KERKELIJKE RONDSCHOUW
ONZE SYNODE
We schrijven met opzet „onze" Synode. Want hoe we het keeren of wenden, het is „onze" geschiedenis, die zich in 't midden van de Ned. Hervormde Kerk afspeelt. Die allerlei niet goedvindt en er zich niet van bewust is, dat het „ons" mee aangaat, dat mee „onze" zonde is, die keere de Ned. Hervormde Kerk den rug toe en zoeke het elders, waar 't veel „mooier" is. Die kan ook trouwens „geen voet in die Kerk zetten". Tenzij — het „onze" zonde en „onze" schuld wordt. Dat keert het blaadje om, dan wordt al datgene, dat veel „mooier" is buiten de Hervormde Kerk een aanklacht tegen ons en dan gaat de veelszins treurige toestand der Hervormde Kerk ons zwaar op de ziel wegen. Dan wordt het in 't gebed gehoord : „Bij U, o Heere, is de gerechtigheid, maar bij ons is de beschaamdheid des aangezichts, want wij, onze vaderen en wij, hebben tegen U gezondigd".
Ja — in alles wat niet goed is bij ons blinkt 's Heeren gerechtigheid uit. 't Wordt dan zóó gezien, zooals de Heidelbergsche Catechismus de zaak van den val des menschen, met alles wat er mee samenhangt, beschouwt. In Zondag 4 wordt gevraagd : Doet dan God den mensch niet onrecht enz. ? En het antwoord is : „Neen Hij, want God heeft den mensch alzoo geschapen, dat hij dat konde doen; maar de mensch heeft zichzelven en al zijne nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd."
En de Heere wil dan zulke ongehoorzaamheid en afval geenszins ongestraft laten „maar Hij vertoornt zich schrikkelijk beide over de aangeborene en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen".
Zoo is de Heere wel barmhartig, maar Hij is óók rechtvaardig
Alle degenen, die zooveel leelijks van de Hervormde Kerk hebben te vertellen moesten meer bedenken, dat ook zij — ja, ook zij ! — schuld hebben hier.
En hoe meer we gaan spreken van „onze zonde", hoe meer we zullen belangstellen in 't verloop van de geschiedenis van de Hervormde Kerk. Hoemeer we ook zullen beseffen, dat we onze Synode hebben, niet buiten onze schuld om. Hoe meer we ook den Heere zullen bidden en alles zullen doen, wat onze hand vindt om te doen, om voor de Hervormde Kerk het goede te zoeken.
Onze belangstelling is dit jaar weer bijzonder groot voor de vergaderingen van „onze" Synode. Want de kerkelijke kwestie komt weer ter tafel. En we hopen, dat men hoe langs hoemeer een goed inzicht zal verkrijgen in de toestand van de Hervormde (Gereformeerde) Kerk en dat men overeenkomstig Schrift en belijdenis gaarne alles zal willen doen, om de toestanden in de Hervormde (Gereformeerde) Kerk te verbeteren. Het zou èn voor de Kerk èn voor ons volksleven van de grootste beteekenis kunnen zijn.
We laten hier volgen de samenstelling van de Synode voor dit jaar :
Door het overlijden van den quaestorgeneraal mr. Hogerzeil zal als zoodanig optreden zijn secundus mr. IJ. A, Schuller tot Peursum te Amsterdam. Secretaris is ds. D. den Breems. De kerkelijke hoogleeraren met adviseerende stem, zijn dit jaar prof. dr. Th. L. Haitjema van Groningen en (tot 1 Aug.) prof. dr. S. F. H. J. Berkelbach v. d. Sprenkel (na 1 Aug. prof. dr. M. J. A. de Vrijer, van Utrecht.
