De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

23 minuten leestijd

DE BIJBEL OP DE OPENBARE SCHOOL,
In „De Christenvrouw", het Orgaan van den Ned. Christen Vrouwenbond, schreef onlangs (Sept. '36) drs. D. Langedijk, leeraar in geschiedenis aan een Chr. H.B.S., te Den Haag, over dit „brandende" vraagstuk een artikel, dat we hier gaarne overnemen:
„Er is in den laatsten tijd heel wat te doen geweest over de vraag, of het niet wenschelijk zou zijn, dat op de openbare school uit den Bijbel werd verteld. En nog zijn de stemmen, die zich over deze zaak deden hooren, niet verstomd.
Om een inzicht tè geven in den stand dezer kwestie, willen we in dit artikel uiteenzetten, wat zij inhoudt en hoe deze nieuwe ideeën werden ontvangen.
Nieuwe ideeën zijn het eigenlijk niet, want ze werden reeds naar voren gebracht ongeveer tachtig jaar geleden. Dat was na de aanneming van de schoolwet van 1857. Toen werd er bepaald, dat de openbare school neutraal moest zijn, dat zij voortaan een godsdienstloos karakter moest dragen. Dit nu stuitte velen tegen de borst. Want er waren nog tal van lieden, die er groote waarde aan hechtten, dat de kinderen op de openbare school de geschiedenissen uit den Bijbel zouden hooren. Zij voelden nog de beteekenis van een godsdienstige opvoeding.
Maar de wet verbood het en zoo kwam het, dat, mede onder den invloed van het opkomende modernisme, de openbare school, wat haar nog restte van haar Christelijk karakter, geheel en al verloor.
Zoo groeide een gedeelte van het Nederlandsche volk op, zonder dat het ook maar in een enkel opzicht met den Bijbel in aanraking kwam. Ontstellend werd dan ook het gebrek aan Bijbelkennis onder de leerlingen van de openbare school. Enkele voorbeelden mogen dienen ter illustratie. ^) „Uit een klasse van 30, een 7de klas van een school voor voortgezet onderwijs, bleken slechts 6 wel eens van de geschiedenis van Adam en Eva gehoord te hebben. In een U.L.O.-klasse bleken 27 leerlingen in een les voor het eerst de geschiedenis van het leven, werken, lijden en sterven van Christus uit den mond van hun onderwijzer te hooren. Een rector van een lyceum deelt mee, dat de helft van zijn leerlingen bij een bezoek aan de H. Landstichting totaal onkundig blijkt van de bijbelsche gebeurtenissen. Een derde jaars-student verklaart voor het eerst van zijn leven een Bijbel in handen te hebben. Een jongeman, die eindexamen H. B. S. doet, informeert of Jezus den geheelen Bijbel geschreven heeft. Een ander meent te weten, dat Gethsémané de naam is van een figuur uit de Carthaagsche mythologie. En volwassenen belijden : „wij weten er zoo goed als niets meer van".
Wanneer zelfs „Het Volk" een artikel plaatst : , Ontstellend gemis aan bijbelkennis kan niet ontkend worden", dan moet in dit opzicht de nood wel heel hoog gestegen zijn.
Geen wonder, dat dit verschijnsel de aandacht trok van hen, die de waarde van den Bijbel nog erkenden. In dit verband moeten we noemen den heer G. van Veen, adj. directeur van het Nuts-seminarium voor paedagogiek te Amsterdam.
Reeds in 1915 voerde hij een pleidooi voor onderwijs in Bijbelkennis op de openbare school. Maar zijn stem werd niet gehoord. In 1925 herhaalde hij zijn pogingen en sprak er over op de conferentie voor het geschiedenisonderwijs. Ook dit had geen succes.
