en spa. De wereld hoor' en volg mijn zangen , Mét Amen, Amen na.
G.

V. Grieken

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's