De gewone leden, vanwege de Prov. Kerkbesturen en de Waalsche Commissie, zijn : dr. P. Smit te Heumen ca. (Gld.), ds. J. Barbas te Hengelo (Gld.), ds. P. Bokma te Schiedam, dr. L. Boer te Scheveningen, ds. T. G. van Reeuwijk te Amsterdam, de heer F. A. van den Bosch-te Amsterdam, dr. W. H. Weeda te Oosterland, de heer Ch. Hondius te Middelburg, sec. de heer W. A. van Oeveren te Wolphaartsdijk ; ds. P. de Bruijn te Driebergen, de heer M. tér Stal te Veenendaal, ds. S. Winkel te Heerenveen-Terband, de heer J. Oosterhoff te Leeuwarden, ds. L. S. van Zwet te Almelo, ir. P. Wolfensberger te Zwolle, ds. F. Tammens te Oostwold (Westerkwartier), , de heer J. W. Bolt te Groningen, ds. J. W. J. Addink te Heeze (N-B.), ds. J. Boonstra te Gieten, ds. R. Blommaert te Middelburg.
Ds. P. Bokma, pred. te Schiedam, zal, als president van jaren, de vergadering openen.
Wij willen gaarne de gemeenten en bijzonder de voorgangers opwekken voor de vergaderingen van „onze" Synode het gebed tot God te doen opgaan !
TEGEN ELKAAR OPZETTEN
Wat zou het heerlijk zijn, als er geen opstokers en geen kwaadsprekers meer waren. Maar zoover zijn we nog niet. Daarom is dubbele waakzaamheid geboden. Want anders slaan de vlammen telkens uit en de dervers hebben dan 't grootste plezier. Liever afbreken, dan opbouwen. Liever verwoesten dan herstellen ! Dat hebben we meer ervaren in onze levensjaren, hoe treurig 't ook is
Onze Synode zal nu in vergadering bijeenkomen en er zullen gewichtige dingen ter tafel komen. De hooge Kerkelijke Vergadering zal dit jaar nogal sterk orthodox gekleurd zijn. De kerkelijke hoogleeraren, met prae-adviseerende stem, zijn beide orthodox, n.l. prof. Haitjema en prof. Berkelbach v. d. Sprenkel (na 1 Aug. prof. De Vrijer). Ook de secretaris, met adviseerende stem, is rechtzinnig (ds. D. den Breems). En van de 19 door de Prov. Kerkbesturen en de Waalsche Commissie afgevaardigde gewone leden staan er 13 als orthodox bekend, tegen 6 vrijzinnigen. Zelden is de vrijzinnige fractie in de Synode zoo klein geweest en de orthodoxe groep zoo groot ('t vorig jaar was het 12 tegen 7). De orthodoxen beschikken dus over meer dan twee-derde der stemmen. En in de Provinc. Kerkbesturen, die tenslotte hun goedkeuring aan de ter Synode genomen besluiten moe ten verleenen, is een dergelijke rechtzinnige meerderheid, wijl immers de synodale samenstelling een afspiegeling is van de samenstelling der Prov. Kerkbesturen, welker leden straks individueel over deze voorstellen stemmen. De verhouding was ten vorigen jare 47 tegen 20, en dat zal in 1937 wel ongeveer 't zelfde zijn. In de Synode dus 13 rechts en 6 links, in de Prov. Kerkbesturen 47 rechts en 20 links.
Een „medewerker" van de N. R. Ct., die natuurlijk „naamloos" schrijft, zoodat we niet weten wie het is en in welke hoek hij zit — maakt zich ongerust over die orthodoxe meerderheden en denkt met name aan het voorstel tot reorganisatie der Herv. Kerk, dat ingediend is door de Vereenigingen „Kerkherstel" en „Kerkopbouw" en dat „bewerkt" is door een breede Commissie, door de Synode van 1936 benoemd, waarin vertegenwoordigers van verschillende richtingen in onze Hervormde Kerk hebben zitting genomen.