En nu, tien jaar later, laat hij opnieuw zijn waarschuwend geluid hooren. De aanleiding daarvan vond hij in een enquête over dit onderwerp van de Vereeniging „Volksonderwijs", gehouden in den zomer van 1935. Een vragenlijst was bij de leden rondgezonden en slechts 4% antwoordde, 't Gaf wel blijk van minimale belangstelling. En toch — niet lang duurde het, of de kwestie werd in allerlei linksche bladen besproken. Het regende daar ingezonden stukken. Voor den heer Van Veen was nu wel 't gunstige oogenblik aangebroken, om opnieuw zijn stem te doen hooren. Niet alleen schreef hij artikelen over deze kwestie, maar ook op éen studieconferentie, van 14-16 April. 1.1. te Amersfoort gehouden, kwam hij, met verschillende andere personen, aan het woord. Hij behandelde daar: „De huidige stand der discussie".
We willen luisteren naar wat hij op genoemde vergadering heeft gezegd, vooral omdat hij beschouwd kan worden als iemand, die een richting vertegenwoordigt onder de mannen van het openbaar onderwijs.
De eerste vraag, die hij beantwoordde, was: Waarom moet er op de openbare school Bijbelkennis worden aangebracht?
Op den voorgrond moet geplaatst worden, dat Van Veen de neutraliteit op de openbare school wil handhaven, maar, zegt hij, „de kinderen zonder de kennis van den Bijbel te laten opgroeien, is geen neutraliteit, beteekent positie kiezen tegenover de grondslagen onzer cultuur, met alle gevolgen van dien".
Van Veen verschilt in opvatting van den Bijbel van hen, die na 1857 dit Boek op de openbare school wilden invoeren. Zij stelden prijs op een godsdienstige vorming. Van Veen wil den Bijbel gebruiken, om de kinderen verstandelijke begrippen aan te brengen, die zij noodig hebben, willen zij de beschaving kunnen begrijpen en waardeeren. Voor hem is de Bijbel cultuurobject. Want, zonder kennis van de geschiedenissen uit den Bijbel is het niet mogelijk de literatuur te verstaan. De gedichten van Vondel en Da Costa, grootmeesters in onze letterkunde, kunnen zonder Bijbelkennis niet worden genoten. Ook schilderstukken, als van Rembrandt, liggen dan buiten de bevatting. En hoe zou men eenig begrip van de Mattheüspassion van Baïh kunnen krijgen, als men de geschiedenis van het lijden des Heeren niet kende?
Daarom wil Van Veen die geschiedenissen aan de kinderen meedeelen, waarin personen voorkomen, die ieder welopgevoed mensch mag verondersteld worden te kennen. Dan zal een onkundè, als waarvan boven is gesproken, practisch weinig meer voorkomen.
Toch wees de spreker ter conferentie ook op de waarde van den Bijbel voor de zedelijke opvoeding : „De Bijbel geeft zulk een rijke galerij van levensechte figuren en ook methodisch is het beeldende denken, dat een beroep doet op de intuïtie, zoo superieur, dat de belangstelling in den Bijbel nieuwe perspectieven opent voor de volksopvoeding".
Een andere vraag, die hij stelde, was: „Wie zal de Bijbelkennis onderwijzen? "
Niet de predikant, want vele ouders zouden het niet prettig vinden, als deze als vakonderwijzer de school betrad. Zou het niet den indruk maken, alsof hij de kinderen wilde verlokken zich later bij zijn kerk aan te sluiten? En daarbij — hoeveel predikanten zouden er wel les moeten geven in een stad, waar het godsdienstig leven in zooveel richtingen uiteenvalt!
Ook om paedagogische redenen zijn de predikanten niet gewenscht. Er zullen moeilijkheden komen met de orde, omdat de paedagogische positie van zulk een vakonderwijzer uit den aard der zaak zwak is. Neen, de man, die het onderwijs in Bijbelkennis moet geven, is de onderwijzer. Nu gaf Van Veen toe, dat de kennis van den Bijbel bij den openbaren onderwijzer wel wat te wenschen overlaat, maar hij zou cursussen willen oprichten waar predikanten leiding gaven, om in dit gebrek te voorzien.
Hij twijfelt er niet aan, of er zal bij de onderwijzers voldoende belangstelling zijn, èn voor deze opleiding èn voor het onderwijs geven. Of Van Veen hier niet een te optimistische kijk heeft?
De derde vraag, die naar voren dringt, is: Hoe zal het onderwijs gegeven worden?
Uitgesloten is het, dat de Bijbel op de openbare school zou worden ingehaald met het doel proselieten te maken voor een godsdienstige richting, voor 't Christendom. Neen, de Bijbelsche stof moet worden verteld, zonder er iets bij te voegen, zonder eenige verklaring, zonder eenige uitlegging. Wel moet de onderwijzer haar verhalen in zijn eigen woorden, maar zoo, dat de kinderen niet bemerken, of hij, die les geeft, zijn eigen vertelling gelooft of niet. Hij moet zijn eigen standpunt volkomen verzwijgen. Zelfs mag hij de vragen, die in het kinderhart over deze les oprijzen, niet beantwoorden, maar hij zal de leerlingen hiervoor verwijzen naar hun predikant. Op school hebben de kinderen alleen te luisteren.
Wij veroorloven ons hier de opmerking, dat dit, uit een paedagogisch opzicht gezien, wel een heel ongelukkige verhouding schept tusschen onderwijzer en leerlingen.
De laatste vraag, die Van Veen beantwoordde, was : Hoe moeten deze dingen zich in de praktijk oplossen?
Hij zou er bezwaar tegen hebben, wanneer men zou trachten dit onderwijs, als een apart leervak, in artikel 2 van de wet op te nemen. Want hij voorziet wel, dat dan het verzet zou losbreken en het beoogde doel zou verder verwijderd zijn dan ooit.
Er is evenwel een andere weg, n.l. die volgens artikel 26 van de wet. Zelfs noemt hij die „een natuurlijke oplossing".
Dit artikel houdt in, dat godsdienstonderwijs gegeven mag worden aan de kinderen der openbare school in de lokalen, op bepaalde uren. Wie bezwaar heeft zijn kinderen hieraan te laten deelnemen, is niet verplicht ze te zenden.
De wet stelt deze gelegenheid open voor de predikanten, om godsdienstonderwijs te geven, maar ook voor onderwijzers, die vanwege een daartoe opgerichte onderwijzersvereeniging, het recht hebben verkregen deze lessen te geven.
Er zijn reeds plaatsen, zooals Nunspeet, Amersfoort en Haarlem, waar dit artikel 26 door onderwijzers wordt toegepast.
We vragen ons nu af, hoe deze ideeën van den heer Van Veen door de voorstanders van de openbare school zijn ontvangen.
Natuurlijk heeft hij zijn medestanders, en onder de openbare onderwijzers zullen er nog wel verscheidene zijn van dezelfde mentaliteit als de heer Van Veen, die er geen bezwaar tegen hebben Bijbelsche geschiedenissen als stof voor algemeene ontwikkeling op hun school in te voeren. Zoo staan het hoofdbestuur van het Ned. Onderwijzers Genootschap en de redactie van het orgaan dezer vereeniging: Het Schoolblad, aan zijn kant. Dit wil natuurlijk heelemaal niet zeggen, dat alle leden, of zelfs maar het grootste deel er van, het met de opvattingen van Van Veen eens is. Wilde men hierover zekerheid, dan zou een enquête dit moeten uitwijzen.
Dat de Vereeniging van Christelijke onderwijzers aan openbare scholen (CV.O.O.) met Van Veen's ideeën accoord gaat, ligt voor de hand. Zij hoopt nog altijd op christianisatie van de openbare school en het onderwijs in de Bijbelsche geschiedenis ziet zij als een stap in deze richting. Vandaar ook, dat mannen als dr. Kromsigt, dit standpunt verdedigen. In het blad „De Gereformeerde Kerk" geeft deze predikant bij herhaling van zijn opvatting blijk.