Zal het naar een „belijdende. Kerk" gaan ? De Vrijz. Hervormden hebben een mooie kans laten voorbijgaan en hebben zich op de laatste jaarvergadering in groote meerderheid tegen verklaard. De hand, hun toegestoken, zal worden afgeweerd. Waarmee ze voor de verdere gang van zaken, zoo die in hun nadeel mocht zijn, ook des te meer verantwoordelijkheid dragen. Het gaat toch niet aan, dat door de vrijzinnigen de belangen van hun organisatie en van hun Vereeniging boven alles gesteld worden en de Kerk met haar belangen uit het oog verloren wordt ! En nu weet de anonyme „medewerker" van de N. Rott. Ct. niet beter te doen dan te stoken onder de rechtzinnigen, om te leven van de tactiek „verdeel en heersch". De rechtzinnigen moeten tegen elkaar worden opgezet, opdat de vrijzinnigen vrij spel krijgen voor hun particuliere belangen, die het welzijn van de Hervormde Kerk in Nederland in den weg staan.
De zich schuil houdende „medewerker" van de N. Rt. Ct. schrijft als volgt :
„Zal de Synode nu met 13 tegen 6 stemmen dit orthodoxe reorganisatie-voorstel aannemen en zal, indien de volgende Synode eenzelfde samenstelling vertoont en ook de Provinciale Kerkbesturen in 1938 de stemmenverhouding van 1936 en '37 bestendigen^ dit orthodoxe ontwerp wet worden ?
Niemand, die er ook maar een oogenblik aan gelooft. Er komt van deze reorganisatie evenmin iets terecht als van een der vele vorige reorganisaties. Zal de schuld van deze mislukking op de kleine vrijzinnige fractie drukken ? Neen, deze mislukking zal wederom ten duidelijkste bewijzen, hoe weinig de orthodoxie een innerlijke eenheid vormt.
Uiterlijk moge zij samengaan in de onthouding van faciliteiten en rechten aan de vrijzinnigen, waaraan behoudens de uitzonderingen die den regel bevestigen ook de ethischen meedoen, — maar zoodra zij deze negatieve bezigheid moet verruilen tegen positief opbouwend werk, blijkt zij een huis te zijn, dat tegen zichzelf verdeeld is. Een vergelijking, welke zij graag tegen een met het beginsel der vrijzinnigheid gestempelde Kerk uitspeelt !
Merkwaardig, hoe de vrijzinnigen, door de orthodoxie gaarne als individualisten aan de kaak gesteld, inzake het Kerkprobleem een eenheid belichamen, welke zich treffend geopenbaard heeft in het zoo goed als eenstemmig te Scheveningen aangenomen ontwerp. Stonden de vrijzinnigen met 13 tegen 6 man in de Synode, zij zouden dit ontwerp indienen en 't zou met 13 tegen 6 stemmen worden aangenomen ook !"
Zoo wordt de Vrijzinnigheid als een éénheid voorgesteld — die zich sterk voelt, om de ware belangen van de Hervormde Kerk tegen te staan en den goeden voortgang der dingen te verhinderen. En triumfantelijk wordt geschreven over de hopelooze verdeeldheid van de rechtzinnigen. Hoort maar. Hij zegt :
„En nu de orthodoxie, die toch de pretentie heeft, tegenover het subjectivisme der vrijzinnigen de „Schriftuurlijke" objectiviteit te vertegenwoordigen ! Als straks het reorganisatie-ontwerp aan de orde komt, zullen sommigen er vóór en anderen er tegen zijn, en de voorstanders zoowel als de tegenstanders zullen hun stem motiveeren op onderling nog weer zeer verschillende motieven.
Het zegt dus niet veel, noch in de practijk, noch in beginsel : een orthodoxe Synode. Wanneer men in den gevel van dit gebouw de vrijzinnigen met lichte en de orthodoxen met donkere steenen aanduidt, zal het geel der zes vrijzinnige steenen een kleur-eenheid uitmaken, maar het donkere vlak, waartegen deze lichte plek afsteekt, zal dertien verschillende schakeeringen te zien geven, van het stemmigste zwart tot het met geel vermengde blauw, dat in allerlei groene variaties aan het licht treedt".
Is het niet prachtig ?
De Vrijzinnigen zijn natuurlijk de lichte, mooie kleuren van den gevel.
De Orthodoxen de zwarte, groezelige, vuile kleuren.
Gelukkig, dat we de Vrijzinnigen nog hebben. Nu is er tenminste nog iets goeds ~ al is het weinig — in onze Hervormde Kerk
Zullen de Orthodoxen hieruit hun leering trekken ?
Eendracht maakt macht en maakt een kleine zaak sterk — maar tweedracht breekt alles en maakt een sterke zaak zwak.
Men zij gewaarschuwd. Temeer, waar het om groote, belangrijke dingen gaat.
HET ZELFBESCHIKKINGSRECHT DER VRIJZINNIG HERVORMDEN
Op de laatste jaarvergadering der Vrijzinnige Hervormden is met 111 tegen 22 stemmen het voorstel verworpen, om in hoofdzaak mee te gaan met de reorganisatie-voorstellen, zooals die door de Vereenigingen „Kerkherstel" en „Kerkopbouw" bij de Synode zijn ingediend. Dat het hiertoe komen zou, heeft ons niet verwonderd, hoewel wij een kleiner verschil tusschen de vóór-en tegenstemmers hadden verwacht, omdat ook onder de Vrijzinnig Hervormden het kerkelijk bewustzijn meer en meer tot openbaring komt. Bij velen is niet meer de Vereeniging, maar de Kerk op de eerste plaats gekomen.
Nu is het voor de Vrijzinnig Hervormden ook wel moeilijk, als er sprake is van een gemeenschappelijke kerkelijke belijdenis en er wegen en middelen worden gezocht om opzicht te houden en tucht te oefenen, waar de afwijkingen in de leer alles hebben van Kerkafbraak. Men wil zelf vrij blijven, met zelfbeschikkingsrecht, zelf de bron en de norm zijnde bij het gelooven en belijden. Men wil van de autoriteit van Gods Woord niet weten. Men wil geen boeken-godsdienst. Men wil als echte „vrijzinnigen" heer en meester zijn en blijven, bij het vrij en zelf bepalen van wat waarheid en recht is. De mensch wil „als God zijn".
Het volstrekte gezag van Gods Woord wil men niet erkennen noch aanvaarden.
Zelf wil men autoriteit zijn op 't gebied der geloofswaarheden, wat betreft het nader bepalen en omschrijven van 't geen den mensch noodig is tot zaligheid. En Gods Woord moet dan wijken voor eigen inzicht en overtuiging. De Christus der Schriften, Christus de Gekruiste, het verzoenend lijden en sterven van Christus — in Schrift en belijdenis door de Christelijke Kerk beleden — 't is den vrijzinnigen mensch, die vrij wil zijn om zelf uit te maken wat goed en noodig is voor den mensch, dwaasheid en tot ergernis ! Gansch Gods weg en Gods Woord en Waarheid wordt omgekeerd door den vrijen mensch, die z'n vrijheid in deze verdedigt met alles wat in hem is. Die goede, gave, brave, vrome mensch, laat zich niet zoo gemakkelijk non-actief maken. Hij kan en wil en zal een woordje blijven meespreken, en niet weinig ook. Het zou toch wel minderwaardig zijn voor den braven mensch, die z'n gezond verstand gekregen heeft om het óók te gebruiken, als hij zich zoomaar op zij liet zetten door den Bijbel en als hij zoomaar zich zou gaan buigen voor de belijdenis der eeuwen, waarvan de Schriftuurlijke waarheden, de kern, het hart en de ziel zijn.
Maar nu moet ge niet gelooven, dat de Vrijzinnige Hervormden zoomaar zonder meer zeggen : wij weten het en wij zullen het voor 't zeggen moeten hebben. Neen ! men heeft ook hier weer een wijze van voorstelling en een gebruik van woorden en een noemen van waarheden, dat zeer sterk gelijkt op de oude Gereformeerde waarheid, ook in onze Belijdenis omschreven, n.l. het getuigenis des Heiligen Geestes in onze harten.