Prof. Kohnstamm, die ook op de conferentie sprak, en ook de openbare school beschouwt als de meest wenschelijke voor de kinderen van ons volk, zag de oplossing door toepassing van artikel 26.
Dat de ideeën van Van Veen weinig instemming vonden bij den Bond van openbare onderwijzers, laat zich verstaan. Want deze vereeniging is sterk socialistisch gekleurd. Vandaar dat zij de politieke, zoowel als de religieuse neutraliteit wil handhaven en zij acht de laatste in gevaar, wanneer Bijbelsche verhalen op de school worden ingevoerd. Zeker niet ten onrechte. Want ook al zou het mogelijk zijn, dat de onderwijzer objectief de Bijbelstof vertelde, de kinderen zijn niet objectief. Zij zullen de waarheid er van gelooven en zoodoende een levensbeschouwing krijgen, die door de ouders niet gewild is. Deze opvatting van De Bode kunnen wij onderschrijven.
We hebben tot nu toe de voorstanders der openbare school aan het woord gelaten, maar ook die van het bijzonder onderwijs interesseerden zich voor de kwestie. We kunnen hier eveneens twee groepen onderscheiden : Zij, die sympathiseeren met de ideeën van Van Veen en zij, die er afwijzend tegenover staan.
Beginnen we met de eersten.
In het begin van dit jaar schreef de heer Van Wijlen verscheidene stukken in „De School met den Bijbel", waarin hij zijn ingenomenheid betuigde met het plan van Van Veen. Toch was er wel verschil tusschen beiden. Want het was Van Wijlen er om te doen door den Bijbel het Evangelie der zaligheid aan de kinderen der openbare school bekend te maken. Hij was begaan met de 30% van de kinderen van ons volk, die opgroeien, zonder dat zij ooit de Blijde Boodschap hebben vernomen. Daarom raadde hij Van Veen aan de proef te beginnen op de basis van artikel 26 van de L.O.-wet.
Anders dan Van Wijlen, maar toch aan den kant van Van Veen, staat de heer Ornée tegenover de kwestie. Deze schreef er over in het nummer van 30 Juli 1.1. van het Christelijk Middelbaar Onderwijs, naar aanleiding van het streven van sommige directeuren van openbare H.B.S.en, die hetzelfde bij het M.O. wenschen als Van Veen bij het lager. Ornée kan zich geheel vinden in de gedachtengang van den laatste, dat nml. de leerlingen der openbare scholen de Bijbel moeten gebruiken als cultuurobject. Immers hij zegt: „Voor mij gaat het hier om 't wegnemen van een lacune, om een poging om de meesterwerken van de literatuur, verschillende tijdvakken van de geschiedenis en de cultureele ontwikkeling der volken te begrijpen. 2)
Onder de voorstanders van bijzonder Christelijk onderwijs zijn er evenwel ook, die andere opvattingen naar voren brachten en die het heelemaal niet eens zijn met wat Van Veen c.s. wenschen.
Zeker — zegt De Standaard — we zijn niet tegen het gebruik van den Bijbel op de openbare school, mits die beschouwd wordt als Gods Woord. Dat is echter een onmogelijkheid.
In 't Correspondentieblad der Vereeniging van Chr. Onderwijzers kwamen verschillende artikelen voor van de hand van den heer 't Hooft, die denzelfden geest ademden, terwijl in de School met den Bijbel door mij een opvatting verdedigd is, die inging tegen de uiteenzetting van Van Wijlen.
Ik heb getracht in groote trekken den stand der kwestie weer te geven, zooals ze op dit oogenblik is.
We vragen ons nu af, welke houding hebben wij er tegenover aan te nemen. Voorop stellen we, dat er in de discussie een zekere begripsverwarring niet is te ontkennen. Niet altijd is scherp onderscheid gemaakt tusschen onderwijs van den geheelen Bijbel, van uitgezochte Bijbelsche verhalen en van godsdienstonderwijs.
We willen deze drie gevallen nader bezien.
Wanneer men zegt, dat men den Bijbel op de openbare school verlangt, dan houdt dit eigenlijk in, dat de geheele Bijbel bedoeld wordt, zoowel het leerstellig als het historisch gedeelte, 't Is Groen van Prinsterer geweest, die vóór 1857 dit standpunt verdedigd heeft. Maar — en vergeten we dit niet — dan moest de Bijbel ook beschouwd worden als Gods Woord en moest hieruit het Evangelie der zaligheid aan de kinderen worden medegedeeld.
Nu ligt het voor de hand, dat op de openbare school van thans, de Bijbel zóó niet kan en mag worden ingevoerd. Want de wet eischt, dat het onderwijs op deze inrichting neutraal zal zijn, dat niemand in zijn godsdienstige gevoelens geërgerd wordt. Zóó onderwijs te geven over de stof van den Bijbel is een onmogelijkheid. Want niemand kan hier neutraal tegenover staan en daarom kan ook niemand haar objectief behandelen. Men gelooft den Bijbel of men gelooft hem niet, en dus is men verplicht partij te kiezen. En omdat dit op de openbare school niet mag, is het een onvervulbare wensch om den geheelen Bijbel in die school in te voeren.
Nauw sluit zich hierbij aan het begrip : godsdienstonderwijs op de openbare school. Dit houdt in, dat les gegeven wordt in de beginselen van een bepaalde kerkelijke richting, die men als de juiste aandient. Het doel is dan de kinderen te bewerken, dat ook zij dien godsdienst zullen aannemen en er naar zullen leven. We zagen reeds, dat dit, met de wet in de hand, op de openbare school ongeoorloofd is.
We komen nu tot de derde opvatting (en dit is die van Van Veen c.s.) n.l. het vertellen van Bijbelsche verhalen, die zijn uitgezocht. Men neemt alleen die, welke men noodig heeft en geschikt zijn om de algemeene ontwikkeling te bevorderen. Dit zou kunnen worden verteld in een apart lesuur. Maar we zagen boven reeds, dat er dan, met reden, verzet te verwachten zou zijn. Ook kan het occasioneel worden behandeld, wanneer de gelegenheid zich daartoe ongezocht aanbiedt.
Nu is de vraag, of wij dit gebruik van den Bijbel (zij het ook een gedeelte er van) moeten bevorderen.
Naar mijn opvatting zijn hier groote bezwaren aan verbonden, die ik reeds in De School met den Bijbel van 23 Jan. 1.1. heb uiteengezet, en die ik hier in 't kort wil aangeven.
Voor de openbare onderwijzers (de gunstige uitzonderingen daargelaten) is de Bijbel een boek als alle andere en zijn de verhalen daarin verdichtsel en mythe. Het geloof aan wonderen is voor hen absurd.
Hoe zullen zulke onderwijzers de Bijbelstof objectief behandelen?
Dat is een onmogelijkheid.
Een ander bezwaar is, dat deze verhalen alleen moeten dienen om de algemeene ontwikkeling te bevorderen. We mogen dit resultaat van het Bijbelgebruik als bijkomstigheid dankbaar aanvaarden, daarvoor heeft God deze verhalen echter niet doen opteekenen en naar den wil van Hem is het, wanneer de Schrift onderzocht wordt, dit gedaan zal worden omdat die ons wijs kan maken ter zaligheid.
We wezen reeds op een ander bezwaar, n.l. dat de kinderen geen antwoord op hun vragen krijgen, maar met een kluitje in het riet gestuurd worden.
Deze bezwaren vind ik zoó overwegend, dat ik zulk gebruik van de Bijbelsche geschiedenissen op de openbare school niet graag zou willen bevorderen.