Wanneer we art. 5 van onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis opslaan, dan lezen we waar (let er op, dat het in artikel 3 gaat om „het geschreven Woord Gods", en in art. 4 over „de Kanonieke of gezaghebbende boeken der Heilige Schrift", waarop dan art. 5 volgt, met het opschrift : „Waarvan de Heilige Schrift haar aanzien en autoriteit heeft") : „Alle deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en canoniek, om ons geloof daarnaar te reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En wij gelooven, zonder eenige twijfeling, al wat daarin begrepen is ; en dat niet zoozeer, omdat ze de Kerk aanneemt en voor zoodanige houdt ; maar inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn en dewijl zij ook het bewijs van dien bij zichzelven hebben", enz.
Daar hebben we dus de kwestie van het Testimonium Spiritus Sancti oftewel Het Getuigenis des Heiligen Geestes.
Met die woorden, met die omschrijving, met die confessioneele en Schriftuurlijke waarheid komen de Vrijzinnige Hervormden nu aandragen en zeggen : wat wij gelooven en belijden en wat wij in de Kerk willen geloofd en beleden zien, hebben wij. Vrijzinnigen, door het getuigenis des Geestes. De Geest leert ons dat en leert ons zoo en daaraan willen wij ons houden en daarbij moet ieder dan zwijgen, want: de Geest onderwijst ons zoo !
Men voelt, dat dit een gewichtig argument is. Want wie zou geen eerbied hebben voor het getuigenis des Geestes ? Het getuigenis des Geestes is immers heilig en goddelijk en goed en overtreft alles. De Geest is immers méér dan de mensch, meer ook dan de Kerk. De Geest gaat boven alles !
Nu heeft de Kerkgeschiedenis vele voorbeelden van menschen, die zeggen : wat wij gelooven en belijden en voorstaan en propageeren, hebben wij van en door den Geest ! Echte „geestelijke" menschen wilde men zijn. Andere menschen zijn zoo grof stoffelijk dikwijls, maar zij wilden „geestelijke" menschen zijn Hoeveel last hebben Luther en Calvijn niet gehad van zulke „geestelijke" menschen, die het anders en beter wisten dan de Hervormers ! Ze waren veel geestelijker, veel vromer, veel echter en veel oprechter dan de Vaders der Reformatie en al hun medehelpers saam. Ze hadden den Geest ! En daarvoor moest al het andere wijken. De Geest had hen dit en de Geest had hen dat geopenbaard. En dat „inwendig licht" (lumen internum) maakte al het andere, zooals de Bijbel, de Kerk, het ambt enz., overbodig. Men wist het zelf veel beter, en wel door het getuigenis des Geestes !
Maar met dat al zat men midden tusschen eigengemaakte, eigen uitgedachte, eigen gevoelde waarheden en leeringen en practijken, die net zooveel leken op 't geen God, ons in Zijn Woord gegeven heeft (zie antw. 21 van Zondag 7, waar de objectieve inhoud en grond voor het ware zaligmakende geloof ons omschreven wordt als : „Een waar geloof is waardoor ik alles voor waarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft") als een kat op een leeuw.
Denkt maar eens aan de Wederdoopers of Anabaptisten van de 16e eeuw, echte „geestdrijvers", spiritualisten of enthousiasten, maar geheel en in alles afwijkende van hetgeen God in Zijn Woord geopenbaard heeft. Ze waren veel „geestelijker" en ze wilden niet gebonden zijn aan „de letter" ; ze hadden het ambt, den Bijbel, de Kerk, de studie niet van noode ; als „geestelijke" menschen hadden ze alles in eigendom ; maar de geest, die hen dreef, was niet de Heilige Geest Gods.
Geenszins.
Want die van den Geest spreekt, moet beproefd worden, gekeurd en onderzocht, of hij ook den Heiligen Geest Gods heeft. Elke „geest" is niet uit God! Heeft de Heiland Zelf niet gezegd : vertrouwt en gelooft niet eiken geest ? En heeft de Apostel niet gezegd : beproeft de geesten of ze uit God zijn ?