En toch — al die bezwaren zouden kunnen worden ondervangen, als men den weg opging van artikel 26. Dan mag de predikant of onderwijzer den geheelen Bijbel behandelen, mag hij godsdienstonderwijs geven, behoeft hij niet neutraal te zijn — alleen, hij bereikt niet alle leerlingen, want het bijwonen van deze lessen is niet verplicht.
Hier heeft de Kerk een taak. Als positief Christelijke personen worden aangewezen om hier evangelisatiewerk te verrichten onder de jeugd, die anders van God niet hoort, dan zou hier vruchtbaar werk kunnen worden gedaan. En dit is bij de wet geoorloofd. Alle andere wegen zijn of in strijd met de wet óf voor ons niet te aanvaarden.

DE ÈÈNHEIDSBEWEGING EN HAAR BEGRENZING
Te midden van de verscheurdheid gaat de roep uit naar meer éénheid. De verdeeldheid is ook wel héél groot en heel pijnlijk en heel — zondig dikwijls. Die bij elkaar hooren, staan niet zelden tegenover elkaar als „leeuwen en beren" — en dat zijn onredelijke dieren, die geen verstand en geen geweten hebben, maar wij zijn menschen.
Gelukkig dat er nu en dan, hier en daar, bezinning komt ; dat men zich rekenschap van deze dingen geeft; dat men voor de vraag zich gesteld weet, of het goed is om in haat en nijd voort te leven. Wanneer men niet tot zichzelf komt, om z'n zonde en schuld te belijden voor God en voor elkander, zal er geen genezing zijn.
Toch is het goed, om ook bij de „eenheidsbeweging", die er hier en daar is, zelfs over heel de wereld, met name onder de gansche Christenheid van alle landen — de oecumenische beweging — acht te geven op de grondbeginselen, die hier achter zitten.
Wil men het met elkaar eens worden ? En is dat het hoogste, dat ik het met een ander, en dat een ander het met mij eens is ? Of is er een hóóger princiep, dat allereerst aan de orde moet worden gesteld en onder de aandacht moet worden genomen ?
Gaat het niet allereerst om de vraag — 't zij met eerbied gezegd — of wij het met God eens zijn en God het eens is met ons ? En wat God van ons vraagt en van ons eischt, weten we uit Gods Heilig Woord, waarin de Heilige Geest, Die den zin Gods onderzoekt en kent, ons den wil Gods in deze heeft geopenbaard. We weten het uit den mond van Jezus Christus, Die de weg, de waarheid en het leven is.
Een éénheid met elkander, als menschen onderling, die in strijd zou zijn met 't Woord, met Gods Waarheid, met Gods wil en Wet, zou „verboden waar" zijn, en eer tegen ons dan voor ons getuigen.
Natuurlijk zal ook hier ons trotsche vleesch en ons eigengerechtig en eigenwillig hart gemakkelijk parten kunnen spelen. Dan willen wij niet, om vleeschelijke oorzaken, omdat we te eigenzinnig en te hoogmoedig en te eigenlievend zijn — laat ons de hand maar eens in eigen boezem steken — en dan maken we er zoo gaarne van, dat wc ons verzetten om Gods wil en om der waarheid wil ; maar niet de Geest, doch het vleesch is dan aan het woord.
Dat moet ons wel tot voorzichtigheid manen.
Het is soms zoo makkelijk voor ons, om te weigeren de hand toe te steken, dan kunnen we onszelf blijven en naar onze eigene begeerlijkheden maar verder wandelen en voort arbeiden, naar onze lusten en verlangens. En dan vermeerderen we onze schuld.
Maar dat mag ons toch aan den anderen kant niet verleiden om een éénheid te zoeken en te bevorderen, daar, waar God Zelf de vinger waarschuwend omhoog houdt ; daar, waar Christus ons waarschuwt en daar, waar het Woord ons toeroept : Gij zult niet vereenigen wat voor God gescheiden ligt !
Ook in het zoeken en bevorderen van éénheid kan zooveel zelfzucht, zooveel menschelijk en vleeschelijk begeeren liggen, zooveel eigenwilligheid wegschuilen.
Neen — we mogen bij de eenheidsbeweging niet over de streep heengaan, niet de grens uitwisschen, niet een verkeerden weg inslaan, niet met verboden middelen werken. We hebben van God geen vrijbrief ontvangen om maar los te laten, wat de Heilige Geest zegt, dat we als een dierbaar, kostelijk, waardevol pand, ons door God Zelf toebetrouwd, hebben vast te houden en te bewaren en te verdedigen.
Nog eens, we kunnen dan gemakkelijk het onze, onze eigen wil en onze eigene lusten, gaan maken tot een dierbaar en waardevol pand — omdat we eigen eer zoeken, waarvan we niet willen aflaten. En dan roepen we maar tegen, tegen, en nog eens tegen, — maar waarom ?
Echter moet het voor ons, christenen, die Gods Woord liefhebben en den Heere Jezus Christus mogen kennen als onzen éénigen en algenoegzamen Zaligmaker, vast staan, dat we van het Woord niet mogen aflaten en dat we den Christus Gods niet mogen verloochenen. En waar de Heere ons niet een algemeen Christelijk geloof geleerd heeft, waaruit de meest fundamenteele stukken zijn uitgesneden, maar we mogen hebben een dierbaar en kostelijk geloof, dat naar de Schriften is, waarvan Jezus Christus het middelpunt is, mogen we ook nooit dat dierbaar en heilig geloof verloochenen, om het in te ruilen voor een geloof, dat men dan belieft te noemen een geloof boven geloofsverdeeldheid, want dan behooren we tot de verraders van den Heiland.
We hebben het geloof, dat de Heilige Geest door het Evangelie in ons hart werkt ; en christen te zijn is, volgens de uitlegging van den Catechismus „door het geloof een lidmaat van Christus zijn en alzoo Zijner zalving deelachtig wezen, opdat wij Zijnen Naam belijden en tegen de zonde en den duivel strijden (Cat. Zondag 12).
De eerste vraag bij de eenheidsbeweging is dan ook niet, of wij het met elkander eens kunnen worden — hoewel we ook daarin de liefde hebben te betrachten en niet de vijandschap hebben aan te blazen, niet zelden met leugen en laster, wat de Cat. „eigene werken des duivels" noemt. Cat. Zondag 43 — maar de allernoodzakelijkste vraag is, wat de Heere ons beveelt in Zijn Heilig Woord. En liet hoogste is niet onze éénheid naar buiten, maar de innerlijke éénheid met Jezus Christus, Die in de éénheid met den Vader bidt om de éénheid der Zijnen, opdat de wereld mag bekennen : Ziet, hoe lief ze elkander hebben ! Opdat ook onze naasten nog voor Christus mogen gewonnen worden. (Zie Cat. Zondag 32, vr. en antw. 87).
De éénheid met God, de éénheid met Christus, de éénheid met en innerlijke gebondenheid aan Gods Heilig Woord.
Laat dit ons aller rechter zijn bij onzen arbeid : wat eischt God van ons in Zijn Heilig Woord. „Uw Woord is een lamp voor onzen voet en een licht op ons pad", zegt de Christen. En de Kerk moet het in alles betrachten. Zij moet Kerk des Woords zijn. De Kerk en de Kerkbijbel — opdat Gods Woord over ons heersche en wij mogen wandelen in Zijne wegen en mogen handelen naar Zijn wil.
We willen hier nog weer eens wijzen op e allerongelukkigste positie van onze Ned. Hervormde Kerk en het allerdroevigst standpunt, dat zij in deze inneemt.
Onze Hervormde Kerk heeft een kerkelijk zegel. Voorin in haar wetboek staat dat zegel. Op al de brieven, die van de Synode, het hoogste bestuurscollege, uitgaan, staat dat zegel. En in een zegel komt altijd kort en krachtig uit wat men wil.