De Vrijzinnige Hervormden, die nu — gelijk vroeger — óók zeggen, dat wat zij gelooven en belijden, zij dat gelooven en belijden door het getuigenis des Geestes — vallen óók onder dat oordeel: „vertrouwt en gelooft hen niet, want de Geest die hen leert en leidt is niet uit God !"
Hoe we dat weten ?
Omdat de Heilige Geest, Die ons de Heilige Schrift gegeven heeft, kennende de diepten Gods, ons in de ware, echte, heilige kennis der Schriften leidt en ons doet geiooven en belijden alles wat God ons in Zijn Woord heeft geopenbaard, opdat we kennen Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft ; de Christus der Schriften ; Christus, waarachtig en rechtvaardig mensch en tegelijk waarachtig God, door Wiens bloed de vergeving onzer zonden is, door het geloof.
De Heilige Geest brengt ons bij het Lam Gods, bij het kruis van Golgotha en tot den eenigen troost, beide in leven en in sterven, zooals onze Heidelbergsche Catechismus aanstonds in het eerste antwoord zoo onovertrefbaar schoon en heerlijk uiteenzet, hierin belijdenis doende van het geloof der heiligen, het geloof van de Kerk aller eeuwen, het geloof van Apostelen en Martelaren !
De Heilige Geest doet zingen het lied van het Lam, staande als geslacht voor Gods aangezicht en Hij doet geiooven en belijden : „Zijn bloed reinigt ons van alle zonden".
Het getuigenis des Geestes bij de Vrijzinnige Hervormden wordt iets, dat geheel afzonderlijk komt te staan. Dat is eigen, menschelijke overtuiging ; dat is eigen inzicht en meening ; en voor alles' wat „eigen" is van en aan den mensch moeten we buitengewoon voorzichtig zijn.
Eigen inzicht, eigen overtuiging, eigen geweten, eigen hart, eigen verstand, eigen meening, eigen weg — het is alles door de zonde verdorven en verdwaasd. We zijn zondaren en staan als zondaren met den rug naar God toe. We doen wel alsof we God zijn (dat hebben we in het Paradijs, van den vader der leugen, den menschenmoorder van den beginne, geleerd), maar we zijn verdwaasd en verdorven en zijn verloren als we niet wederomgeboren worden en gebracht worden tot de kennis van het Evangelie van Jezus Christus en dien gekruisigd.
Het getuigenis des Geestes, dat niet een getuigenis is van de heerlijkheid en de waarheid van Gods Woord, is een getuigenis van een onheiligen zonde-geest, die zich, naar het voorbeeld van Satan zelf, weet te veranderen in de gedaante van den Heiligen Geest, verleidende de menschen.
Laat ons toch niet traag van harte zijn en onverstandig, verzuimende te onderzoeken de Schriften, want anders komt men tot een geheel ander geloof, tot een geheel andere belijdenis, dan die van Christus' Kerk, getuigende : „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods".
In den pantheistischen weg, door de moderne wijsbegeerte aangeprezen, komen we nooit tot het geloof in Christus. Vleesch en bloed openbaart ons dat niet. Integendeel. Dan is en blijft het Evangelie des kruises dwaasheid en ergernis. Maar de Heilige Geest leert ons, naar Gods Woord, Hem te kennen in Wien het eeuwige leven is.
Laat de Kerk nooit op zij gaan voor die argumentatie : „wij gelooven en belijden wat de Geest ons getuigt", als men dan tegelijk bezig is om radicaal Gods Woord tegen te spreken en openlijk de belijdenis der Kerk te loochenen.
De Kerk des Heeren kome met Gods Woord, predike den Christus Gods, en durve het aan, om, in de kracht Gods en door de genade Gods te zeggen : Een iegelijk, die uit God geboren is, bekenne van deze leer, dat zij waarachtig is. Maar die den Zoon ongehoorzaam is, op dien blijft de toorn Gods en het eeuwige leven is niet in hem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1937
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's