Denk eens aan het zegel van de Utrechtsche Universiteit : , Sol justitiae illustra
nos", d.i. Zonne der Gerechtigheid bestrale ons.
Denk eens aan de Hoogeschool te Groningen. Die heeft tot spreuk : „Het eeuwige Woord van God een licht op ons pad".
En de Kerk ? De Ned. Hervormde Kerk ? Wat lijfspreuk, wat zegel, wat wapen heeft die aloude Kerk in 1816 aangenomen ?
De burgerlijke spreuk : „Dat alles eerlijk en met orde geschiede". Burgerlijk netjes bedoeld, om zich burgerlijk netjes te gedragen. Meer niet.
Van een Gids op onzen weg, van een Licht op ons pads van het ware beginsel der wijsheid, geen stom woord. Noch Gods Woord, noch de vreeze van Zijnen Naam komt aan de beurt in — de Kerk des Heeren, in de Kerk van Jezus Christus.
Geen God, geen Middelaar, geen Heilig Woord — waarvoor de Hervormers streden en hebben gebeden en hebben geleden.
't Is blijkbaar niet noodig voor onze Hervormde Kerk. Als daar maar alles „ordelijk en netjes" toegaat, om zóó alles bijeen te houden, óók wat niet bij elkaar hoort ; ook wat het Koninkrijk met zichzelf in verdeeldheid doet leven.
Wijzer wil men zijn, dan de Heiland ons geleerd heeft en de Apostelen ons hebben overgeleverd. Een wijsheid, die tot dwaasheid is geworden.
De Apostelen, de Kerkvaders, de Martelaren, de Hervormers, de Godsmannen tot op den huldigen dag hebben het ons anders geleerd, maar men wil wijzer zijn dan die allen — echt eigenwijs dus — waardoor de verdeeldheid onder degenen die één zijn in het geloof, pijnlijk en schrikkelijk gewerkt is en de éénheid van degenen, die niet bij elkaar hooren, knoeierig is bevorderd en schandelijk in stand gehouden wordt.
Het subjectivisme, ieders eigen meening, ieders persoonlijke overtuiging, heeft groote waarde, maar het Woord van God wordt krachteloos gemaakt. En dat in — de Kerk!
Neen, wij hebben niet uit den weg te gaan voor al dat geroep om „liefde" en „vrede" en „eensgezindheid". Maar wij hebben te vragen naar de liefde Gods, de éénheid in Christus, het dierbaar geloof dat naar Gods Woord is, als vrucht van den Heiligen Geest.
Spreekt men van een „ruim" standpunt, goed, maar het standpunt wordt niet bepaald door den mensch, maar door God. En 't gaat om het fundament, door God Zelf gelegd ; het fundament Jezus Christus ; het fundament der Apostelen en der Profeten ; het standpunt van Gods Heilig Woord, dat geen kunstig verdichte fabelen ons leert, maar dat zéér vast is in den Heere.
Wij willen dan ook opwekken om te luisteren naar de stem des Konings. Als er geen Koning is, doet ieder naar z'n eigen zondig begeeren. Maar waar Jezus Christus de Koning der Kerk is, hebben we te luisteren naar Zijn stem.
En de Kerk heeft te zijn en meer en meer te worden : Kerk des Woords, omdat zij is Kerk van Jezus Christus, Huis Gods.
Maar dan mag er ook geen kerkelijke gedeeldheid zijn onder degenen, die een even dierbaar geloof hebben als wij.
Vereenigt dan niet, wat God scheidt, naar Zijn Woord.
Scheidt en verdeelt en verscheurt niet, wat God vereenigt, door Zijn Geest en Zijn Evangelie.
1) Ik citeer hier wat G. v. Veen over dit onderwerp schreef in het blad „Volksontwikkeling" van Febr. 1936.
2) De heer Ornée geeft deze beschouwing niet als een redactioneele, doch als een persoonlijke opvatting.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1937

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's